Deze blog is overgenomen uit het boek Waar ik je zoek, verhalen van zwervers, koningen, moeder en kind van Werner Pieterse

In die dagen is er een man uit Rama in Efraim. Elkana. Hij heeft twee vrouwen. Hanna en Pennina. Pennina heeft kinderen, Hanna niet. Als zij opgaan naar Silo voor het jaarlijks tempelfeest, treitert Pennina haar omdat ze onvruchtbaar is. Dat gaat zo jaar in jaar uit. Elkana zegt: ‘Maar ik ben jou toch liever dan tien zonen?’
Dan staat Hanna op en gaat naar de tempel. Daar bidt ze en doet een gelofte. Ze zegt: ‘Als u, JHWH, de ellende van uw meisje niet vergeet, en mij een zoon geeft, zal ik hem aan u geven.’ Eli de priester ziet haar en zegt: ‘Hoe lang moet je je nog zo aanstellen, ben je dronken?’ Maar Hanna zegt: ‘Ik stort mijn ziel uit voor JHWH.’
Eli antwoordt: ‘Ga in vrede, God zal geven wat je hem vraagt.’ En het geschiedt dat Hanna een zoon baart en hem, als hij gespeend is, naar de tempel brengt. Ze geeft hem de naam Samuel – die van God komt. De priester-zonen van Eli doen kwaad in de ogen van JHWH. Ze stelen het offervlees en slapen met de vrouwen die zich voor de tempel verzamelen.

En de jongen Samuel dient JHWH voor het aangezicht van Eli. En het woord van JHWH is schaars in die dagen. Er is geen visioen. En het geschiedt in die dagen dat Eli op zijn plaats ligt. Zijn ogen beginnen donker te worden, zodat hij niet zien kan. De Godslamp is nog niet gedoofd. Ook Samuel heeft zich neergelegd; in de tempel van JHWH, waar de ark van God is. Dan roept JHWH Samuel. En hij zegt: ‘Zie, hier ben ik.’
En hij loopt naar Eli en zegt: ‘Zie, hier ben ik, want u hebt me geroepen.’
Maar hij zegt: ‘Ik heb niet geroepen. Ga terug, leg je neer.’ En hij gaat en legt zich neer.
Dan roept JHWH Samuel opnieuw. En Samuel staat op en gaat naar Eli en zegt: ‘Zie, hier ben ik, want u hebt me geroepen.’ Maar hij zegt: ‘Ik heb je niet geroepen mijn zoon. Ga terug, leg je neer.’ (Samuel kent JHWH nog niet en het woord van JHWH is aan hem nog niet geopenbaard.) Dan roept JHWH Samuel opnieuw, ten derden male.
En hij staat op en gaat naar Eli en zegt: ‘Zie, hier ben ik, want u hebt me geroepen.’
Dan begrijpt Eli, dat JHWH de jongen roept. Daarom zegt Eli tot Samuel: ‘Ga heen, leg je neer. En het zal geschieden, als hij je roept, dat je zult zeggen: “Spreek, JHWH, want uw knecht hoort.”’

Samuel gaat en legt zich op zijn plaats. En JHWH komt, staat daar, en roept net als de andere keren: ‘Samuel, Samuel!’ En Samuel zegt: ‘Spreek, want uw knecht hoort.’

de oude man, het jongetje en de stem

Als de oude Zacharia bestiert de stokoude priester het heiligdom. Onverstoorbaar blijft hij missen celebreren en preken preken. Zolang we ons kunnen heugen al. Hij kent zijn mensen vanaf de moederschoot. Zo gaan de rituelen in het land waar ooit de belofte woonde. Religieuze aderverkalking heeft van ons bezit genomen. ‘De vergezichten zijn schaars in die dagen.’ De tempels in handen van corrupte elites. Is dit dan alles? Hebben we hierin geloofd? Een seniele oude man in een jurk die onbegrijpelijke woorden mompelt. God in een met sloten bezet antiek boek vol geheimtaal. Wat missen we aan hem? Bedonderd zijn we, ons hele leven. ‘We leerden altijd het verkeerde/we wisten zelf niet wat we deden/we leefden in de greep van de gereformeerden.’

Het jongetje in de tempel. Geboren uit een onvruchtbare vrouw. Een stem in de nacht. Een roep als naar de eerste mens in de tuin, naar Abraham, Mozes, Maria. De stem van de ouder die haar kind zoekt, van je geliefde, je moeder, jouw kind, jouw God. Je eerste woord is antwoord. Hineni, hier ben ik. Het ik is weer de dativus waarmee het begon. Laten we de oude priester eren.

Zonder Eli met zijn stramme woorden en eeuwenoude gebaren had Samuel de stem nooit herkend. Iemand moet de woorden bewaren zodat een ander ze nieuw kan horen. Grootmoedig gunt Eli de jongen de stem, waar hijzelf misschien een leven lang vergeefs op heeft gehoopt. Zo geeft de ware priester de profeet de ruimte.
Generaties na het eerste begin aan de Jordaan. Tientallen warlords verder – wie weet de namen nog; zinloze oorlogen verwoestten het land dat we ooit land van belofte noemden. En ook nu begint met een mens een nieuwe schepping, een jongetje. Hij ís de belofte. God blijft roepen, op de valreep herkend. Hij weet inmiddels dat hij aan moet houden. De tijd dat hij zomaar werd herkend is voorgoed voorbij.

Het boomloze hoge noorden. Dagen van Poetin. Bij deze zee weet de mens zich klein. Vrouwen werken sinds de oorlog in de visafslag – de hele bioscoop ruikt ernaar. Sobere flessen wodka brengen troost in uitgewoonde appartementen. In het huis in de baai houdt de vader een laatste rest integriteit overeind. Maar het systeem heeft haar zonen allang aangetast. Geld-Staat-Kerk. ‘Alle macht komt van God’ spreekt de bisschop de burgemeester moed in. Knokploegen doen de rest. De magistraat heeft zijn oog op het huis laten vallen, een ideale plek voor een protserig paleis. De vader blijft zich verzetten tot geld, macht en overspel alles vermorzelen. De advocaat wordt in elkaar geslagen, de vrouw springt de zee in, de vader wordt veroordeeld. Krakend en steunend breekt het ouderlijk huis even later aan stukken. Ieder doet wat goed lijkt in zijn en haar ogen.
‘Zul jij de Leviatan aan een haak trekken, of zijn tong met een touw, dat je laat neerzinken, binden? Zul je hem een riet door de neus steken, of met een doorn zijn kaak doorboren?’ Jobs eeuwenoude retorische vraag klinkt op het dieptepunt van de film uit de mond van de priester bijna cynisch. Maar toch. We hebben de zoon bij het karkas van Leviatan zien zitten. Eerder in de film al. De zee is even geweken, laag tij. Botten op het droge. Het jongetje zal een nieuw huis bouwen.

Uit: Waar ik je zoek / Werner Pieters / Uitgeverij Kok

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *