Kerk

Toenaderen, toetreden, toevertrouwen, toewijden

Inleiding in het boek

Met het glashelder geschreven boek Oefenruimte creëert Sake Stoppels, een belangrijke brug. Een brug tussen de evangelische beweging enerzijds en de wat meer liberale protestantse kerken anderzijds. Dat doet hij door actieve navolging en discipelschap, leerling zijn van Christus, geloofsleerling zijn en het je langdurig oefenen daarin naar voren te halen als hét onderscheidende kenmerk van christelijke geloofsgemeenschappen. Zij dienen teken te zijn van het Koninkrijk van God en het evangelie legt ‘een totale claim’ op mensen. De in het evangelie belangrijke consequentie van de navolging, namelijk dat het lijden en kruisdragen met zich meebrengt en daar zelfs mee samen lijkt te vallen laat hij weg. Dat geldt ook voor de in de evangelische beweging en de orthodoxie belangrijke overtuiging van het al dan niet gered worden, dat Christus in de wereld is gekomen om mensen te redden van hun schuld en te bevrijden uit hun nood. Niettemin gaat het hem om een radicaal christendom. Het kiezen voor de navolging doet christenen een andere levensweg inslaan, een ander spoor volgen. De gemeente vormt zich als een messiaanse, op het eschaton gerichte microsamenleving, zouden we in de jaren zeventiger jaren zeggen. Daarmee kost het mensen wat, tenminste tijd, maar ook inzet, bezinning op de wezenlijke dingen, andere gedragspatronen. Voor de kerk, en vooral voor de lokale gemeente en voor nieuwe vormen van kerk-zijn acht Stoppels het fundamenteel dat zij zichtbaar is en zich herkenbaar maakt. Zij vormt zich als een keuzekerk uit toegewijde leerlingen van Christus. Het gaat de leerlingen daarbij om het Koninkrijk van God en niet in eerste instantie om de kerk, maar Stoppels acht het nodig dat de kerk een heldere identiteit heeft.  Ook wanneer het er om gaat, voeg ik eraan toe, dat zij in woord en daad getuigenis aflegt tegenover een toekijkende wereld.

Wanneer de kerk vaag is en mensen het niet alleen moeilijk vinden om hun geloof te verwoorden en zelfs de veronderstelling dat wie tot een kerk behoren allemaal christelijk gelovig zijn onjuist is, heeft zij geen toekomst en zal ook kerkverlating nog wel een poosje doorgaan. Afname van participatie kan de kerk echter niet onverschillig laten. Stoppels vreest in de grond van de zaak één ding: vrijblijvendheid en dus staat hij niet afkerig tegenover verplichtingen. Hij vreest ‘meewaaien met de maatschappelijke wind’, want dat kan, zo schrijft hij niet ‘straffeloos’. Als de kerk zich aanpast aan de samenleving komt er van de kerk niets terecht en van de weeromstuit kiest hij ervoor om christenen uit te dagen tot het formuleren van onderscheidende spel- of leefregels. Elke geloofsgemeenschap acht hij dan vervolgens wel vrij en competent om deze leefregels zelf op te stellen, maar dat erover moet worden nagedacht en dat ze consequenties hebben voor de leden daar kan een christelijke geloofsgemeenschap niet omheen. Stoppels pleit er bij herhaling voor dat christelijke groepen en gemeenschappen expliciet en concreet maken wat ze van de mensen die bij hen willen horen verwachten. Het moet helder zijn wat toewijding betekent, dat er grenzen aan de vrijheid worden gesteld en ieder geval, dat daarover met mensen gesproken moet kunnen worden. Dat betreft uiteindelijk ook de keuzes die ze in hun privéleven of hun werk maken. Alleen dan neem je het toebehoren aan een christelijke geloofsgemeenschap en de aanspraak van het evangelie die daarin klinkt serieus. Het gaat om een manier van leven die iets van Jezus laat zien. Christenen zijn aanspreekbaar op hun gedrag, zowel op hun morele keuzes als op hun participatie aan de geloofsgemeenschap, en daarmee ook op de vraag welke morele verhalen en diffuusheid in deelname zij afwijzen, zoals omgekeerd ook de geloofsgemeenschap en haar leiding is aan te spreken op haar beloften en toezeggingen. Het participeren in kleine groepen lijkt daarbij een belangrijke voorwaarde te zijn. Het gaat immers om een karaktervormende levensstijl die anders is dan gangbaar is in de omringende cultuur. Om die levensstijl vol te houden zijn geloofspraktijken waarin mensen aanklampbaar, aanspreekbaar en corrigeerbaar zijn essentieel. Stoppels: ‘ Er is dan ook terecht terughoudendheid in het vaststellen wat wel en niet kan. Maar dit alles neemt uiteraard niet weg dat niet alles kan in de gemeente van Christus.’ et Dat maakt van de kerk geen burcht, geen gesloten huis, want er geldt een intense uitnodiging, maar er zijn wel drempels, want er wordt in dit huis geleerd en geoefend, mensen worden er uitgedaagd en omgevormd en dat houdt ook in dat kritische vragen gesteld moeten worden. Jezus riep geen kerkleden, geen kerkmensen, geen kerkelijke vrijwilligers, maar discipelen stelt Stoppels. Hij legitimeert zijn keuze voor het begrip ‘discipelschap’ en niet voor navolging vanuit de centrale plek die het Nieuwe Testament, met name de evangeliën, aan het discipelschap toekent, vanuit de onderkenning en erkenning dat het bij navolging allereerst gaat om een permanent en existentieel leerproces, vanuit de theologische visie dat het om een antwoord gaat en vanuit de waarneming dat de term in de wat meer liberale theologie, in tegenstelling tot de meer evangelicale theologie, niet in zwang is. Op andere plekken in zijn boek wijst hij erop dat de één voor de ander leraar kan zijn en dat allen telkens weer moeten leren luisteren en spreken als een leerling. Bovendien helpt de notie van het discipelschap om de activiteiten van een gemeente te evalueren.

Twee rijtjes theologen

Om zijn positie te kunnen bepalen en markeren horen we Stoppels in gesprek gaan met twee rijtjes auteurs, die zich uitgesproken hebben over toetreden, deelneming aan en deelgenoot zijn van de kerk als gemeenschap. Stoppels stelt ze daarbij overigens zelf in het veld op.

In het eerste rijtje staan auteurs die aansluiting zoeken bij veranderende bindingspatronen, bij de ‘brede maatschappelijke behoefte’. Het zijn auteurs die volgens Stoppels vanwege het huidige maatschappelijke klimaat in de vormgeving en cultuur van een geloofsgemeenschap ruimte en vrijheid bepleiten, zonder de sterke niet-vrijblijvende binding aan het evangelie, de kern, de Sache Jesu, de boodschap van het Koninkrijk of de binding aan Christus zelf los te willen laten. Ze komen in hun voorstellen voor een participatiestructuur van een geloofsgemeenschap uit bij concentrische cirkels van af- en toenemende toewijding of bij een dubbel kerkmodel. Ze vallen echter stil als het er om gaat duidelijk te maken wat toewijding inhoudt, staan open voor een meervoudige, flexibele bindingen en creëren daarmee volgens Stoppels ‘rek in het middel’, met als gevaar dat ze het doel, te weten de commitment aan de zaak van het Rijk van God, uithollen of kwijtraken. Bijbels-theologisch acht hij het fundament voor hun voorstellen bovendien uiterst zwak: “Ik zie bij Jezus eigenlijk geen bewust tweesporenbeleid in de zin dat hij bepaalde mensen roept om discipel te worden en anderen roept om ‘schare’ te zijn en te blijven.” Stoppels citeert met instemming de visie dat Jezus mensen er niet toe roept om hem met een half hart te volgen en een consequentie daarvan is dat een ‘standby’ geloof niet voldoende is.

Ik heb het nog even nagezocht om te zien waar Stoppels precies op doelt en vooral, of hij de door hem enigszins in de hoek gezette auteurs wel recht doet. Ik concentreer mij op de kritiek op zijn leermeester Gerben Heitink.

Heitink stelt dat processen als individualisering, pluralisering, modernisering , mobilisering en ook de intensivering van het leven grote invloed hebben op de kerk, dat hij om die redenen op zoek is naar een ‘meer geïndividualiseerd model van gemeentevorming’. Het lijkt mij wat genuanceerder dan ‘meewaaien met de maatschappelijke wind’. Op zijn minst stellen deze processen immers vragen aan de mogelijkheden voor participatie. Heitink vindt zijn model in een participatiepatroon dat hij ontleent aan het Johannesevangelie. Stoppels haalt hem uitgebreid aan. Aan de ene kant schetst Heitink hoe in Johannes 20 een kleine kring van bange leerlingen samenkomt en Jezus in hun midden verschijnt, hen vrede toezegt en in de wereld zendt. Aan de andere kant begint volgens Heitink met die vredetoezegging en wegzending gemeentevorming in concentrische cirkels rond dit levende midden. Elders spreekt Heitink in een concretisering hiervan over ‘graden van kerkelijkheid’. Stoppels is niet mals in zijn kritiek: ‘Van graden van betrokkenheid is in die ontmoeting (in Johannes 21, HdR) in het geheel geen sprake. De betrokkenheid van de leerlingen zal in die ontmoeting in existentiële zin maximaal zijn geweest. Nadat de Opgestane hen de Geest heeft ‘ingeblazen’, worden ze uitgezonden met de volmacht om te vergeven én om die vergeving te onthouden (Joh. 20:21-23). We zien hier geen vloeiende overgangen, maar een bijzonder mandaat dat bepaald niet aan iedereen wordt gegeven.’ Even verder wordt hij nog wat feller: ‘De Schrift lijkt niet echt te willen meewerken aan het oprekken van wat gemeenschap in het spoor van Jezus Christus is.’ Toch schrijft Heitink niet alleen over Johannes 20. Hij baseert zijn model op het hele evangelie, waarin het inderdaad telkens om persoonlijke, individuele ontmoetingen en gesprekken van Jezus met mensen gaat en waar een binnenkring van vertrouwelingen ontstaat, die – en dat lijkt mij Heitinks grond te zijn, gezonden worden om zich over mensen te ontfermen en hen te gidsen, hun missie is het volgens Jezus om ‘mijn schapen te hoeden, ‘mijn lammeren te weiden’. Heitink haalt Berkouwer aan, die schrijft hoe in dit evangelie, reeds vanaf de proloog, binnen de kring rond Jezus een plek van licht zichtbaar wordt, het licht der wereld dat langzaam doorbreekt en terrein verovert op de macht van de duisternis. Heitink spreekt over een trekkracht die God zelf op mensen uitoefent. Ook Heitink haalt overigens Bonhoeffer aan uit Sanctorum Communio die daarin onderscheid maakt tussen een Bekennergemeinde, een tweede cirkel die bepaald wordt door wie luisteren naar de Schrift en een derde cirkel voor wie gedoopt is, of men deze doop nu gestand wil doen of niet. Heitink schrijft wanneer het om toewijding gaat ook verrassend concreet over initiatie, met name over de catechese, maar inderdaad heeft hij ook oog voor de ruimte die ‘ieder mens nodig heeft om rond het midden te bewegen.’ Ook levensfasen en verschillen tussen mensen spelen een rol. Het vraagt om gedifferentieerd participatiebeleid, met een uitnodigend karakter. Heitink schrijft ook ‘dat betrokkenheid bij de gemeente niet vrijblijvend kan zijn, van ieder wordt gevraagd ook werkelijk mee te doen.’ Ik stel vast dat Stoppels aan Heitinks overwegingen geen recht doet.

Om zijn positie te bepalen zet Stoppels een aantal auteurs in het tweede rijtje die concrete en verplichtende hoge participatieverwachtingen en voorwaarden formuleren, welke horen bij het christen-zijn. Zij staan kritisch staan ten opzichte van maatschappelijke tendensen in de richting van individualisering, vrijheid, tijdelijke of incidentele binding en ruimte en zij pleiten voor contractsluiting, voor de vorming van en actieve participatie in middelgrote groepen, een centrale plaats van de kerk in het leven. Stoppels’ kritiek is hier vooral gericht op het gebrek aan contextualisering, het te weinig oog hebben voor het individu, maar hij stelt ook dat de vertegenwoordigers van deze posities geen rekening houden met de ambivalenties die met gemeenschapsvorming zijn gegeven.

Waardering

Wat ik waardeer is (1) de nadruk die er binnen elke kerkplek zou moeten zijn op de vraag en uitnodiging om in het hele leven leerling van Jezus Christus te willen zijn en ook, (2) dat Stoppels bij alle nadruk op concretisering, zelf niet tot een geprofileerde inhoudelijke en verbindende invulling van discipelschap wil komen. Hij wil iedere geloofsgemeenschap ertoe prikkelen het open gesprek hierover te voeren. Daarbij doet hij, door anderen aan te halen, wel suggesties: soberheid, vasten, het zoeken van stille tijd, maar het is aan geloofsgemeenschappen om met elkaar tot invullingen van leefregels te komen. Prachtig vind ik vooral (3) het besef dat een ideale gemeenschap niet alleen niet binnen ons bereik ligt, maar ook ongewenst is. Stoppels haalt, net als in Voor de verandering Dietrich Bonhoeffer aan, die stelde dat het een gevaar is voor de leiding van elke christelijke geloofsgemeenschap, welke vorm zij ook heeft en hoe positief haar bedoelingen ook zijn, dat zij de droom meer liefheeft dan de realiteit. Ik hoor daar Stoppels’ zelfkritiek in. Ik acht deze woorden echter niet alleen actueel, zoals Stoppels aangeeft, ‘voor degenen die intensief zoeken naar verandering en vernieuwing van kerkelijke gemeenschapsvorming’, maar vooral omdat achter het liefhebben van een droom een visie op de kerk schuilgaat die haar beschouwt vanuit de deficiëntie. De reëel bestaande gemeente schiet dan structureel te kort. Er wordt bij voortduring appellerende taal gebruikt en de aanklacht wordt niet geschuwd. In deze lijn klinkt ook Stoppels waarschuwing dat de kerk een ecclesia permixta is, kaf en koren groeien samen op. Daarmee geeft Stoppels ervan blijk zowel weet te hebben van de donatistische verzoeking dat wij bepalen wie toegewijd gelovige is en wie niet alsook dat er een dubbelheid is in elke gelovige: ‘We staan altijd weer ambivalent tegenover het evangelie van Jezus Christus. We omarmen het én we verwerpen het.’ En ergens anders: ‘We kennen onze bestemming maar gaan er raadselachtig tegenin.’ Veelzeggend vind ik ook dat het uitnodigen tot toewijding, om zo te zeggen, een performatief effect heeft. Juist door een verwachting uit te spreken neem je mensen serieus en ontdekken ze ook wat toewijding hen en anderen brengt. Een gemakkelijk in praktijk te brengen advies is ook om scharniermomenten als huwelijk of doop mede te zien als ‘leermomenten’, waarbij ervaringsdeskundigen als andere doopouders of andere jonge stellen kunnen worden betrokken.

Theologische kanttekeningen

“De Schrift lijkt niet echt te willen meewerken aan het oprekken van wat gemeenschap in het spoor van Jezus Christus is.” Stoppels zet de Schrift in tegen de eerste hoofdrichting (contra de vrijblijvendheid) en hij zet de huidige maatschappelijke context in tegen de tweede hoofdrichting (de anti-these). De eerste kanttekening die ik wil maken is dat de bijbels-theologische fundering van de visie van het eerste rijtje theologen ook ligt in de onderkenning dat een mens vrij is, vrij om antwoord te geven, vrij om de relatie met God te verbreken, om de stem van God de rug toe te keren en dat er toch telkens een uitnodiging geldt, een roepstem om gehoor te geven, om te naderen, toe te vertrouwen en toe te wijden. Het gaat om de werking van de Geest en deze is relationeel, intiem, persoonlijk, bevindelijk. De Heilige Geest zit er achter. Van Ruler schrijft: “De Heilige Geest moet mensen brengen tot God, dat duurt soms lang, soms gebeurt het helemaal niet. De christengetuige moet daar eerbied voor houden. Dat is een moment in zijn liefde. Hij jaagt de mensen niet onbarmhartig op een hoop naar God toe, maar weet dat er raadselen en geheimenissen zijn.” Een gelovige ervaart zijn eigen geloof dan ook niet als een keuze, maar als gehoor geven aan een roeping. Een gelovige is iemand die ‘niet helemaal los’ kan komen van het evangelie, wanneer dat hem of haar met liefde is verteld. Wanneer het dus gaat om geloofservaringen, dan zijn sommigen daardoor intenser betrokken geraakt dan anderen. Deze ervaringen hebben de ene mens sterker in zijn gedrag bepaald dan de andere mens. Er zijn crises mogelijk waarin mensen hun geloof of hun geloofsbravoure verliezen. Ze zijn vrij, ze vallen terug in oude patronen en het kan ook eenvoudigweg ‘wegebben’. Miskotte schreef in al in 1948, ver voor het later tot ontwikkeling komende onderzoek naar kerkverlating, dat de ontkerkelijking is begonnen ´in de harten van de honderden die er bij waren, zonder er bij (curs. Miskotte) te zijn’.[1] Hij neemt in de naoorlogse tijd een toenemende vervreemding ten opzichte van kerk en geloof waar en stelt kritisch dat deze ontstaat wanneer mensen ondervinden dat er niets in de kerk wordt verteld of gedaan ‘dat van onvervangbare waarde is.’ Mensen haken innerlijk af als ze denken: dit weet ik al lang, ik verveel mij hier, ik verwonder mij niet, het is niet nieuw voor mij.[2] In zijn visie is kerkverlating het sluitstuk van een soms al geruime tijd eerder begonnen innerlijk proces. Betrokkenheid kan in het persoonlijk leven sterk fluctueren en in de Schrift zien we al deze reacties op Gods stem, Gods gebod en belofte, terug.

De tweede kanttekening, in de lijn van de voorgaande, is dat er een groot verschil is tussen verwachtingen, verplichtingen, ‘claims’ of leefregels die een geloofsgemeenschap formuleert, hoezeer ook in een gezamenlijk proces, en het verlangen of de uitnodiging om je in een geloofspraktijk te begeven anderzijds. Het is het verschil tussen het veldje tussen de flats waarbij een bordje hangt wat er van je wordt verwacht of het meespelen van het spel waardoor je de schoonheid, de extase of de verwondering die het spel jou en anderen biedt gaat ontdekken. “Treedt nader want de grond waarop je staat is heilige grond”. Ik deel de waarneming van Gerrit Immink, dat het je begeven in de performance, het in gedachten en gevoelens mee gaan doen in de taal en de handelingen van bijvoorbeeld een kerkdienst, preek, lied of gebed, of in een andere geloofspraktijk, nieuw geloof kan wekken, opnieuw geloof kan wekken, geloof doet onderhouden en nieuwe hoop en ondervinding van liefde kan geven. Ik herinner mij van mijn deelname aan de vieringen in Taizé, dat het van groot belang was om niet aan de rand van de vijfduizend jongeren te gaan zitten, maar dat ik op tijd moest zijn, in de buurt van het middenpad waar de broeders hun knielbank hebben. Ik moest inderdaad beschroomd een drempel over, alleen al psychologisch, om mij te kunnen begeven naar de centrale as in het kerkgebouw. Zo kon ik zicht krijgen op het licht, op de kleuren, om mij heen horen meezingen, om mij heen de overgave zien. Ik moest mijn ogen sluiten, mijzelf in een orante houding brengen, stil worden van binnen en mij openen voor de uitnodigende stem van God in de stilte, de lezingen, de gebeden en de liederen. Nader, treedt binnen, vertrouw je toe. Hier gaat het om je ziel. Wie verder komt dan het ‘deinzen’ (Willem-Jan Otten) merkt dat het nodig is om een wending te maken, een toenadering, een bewuste oriëntatie, een zich aandachtig openstellen en ontvangen. Het is de ervaring op een onherleidbare, absolute wijze, door God te worden aangesproken. Je ontvangt daarbij niet alleen troost, genade of geborgenheid, maar je kunt je ook in beweging gezet weten. Met hem heb ik iets goed te maken. Haar zou ik op moeten zoeken. Met dat gedrag zou ik op moeten houden. Om deze reden, vanwege het geloofschenkende, performatieve karakter van geloofspraktijken, mogen geloofsgemeenschappen, hoge participatieverwachtingen hebben van wie tot deze geloofsgemeenschap wil behoren. Le Bras heeft gelijk, mensen geloven uiteindelijk niet meer als ze niet meer naar een kerkplek gaan. Er geldt een dringende uitnodiging om een drempel over te gaan. Ik herken mij dan ook niet in het oordeel, dat ook ik de hoge drempel waarover ik spreek niet concreet zou maken. Hoofdstuk 5 uit mijn boek Een huis voor de ziel laat zich lezen als één grote uitnodiging om een drempel over te gaan. Ik schrijf daar: “Met het oude woord ‘oefening’, als in godsdienstoefening, komen we bij de kern van wat mensen in een kerkplek mogen verwachten. Een kerkplek onderscheidt zich van andere sociale verbanden en van de samenkomsten in die verbanden, wanneer zij zich concentreert op de ene relatie die haar fundeert én oriënteert. Deze concentratie op de Ander, de Geliefde, vraagt om oefening, om ‘naar binnen gaan’. Het uit zich in het gemeenschappelijke luisteren naar de Schrift, in aanbidding en vraaggebed, in uitingen van dankbaarheid, in het telkens opnieuw uitspreken van de belijdenis, in dans, muziek, verbeelding en in het samenzijn bij de bruidsmaaltijd, waarin Christus gezien wordt als de bruidegom. In de maaltijd komt de lyriek tot een hoogtepunt.”

De derde kanttekening heeft betrekking op de manier waarop het Koninkrijk van God ter sprake komt. Zoekt het Koninkrijk van God, dat is inderdaad de inhoud van de navolging. Het betekent echter vooral uit de hoop op dat Rijk leven, leven uit deze belofte, bij alles wat mensen overkomt. Het is nieuwe moed geven in het leven van mensen zonder hoop. Christelijke hoop is gegrond in Gods trouw, in wie God is. Met Miskotte: ‘Dáárin onderscheiden wij ons van de wereld, dat wij Hem, die zich van de wereld onderscheidt, weten te onderkennen.’ Het is de hartstocht voor wat bij God mogelijk is en christenen belichamen deze hoop. Christenen worden gedreven door ‘een hartstocht voor het mogelijke’. Hier kán meer dan er lijkt te kunnen. Hier kán het anders gaan, dan het nog toe steeds is gegaan. Hier kán iets nieuws beginnen. Vanwege haar eschatologische verwachting kent de kerk ook een zekere onbezorgdheid. Dat kom ik in Oefenruimte niet tegen. Integendeel, de navolging en de oriëntatie op het Koninkrijk Gods worden hier vooral verbonden met christelijke levensstijl , moraal en verwachting van actieve participatie en daarmee komen we mogelijk terecht in een sfeer van elkaar de maat nemen en, bij alle onderkenning van het existentieel leerling zijn, mogelijk bij een door moraal maskeren van schijnheiligheid. Deze risico’s zijn Stoppels bekend, maar worden mij te weinig expliciet onderkend.

 

Ook de vierde en laatste kanttekening is theologisch van aard. Het gaat opnieuw om de vraag naar de verhouding van de discipelen of apostelen enerzijds en degenen die zij weiden of hoeden anderzijds en vooral, om de vraag naar wat nu uiteindelijk kerk is. Berkhof schrijft in Christelijk geloof dat de aardse Jezus zich in de evangeliën nog met opzet niet tot de volkeren heeft gewend. Het enige is dat hij in Israël enkele mensen heeft geroepen hem na te volgen, en dat betekende dat een kleine groep met hem meeging om getuige te zijn van de weg die hij ging, terwijl ze vervolgens in geen velden of wegen te bekennen waren. Niemand hield het vol. Pas door de Geest, na de opstanding ontstaat de kerk. Bonhoeffer versterkt ditzelfde punt. Hij ziet de verhalen over de kring van de discipelen als een ‘schets van de innerlijke dialectiek’  van de kerk. De kring van de discipelen is echter, stelt hij met de nodige nadruk, zelf geen kerk. God zelf creëerde de werkelijkheid van de kerk, de eerstelingen van een in Christus verzoende nieuwe mensheid. Het kiezen voor Jezus constitueert geen kerk, dat is slechts een religieuze gemeenschap, het is de presentie van Christus die de kerk constitueert. Hij is de hoeksteen, het fundament, degene die de shattered fellowship van de leerlingen herstelt door in hun midden te verschijnen. Bonhoeffer zegt het allemaal in één adem. Bonhoeffer formuleert het verschil met het Koninkrijk van God zo dat het Koninkrijk een eschatologisch concept is, dat vanuit Gods perspectief telkens oplicht in de kerk, maar dat voor de mensen het voorwerp is van de hoop, terwijl de kerk een voorwerp is van geloof. Het is een Godswonder dat deze creatio Dei bestaat. Zij belichaamt Christus. De kerk is een krachtveld, lichtkring of gemeenschap rond de levende Heer, waarin werkingen, vruchten en gaven die met dat krachtveld gegeven zijn ter beschikking komen.

Hoe dubieus de empirische waarneembare vormgeving ook is, zij is kerk dankzij de presentie van de levende Heer. We zien onze zonden en geloven in onze heiligheid, schrijft Bonhoeffer. De gemeenschap met God wordt continu verbroken én vernieuwd. De peccatorum communio leeft in de sanctorum communio. Het luistert hier nauw. Wie de kerk fundeert in de imperatief, dat wil zeggen in de oproep tot navolging, draait de verhouding tot de indicatief, het leven in de toegerekende heiligheid, om. Het is waar, Christus laat ons niet in wie wij zijn, Christus vormt ons om, maar de met God herstelde gemeenschap, de verzoening, de toegerekende gerechtigheid en het wonder van het geloof en het in de kerk opgenomen zijn, gaan aan ons leerling zijn vooraf. Tegelijk, er is geen twijfel over mogelijk, aldus opnieuw Bonhoeffer, dat degenen die om allerlei redenen ver van de gemeente leven ook kunnen toebehoren aan de sanctorum communio. Er zijn de vragende individualisten, die zelf de Bijbel lezen, maar ook deze mensen hebben hun geloof in het contact met anderen, door de verkondiging van het Woord en daarin door de Geest ontvangen. Aan de andere kant, Bonhoeffer waarschuwt ook voor een ‘ kerk in de kerk’, dat hij een uiterst riskant concept noemt. Er is geen sanctorum communio in een pure vorm.

Ik sluit af. Dit spannende boek van Sake Stoppels bepaalt ons opnieuw en zeer fundamenteel bij de vraag wat de kerk is, zowel landelijk als lokaal, waartoe zij bestaat, wat haar oorsprong is en waartoe zij mensen uitnodigt. Dit boek brengt mensen tot elkaar in een intensief gesprek over christen-zijn in deze cultuur, over datgene wat een christelijke geloofsgemeenschap onderscheidend en uitdagend maakt, wat zij aan morele verhalen en gedragspatronen afwijst, waar zij drempels kent en wat het mensen allemaal wel niet oplevert om over deze drempels heen te gaan zodat zij de stem van Christus in hun leven vernemen, Zijn heilzame en bevrijdende nabijheid ervaren en naar Hem toegroeien.

Henk de Roest


Henk de Roest is als hoogleraar praktische theologie verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit. Van zijn hand verschenen bij Uitgeverij Meinema Een huis voor de ziel. Gedachten over de kerk voor binnen en buiten en En de wind steekt op. Een kleine ecclesiologie van de hoop. Ook schreef hij mee aan het handboek voor sluiting en herbestemming van kerken, Meer dan hout en steen.



[1] K. H. Miskotte, Om het levende Woord. Opstellen over de praktijk van de exegese. ’s-Gravenhage 1948,296.

[2] Miskotte, Om het levende Woord, 92.