Muziek & liturgie

Onberijmd maakt onbemind

Op 7 november vond in de Geertekerk te Utrecht het minisymposium over het kerklied plaats. Aanleiding om dit symposium te organiseren was de jubileumviering van Nico de Waal, directeur van Boekencentrum en toonaangevend uitgever op het gebied van het kerklied. Hij vierde dat hij dit jaar 25 jaar in dienst is bij Boekencentrum. Tijdens dit jubileum hielden André F. Troost, Pieter Endedijk, Roel A. Bosch en Sytze de Vries een lezing. U kunt deze lezingen op Theoblogie nalezen. Hieronder de lezing van Sytze de Vries, ‘Onberijmd maakt onbemind’.

***

Het volkslied
‘Hand in hand, kameraden’ ‘Ontwaakt verworpenen der aarde’. ‘Allons, enfants de la patrie’.
Elke beweging, moet zijn strijdlied hebben, en elk land zijn volkslied. En soms wordt het strijdlied van de revolutie zelfs verheven tot nationale hymne, zoals de Marseillaise overkwam. Doel is, dat zo veel mogelijk mensen kunnen meezingen, en liefst ook ‘uit het hoofd’, van buiten, of liever by heart (zoals de Engelse het – terecht – noemen.

Deze vorm van zingen, in strakke strofe-vorm, in de maat en op rijm, heet in de wandeling – en soms ook op de marsroute – het ‘volkslied’. Het geeft aan een grote groep de mogelijk om eenstemmig te worden, om een waarheid, of een ideaal of een doel te delen. Ieder heeft immers eenzelfde tekst op de lippen, en – is te hopen – ook in hoofd en hart. Het volkslied mobiliseert, brengt in beweging; het volkslied verbindt, sticht gemeenschap.

Volkslied als ‘strijdlied’
En het bijzondere is, dat het in wezen ook in de kerk als een soort strijdlied werd ontwikkeld! Even een paar onbekommerde grote, grove stappen: Als founding father van het volkslied in de christelijke eredienst wordt doorgaans algemeen naar kerkvader Ambrosius gewezen. Deze bisschop van Milaan ( 340-374) introduceerde, zo wil het verhaal,  deze vorm van samenzang in de liturgie, om de mensen te activeren, hen te mobiliseren tegen de ketterijen van zijn tegenstrever Arius. Zo konden ze zingend tegen die ‘wind van leer’ ingaan en zich het ware geloofsgoed toe-eigenen. Het volkslied als onderricht, catechese.

Een reuzenstap brengt ons bij de reformator Maarten Luther. Hij brengt de lofzang opnieuw van het altaar naar het schip van de kerk. Ook hij mobiliseert de gelovigen, door ze samen te laten zingen en benut daarvoor ook de vorm van het volkslied. Voor de inhoud ervan koos hij allereerst vaak de aloude vaste gezangen uit de liturgie: de mis (als priester was hij er immers dagelijks vertrouwelijk mee omgegaan!).

In zijn spoor kiest Johannes Calvijn voor dezelfde methode: de vorm van het volkslied gevuld met de inhoud van de Bijbelse psalmen. Met, ook toen al, een selectie van tekstdichters én componisten. Nog een grote sprong:
de volkstaalliturgie gemeengoed wordt in de Lage Landen, halverwege de vorige eeuw wordt de volkstaalliturgie gemeengoed in de rooms-katholieke parochies van de Lage Landen. Dan begint ene Huub Oosterhuis – die al gedichten schrijft – ook ‘versjes’ te schrijven. En al zijn vroege liederen passen op een paar bekende melodieën met de meest klassieke schema’s: zoals ‘Ik wil mij gaan vertroosten’, ‘Gelukkig is het land’ etc. Ook daar word het volkslied benut om mensen ( het volk, de gemeente) mondig te maken.

Ik zie een terugkerende factor in deze gebeurtenissen: steeds gaat het om het mobiliseren en activeren van het volk, de gemeente. En telkens ook heeft dit proces een onderwijzende, catechetische functie. De volkszang is het ( vooral calvinistisch) protestantisme altijd heilig gebleken, zo niet alleenzaligmakend  – met uitzondering misschien van het Ere zij God en het Amen na de zegen – tot en met dus het Liedboek 1973 toe. Koorzang is tot dan toe ‘ter opluistering’, koren hebben een eigen ‘repertoire’, maar mag niet ten koste gaan van de gemeentezang. Want die is en blijft heilig. Ja, zelfs een verdeling in mannen en vrouwen is sommigen al te veel: want dan – zegt men – ‘moeten wij onze mond houden’, én men ontdekt niet, dat luisteren naar een andere die zingt de tekst vaak veel dieper laat indruppelen dan wanneer ik zelf voortdurend actief in de weer bent met tekst én noten. Iedereen moet alles mee kunnen zingen!

Het nieuwe Liedboek heeft die eenkennigheid opzij gezet! Wat in de tweede helft van de vorige eeuw ‘De liturgische beweging’ heette, heeft oude bronnen weer ontstopt en fris, helder laten stromen. De koudwatervrees voor alles ‘wat rooms is’ is immers onterecht. Veel van de herontdekte vormen hebben namelijk Bijbelse rechten! En ze zijn in het hart van het Boek der Psalmen te vinden: zoals

1. het keervers/de antifoon
Het meest bekende keervers is wel te vinden in Psalm 136, het Groot-Hallel. Regel na regel wordt a.h.w. de lijst van de grote daden Gods ‘afgevinkt’ door een voorzanger, en keer op keer wordt daarmee ingestemd door allen:
Want zijn goedertierenheid
zal bestaan in eeuwigheid.
( Het is een klein vergrijp, dat die herhaling in de nieuwe psalmberijming is verdwenen)

2. de voorzanger/het koor/de gemeenschap
Het schoolvoorbeeld horen we bij de Schelfzee ( Exodus 15). Daar is Mozes de voorzanger, en zijn zuster Mirjam voert het vrouwenkoor aan, zij zet het refrein in dat allen steeds weer herhalen:
Want de Heer is hoog verheven,
het paard en zijn ruiter stortte hij in zee.
En ze dansen er ook nog bij…

3. het ‘responsoriaal’ zingen: ( als ‘woord en antwoord’, stem en tegenstem)
Het zogenaamde parallellisme duidt volgens velen op ‘tweekorigheid’:
Koor A zingt bv. ( Psalm 24)
De aarde is des Heren en haar volheid
Koor B. herhaalt dezelfde gedachte in andere woorden
de wereld en wie haar bewonen,
en gaat over en weer door:
Want hij heeft haar op de zeeën gegrondvest,
op de stromen heeft hij haar verankerd.

4. de acclamatie
De meest bekende is natuurlijk het ‘Amen’, vanouds Hebreeuws, een uitroep om instemming mee te betuigen: Zo is het! Zo zal het zijn! Zo langzamerhand alleen als slotakkoord na de zegen bekend geworden. Maar het woord klinkt heel de dienst door. Alleen vrijwel altijd in de mond van de voorganger. Zodat men weet: hij is klaar, met bidden of met preken. Waar een dominee zelf het woord ‘Amen’ in de mond neemt, doet hij dus niet meer of minder dan aan ‘zelfbevestiging’. Hij geeft zichzelf gelijk! Het moest verboden worden….
Het ‘Amen’ is het prerogatief van de gemeente. Zij stemt in met wat is gebeden, voorgezongen of verkondigd.
Maar ook het ‘Halleluja’ is een acclamatie, in de Psalmen vaak terug te vinden aan het begin of/en het einde van een psalm De tekst is dan vaak voorgezongen, door voorzanger en/of koor, maar het ‘Godlof!’ is dan ook een vorm van collectieve instemming en onderstreping.

5. de gezongen gebedsroep
Zoals ook geldt voor de gebedsoproepen als ‘Hosanna’, evenals ‘Kyrie eleison!’

6. het onberijmde lied ( de anthem)
De Nieuwe Bijbelvertaling laat ons weer zien hoeveel gedeelten van de Schift feitelijk poëzie zijn. Die zijn dan herkenbaar ‘kolometrisch’ afgedrukt. Het is aanwijsbaar ‘gezongen, gevierde Schrift’. Nu kunnen we ook Nieuwtestamentische hymen als poëzie zingen: de bekende lofzangen uit het Lukasevangelie uiteraard, maar ook
bv. de lofzang op Christus uit de Kolossenzenbrief, en de Christushymne uit Filippenzen 2.

In feite kun je het project ‘Psalmen voor nu’ ook scharen onder het onberijmde lied, waarbij de originele tekst, en ook een rolverdeling weer meer aandacht krijgen, dan het strofische lied kan geven.

Rooms?
Waarom noemen mensen dergelijke liturgisch elementen toch vaak nog ‘rooms’? Veel van deze elementen zijn – nogal eens vanuit de synagoge – terecht gekomen in de vroegste vormen van christelijke eredienst. Vandaar uit hebben ze zich verder ontwikkeld, en hun sporen zijn gaandeweg de geschiedenis steeds duidelijker te traceren.
Ze behoren tot het gezamenlijk liturgisch erfgoed van onze ongedeelde kerk. Veel vormen zijn eerder ‘bijbels’ dan ‘rooms’. Het is eerder het radicale vlakgum van ( vooral de calvinistische) Reformatie dat schuldig is aan de ‘Ausradierung’. Om ooit te begrijpen redenen – ik heb ze genoemd.

Onberijmd
Het Nieuwe Liedboek heeft veel van deze vormen weer in ere hersteld. Ongetwijfeld onder invloed van de zogenaamde ‘Liturgische Beweging’, die de tweede helft van de vorige eeuw heeft gekleurd. Ook voor mij was de inhoud van het Nieuwe Liedboek dit voorjaar een verrassing. Omdat ik verre was gebleven van de samenstelling, mocht ik met dankbaarheid en verrast constateren dat ook veel van de onberijmde liturgische vormen, zoals die in de loop der jaren in onze Amsterdamse Oude Kerk ontstonden in de samenwerking met de onvergetelijke Willem Vogel, in dit boek hun plaats hebben gekregen.

De komst van het vorige Liedboek in 1973 – ik maakte het als piepjong domineetje allemaal heel bewust en gretig mee – zorgde voor een opleving van de kerkzang. Het kerkkoor met zijn eigen ‘optreden’ maakte vaak plaats voor het uit de Duitse traditie overgekomen verschijnsel van de cantorij, die de zingende voorhoede van heel de gemeente ging vormen, en zich daarbij dienstbaar moest houden aan ‘de orde van de dag’ .

Als ik mij niet vergis, kan ik ook nu toch weer een – zij het bescheidener – intensivering van én belangstelling voor het kerklied, voor de gemeentezang constateren. ook al zijn er ook gemeenten die daarbij nog altijd zeer selectief te werk gaan en zich blijven beperken tot het strofische lied. Als wekelijks voorganger op velerlei plaatsen kan ik dat redelijk vaststellen.

Wens
We zijn hier op een feestje van de uitgeverij. De BV, die zich ook bemoeit met de tewaterlating en de behouden vaart van dit boek. Met Nico de Waal op de brug. Hopelijk géén non-singing captain …. Mooi dat in het woord jubilaris het gejubel, gejuich nog meeklinkt! Ik wens hem een juichende voortzetting van het gaande houden van de lofzang.

De discussies over het gebruik van een beamer, over de hegemonie, zo niet alleenheerschappij van het orgel, over de professionaliteit van de kerkmusici, over gezongen liturgie, over de rol van een jeugdband, over de vleugel/piano én andere instrumenten, over het gebruik in juist huiselijke kring, over de rol van een voorzanger, alle zijn en worden ze opgeroepen door dit nieuwe Boek. Ik hoop dat de BV zich ook blijft bemoeien met de opvoeding, de ontplooiing en volwassenwording van wat zij heeft verwekt. En daarbij ook de middelen en het instructie-materiaal wil aanreiken – in woord, in klank en geschrifte, gedrukt, geperst of ‘af te laaien’ zoals de Zuid-Afrikaans zo mooi zegt – om de koudwatervrees én het anti-roomse sentiment weg te nemen tegen de vormen die toch zulke oude rechten hebben.

Sytze de Vries


Sytze de Vries (1945) was jaren voorganger. De wekelijkse praktijk van de eredienst maakte hem ook tot schrijver en dichter. Veel van zijn teksten en liederen kregen inmiddels een plaats in de oecumenische Nederlandstalige liturgie. Sytze de Vries werkt als zelfstandige in De Vertaalslag, Werkplaats voor het Woord in taal, toon en teken. Daar legt hij zich verder toe op onder andere het schrijven, het geven van lezingen en cursussen en adviezen. Kijk voor een overzicht van zijn gaven op de website van Boekencentrum.