KerkPastoraatSpiritualiteit

Oefening baart kerk

Ik neem u mee naar het voetbalveld, een plek waar ik nog altijd graag kom. Voetbalcompetitie 1993/1994. Amstelveen 8. We hadden bene­den verwachting gepresteerd. Dat vroeg om een evaluatie. Na afloop van een nipt gewonnen wedstrijd hielden we, zittend op de grasmat, beraad. Aan het begin van het voet­balsei­zoen hadden we gedacht mee te kunnen draaien in de top van onze competitie, maar daar was het niet van geko­men. Veel meer dan een klasse­ring in de middenmoot zou er niet in zit­ten. Op zich was die klassering het probleem niet, de ontevre­denheid had vooral te maken met de instelling van een aantal spelers. Eentje was zowat het hele seizoen niet geweest vanwe­ge tenta­mens, een ander had regelmatig verstek laten gaan en wilde, als hij er wel was, vrijwel nooit op de plek spelen die hem was toegewe­zen. En zo waren er meer strub­belingen die het enthousiasme van de wel goedwil­lende spelers in de loop van het seizoen danig hadden gedrukt. Er moest wat gebeu­ren, vonden we met z’n allen, want zo kon het niet meer. En we kwamen tot ingrijpen­de stappen. Iedereen werd geacht te komen trainen. Op ons niveau, destijds de reserve vierde klasse Amster­damse Voetbalbond, zo ongeveer de diepste kelder van de KNVB, was trainen een uiterst zeldzame bezigheid. Spe­lers met een dubieu­ze instel­ling werden uit het team gezet. De man van de eindeloze tenta­mens, voor onze begrippen een uitstekende voetballer, hoefde niet meer te komen en met de onwillige speler zou een hartig woordje worden gespro­ken. Ons overleg deed de lucht aardig opklaren, we lieten de vrij­blijvendheid achter ons en konden met hernieuwd elan toeleven naar het nieuwe seizoen. En dat seizoen werd inderdaad een stuk leuker. Niet alleen omdat we beter gingen presteren, maar vooral omdat de onderlinge sfeer en verbondenheid er een stuk op vooruitgingen. We eindigden dat jaar toch nog ergens in de subtop… Een paar jaar later werden we zelfs kampioen. Onze fanclub was zeer bescheiden en ook niet erg royaal, want er is geen bloem te bekennen. Ergens bleven we miskende talenten.

Een speler licht ik er nog even uit, te weten, onze keeper, Bert. Hij was net als de rest van het team bepaald geen topper en greep regelmatig naast de bal, zoals wij dat allemaal wel deden. Maar hij is wel goed terechtgekomen en is nu directeur betaald voetbal van de KNVB. Bert van Oostveen is zijn naam, bij de voetballiefhebbers onder u is die naam mogelijk bekend. Destijds onze keeper, nu directeur betaald voetbal. Waarschijnlijk is hij dat ten diepste alleen maar geworden vanwege dat beraad op die mooie zaterdagmiddag in Amstelveen zo’n kleine 20 jaar geleden. Oefening blijkt heel wat te kunnen baren…

Een tweede ervaring. Nu niet vanaf het voetbalveld, maar vanuit de kerk. De wijkkerkenraad van onze PKN gemeente stelde in 2009 een werkgroep visie & missie in met de opdracht om de gemeente te helpen een koers naar de toekomst te bepalen. Een belangrijk element daarbinnen was het formuleren van een mission statement. De werkgroep – waar ik zelf deel van uitmaakte – kwam na consultatie van de gemeente (enquête en interviews) en na intensief onderling beraad met een voorstel dat aan de kerkenraad werd voorgelegd. In wisselwerking tussen werkgroep en kerkenraad groeide vervolgens een concept tekst die op een gemeenteavond in het najaar van 2010 aan de gemeente werd voorgelegd. De openingszin van die tekst luidde als volgt: ‘Wij zijn een open gemeenschap van leerlingen van Jezus Christus in Nootdorp.’ Het eerste gemeentelid dat reageerde, deed dat tamelijk vernietigend: ‘hebben jullie nu werkelijk anderhalf jaar nodig gehad om dit te verzinnen?’ Deze reactie is in zekere zin ook zeer begrijpelijk. Want uiteraard zijn we in de kerk leerlingen van Jezus Christus. Aan zo’n begin van een mission statement heb je eigenlijk dus ook niets, want het is een waarheid als een koe. Dat lijkt inderdaad zo totdat we vragen gaan stellen: wat leer je dan eigenlijk in de kerk? Wat is er met je gebeurd door al die jaren van kerkgang en meedoen in de gemeente of de parochie? Heb je in existentiële zin iets geleerd? Als we elkaar die vragen gaan stellen, zullen we gauw ontdekken dat een waarheid als een koe in de kerk eigenlijk niet bestaat. Ik wil dat duidelijk maken door een joods verhaal dat ik ook in mijn boek heb opgenomen.

Het gaat als volgt. Rabbi Levi Jitschak gaat tegen de zin van zijn schoonvader enige tijd studeren bij de chassidische rabbe Sjmelke van Nikolsburg. Als hij terugkomt, vraagt zijn schoonvader hem: “Nou, wat heb je bij hem geleerd?” U hoort de scepsis. Levi Jitschak antwoordt dan: “Ik heb geleerd dat er een Schepper van de wereld is.” De schoonvader roept direct een bediende bij zich en vraagt haar: “Is het jou bekend, dat er een Schepper van de wereld is?” “Maar natuurlijk”, antwoordt ze. Levi Jitschak roept dan, “dat zegt iedereen, natuurlijk is er een schepper van de wereld, dat hebben ze allemaal geleerd, maar hebben ze het ook gelernd?” Dat Duitse woord is eigenlijk niet te vertalen, maar het gaat dan om existentieel leren, leren tot in je botten zou je kunnen zeggen.

Een mooi verhaal dat ons ook dicht bij discipelschap brengt. Want discipelschap kent het woord ‘natuurlijk’ niet, er is bij discipelschap geen waarheid als een koe, want het gaat om lernen, om omgevormd worden door te weten dat er een Schepper van de wereld is, om omgevormd worden door een Mens die langs het water loopt en ook jou roept: ‘volg jij mij’. De waarheid lijkt hier niet op een koe, maar is een relatie, het is een toewijding aan de Mens bij uitstek.

In mijn boek heb ik discipelschap ook willen omschrijven om zo duidelijk te maken wat ik er onder versta. Ik lees het u voor:

Een leerling van Jezus Christus is een mens die in de kracht van de heilige Geest en in verbondenheid met (de) kring(en) van andere leerlingen over de volle breedte van zijn of haar leven het verlangen heeft te leren leven in Zijn spoor en zijn leven daadwerkelijk en duurzaam richt op het Rijk Gods zoals Jezus Christus dat belichaamde en verkondigde.

Een paar opmerkingen ter toelichting:

  • in de kracht van de heilige Geest: met opzet schrijf ik dit als eerste typering. De gave gaat vooraf aan de opgave, de roeping leeft van het geschenk. Dat voorkomt kramp en burn-out.
  • in verbondenheid met (de) kring(en) van andere leerlingen: we zullen in deze tijd niet meer in het enkelvoud over ‘de kring’ kunnen spreken. Daarvoor is de wereld van gelovigen te zeer opengebroken en verruimd. Juist het verkeren in verschillende kringen van leerlingen van Jezus Christus is leerzaam en verrijkend. De leerling is gebaat bij de veelkleurigheid van de volgelingen van Jezus Christus. Ik denk daarbij ook aan multicultureel discipelschap. Geloofsgemeenschap is wezenlijk voor het leerling-zijn. Theologisch gesproken is  de leerling-solist een contradictio in terminis.
  • verlangen: met dit begrip haal ik het concept discipelschap uit de sfeer van de activiteit en plaats ik het over in de sfeer van de attitude. Daarmee verleg ik ook het accent van kerkelijke participatie naar het deelhebben aan het leven en de missie van Jezus Christus. Leerling-zijn van Christus is in alle opzichten een relationeel gebeuren.
  • volle breedte en duurzaam: deze toevoegingen wijzen op het totaalkarakter van discipelschap. Leerling-zijn van Jezus Christus beperkt zich niet tot specifieke domeinen van het leven. Evenmin kent het grenzen in de tijd. Discipelschap is ergens een ‘gulzig’ concept.
  • daadwerkelijk: discipelschap leeft van verlangen, maar zal zich ook concreet uiten. Het gaat me hier niet om het vaststellen van een catalogus van deugden, inspanningen of leertrajecten, maar discipelschap zal wel concreet zichtbaar moeten worden in een mensenleven. Verlangen vraagt om concrete stappen.

De afgelopen dagen stonden de blog van Jos Douma, predikant binnen het verband van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, in het teken van mijn boek. Ik beschouw dat als een eer en ik ben ook heel blij met de inhoud. Ook met zijn kritiek. Op een van die kritiekpunten wil ik ook ingaan. In mijn boek sta ik stil bij het duo comfort en challenge. Dit duo is geïntroduceerd in de jaren zestig door de Amerikaanse sociologen Glock, Ringer en Babbie. Beide begrippen duiden op een specifieke werking van religie. De comfort is de troostende, bevestigende werking van de religie. Dat geldt niet enkel het individu, maar ook de bredere samenleving. Godsdiensten blijken stabiliteit en continuïteit te verschaffen, ze bieden zekerheid en houvast, zeker ook in moeilijke en instabiele tijden. Het gaat hier om de conserverende werking van religie. Daartegenover staat de challenge, de uitdagende, de utopische functie van religie. Ze roept op tot verandering, tot omkeer en vernieuwing van zowel individu als samenleving. Ik keer me in mijn boek tegen de eenzijdige aandacht voor de troostende, bevestigende kant van de christelijke traditie, zoals we die in onze tijd wel zien. Bij Jos Douma roept mijn denken op dit punt vragen op. Hij schrijft het volgende: “Zit dit boek over discipelschap niet teveel op het spoor van challenge en komt de comfort er niet te bekaaid vanaf? Mag de kerk ook nog een comfort-zone zijn? Paus Franciscus heeft de kerk onlangs het veldhospitaal genoemd. En dat landde. Want velen voelen zich gebroken. Velen kennen zichzelf vooral als twijfelaar. Velen ervaren dag in dag uit hun zwakheid. En dan kan de roep tot discipelschap toch nog genadeloos overkomen.”

Ik vind dit een belangrijke aarzeling en wil er ook serieus op ingaan, want Jos staat bepaald niet alleen in die vraag aan mij. Ik leg de lat gemakkelijk te hoog en dat kan er toe leiden dat er iets onbarmhartigs in discipelschap sluipt, iets vermoeiends ook. In aansluiting bij de nieuwe paus in Rome noem ik ook even de PKN paus, Arjen Plaisier, die in zijn recente boek Overvloed en overgave de kerk mede typeert als ziekenhuis. Dat is voor hem niet het hele verhaal, maar wel een wezenlijk deel van het hele verhaal over de kerk. De kerk als ziekenhuis, als veldhospitaal. En ik realiseer me heel goed dat ik dat deel misschien wel wat heb laten liggen. Dat laten liggen heeft te maken met mijn concentratie op de reductie van de kerk tot – oneerbiedig gezegd – servicebalie, waar je op momenten dat het leven scharniert een beroep op kunt doen. Denk aan de opkomst van bijvoorbeeld de formule ‘rent a priest’. In onze tijd worden we allemaal gestimuleerd in ons consument-zijn en heel gemakkelijk kan dit leiden tot consumentisme, ook rond zingeving en spiritualiteit. Daar keer ik me tegen in mijn boek, maar daarmee schiet ik misschien wel iets te ver door. Toch ben ik mede op dit spoor gekomen door een woord van Jezus dat de meesten van ons vermoedelijk zeer bekend is, namelijk dit woord: “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (anapauso); neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust (anapausis) vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht.” (Mt. 11:28,29)

Het is de enige plek in de evangeliën waarin Jezus direct oproept van Hem te leren. En dat is verrassend omdat je dat juist hier niet zou verwachten. De uitnodiging een leerproces aan te gaan is immers hier gericht aan vermoeide, belaste mensen. Aan hun adres zou je vooral de uitnodiging tot rust en ontspanning verwachten. Maar juist hier vinden we dus een directe oproep van Jezus om van hem te leren. In dit leerproces gaat het om rust voor de ziel. Het woord ‘pauze’ is terug te vinden in het Griekse woord dat hier wordt gebruikt (anapausis). Toen ik dit ontdekte, gaf het me ook beter zicht op het eigene van het leren van Jezus. Dat is niet iets waarvoor je heel sterk moet zijn en vol overtuiging, maar de uitnodiging om te leren is er ook als het helemaal niet goed gaat met je ziel, als je met je ziel onder je arm loopt of zelfs dat niet meer. Ik zal jullie zielen pauze bieden, zegt Jezus. Het is erg jammer dat de Nieuwe Bijbelvertaling besloten heeft het woord ‘ziel’ weg te vertalen. Als ze Henk de Roest’s boek Een huis voor de ziel hadden kunnen lezen, hadden ze dat vast niet gedaan, want juist het woord ziel drukt zo kernachtig uit dat we een levenskern hebben, een pit die we kunnen verspelen. “Ik ben bang dat mijn ziel dood is”, zei ooit een jonge man tegen een straatpastor, “en dat vind ik heel erg”.[1] Ook aan zijn adres is er die uitnodiging van Jezus om van hem te leren en dat haalt voor mij het begrip discipelschap uit een sfeer van de godsdienstige elite, van de enkele religieuze virtuoos en ook uit de sfeer van een genadeloos opgejaagd worden door een veeleisende en daarmee beklemmende opvatting van discipelschap. Maar kennelijk wordt die ruimte die ik wel degelijk zoek niet voldoende herkend, want Jos Douma is niet de enige die mij dit soort vragen stelt. Toen ik eerdere versies van dit boek voorlegde aan een groep predikanten, was er ondermeer de vraag of mijn boek niet vooral voor VPRO-kijkers bedoeld was en of RTL en SBS kijkers niet hopeloos werden overvraagd. Zo’n vraag is een helder signaal: leg ik de lat niet veel te hoog? Beoordeelt u het zelf als u het boek leest. Ik zeg vanmorgen alleen dit: ik ben onder de indruk van de radicaliteit van het leerling worden en het leerling zijn van Jezus Christus, ik ben onder de indruk van het alomvattende van de navolging van Christus én ik ben onder de indruk van hoe hij ons neemt zoals we zijn, met al onze beperkingen, zonden en gebreken. Ook als we bang zijn dat onze ziel dood is, is Hij de levende en levendmakende Heer en nodigt Hij ons uit zijn leerling te worden.

Ik wil ook iets zeggen over de titel, Oefenruimte. Voor mij is dat niet een geluidsdichte kamer waar je in je eentje heel hard kunt drummen, maar een open ruimte die tegelijk oefenruimte is. Ik ben blij met de omslag van het boek, met de ruimte die daar zichtbaar en voelbaar is. Het is letterlijk een luchtige kerk, waar de wind vrijelijk doorheen kan waaien. Zo’n kerk staat me ook voor ogen. Een kerk die een gastvrije ruimte biedt aan de passant en de zoeker, aan de toevallige bezoeker en aan de eenmalige deelnemer. Maar ook een kerk die nadrukkelijk oefenruimte is en die vraagt om keuzes te maken. Ik zoek een plek waar toewijding en gastvrijheid gelijk opgaan, waar ze niet in mindering komen op elkaar en waar te proeven is dat er wat op het spel staat.

Met opzet staat het woord discipelschap noch in de titel noch in de subtitel. Binnen de evangelische wereld wordt ‘discipelschap’ breed gebruikt, maar in de mainstream kerken komen we het veel minder tegen. Soms is er daar ook weerstand tegen het begrip. Het wordt dan geassocieerd met een eenzijdige invulling van het leerling-zijn van Jezus Christus. Soms vindt men het ook teveel ruiken naar evangelisch fanatisme en naar onverdraagzaamheid. Maar het zou meer dan jammer zijn als we met het badwater ook het kind weggooien. Ik kies voor discipelschap omdat ik meen dat dit begrip juist in de mainstream van het christendom vruchtbaar kan zijn. Binnen volkskerkelijke verbanden is – met een term van de onlangs overleden Amerikaanse filosoof Dallas Willard – ‘nondiscipleship’ bepaald niet uitzonderlijk. Voor Dallas raken we daarmee aan een hoofdprobleem binnen de kerken. Hij schrijft dat het al vijftien eeuwen lang een geaccepteerde zaak is dat je binnen de kerk zowel toegewijde leerlingen van Jezus Christus hebt als afnemers van kerkelijke dienstverlening.[2]

Ik meen dat Willard hier een belangrijk signaal afgeeft. We denken in de kerk vaak veel te institutioneel-kerkelijk en te weinig vanuit discipelschap. Mijn boek is een pleidooi om in alles consequent te denken vanuit discipelschap en discipelschapsontwikkeling. Ik weet heel goed dat dit niet het hele kerkelijke verhaal is – er is over de kerk nog veel meer te zeggen! – maar deze wat eenzijdige benadering is in mijn beleving juist in deze tijd vruchtbaar en nodig. Mike Breen en Steve Cockram zeggen het in hun boek over discipelschapsontwikkeling heel scherp: het is niet zo dat de kerk tot discipelschap leidt, maar omgekeerd: discipelschap leidt tot kerkvorming. Ik zou het niet zo scherp en polair willen formuleren, maar hun omkering geeft wel te denken en kan ons wakker schudden. De kerk als vrucht van discipelschap, je kunt in de kerk met mindere ideeën aankomen…

Ik ga afronden. De epiloog van mijn boek heb ik de titel ‘Niets nieuws’ meegegeven. Ik zeg dat nu pas, want anders was u misschien helemaal niet naar deze dag toegekomen en had u het boek ook niet aangeschaft. Want voor niets nieuws hoef je de deur niet uit. Verkooptechnisch gezien is het dus niet zo handig om te zeggen dat je niets nieuws te melden hebt, maar ergens is dat wel zo. Ik heb het vermoeden dat Boekencentrum als pastorale uitgever bereid is het boek van u terug te kopen als de epiloog voor u onverhoopt toch de deur dichtdoet. Wat ik echter hoop is dat dit boek een van de deuren is waardoor kerken en andere geloofsgemeenschappen meer en meer de oefenruimte betreden die Christus ons gunt. Want die oefenruimte is veelbelovend, in de eerste plaats voor de christelijke gemeente, maar zeker ook voor de bredere samenleving.

Dr. Sake Stoppels—
Sake Stoppels is universitair docent kerkopbouw en diaconiek aan de Vrije Universiteit. Hij was medeauteur van het boek Als een kerk (opnieuw) begint. Deze tekst sprak hij (deels) uit tijdens het symposium Oefening baart kerk.


[1] Geciteerd in Henk de Roest, Een huis voor de ziel. Gedachten over de kerk voor binnen en buiten, Zoetermeer 2010, p. 75

[2] “The division of professing Christians into those for whom it is a matter of whole-life devotion to God and those who maintain a consumer, or client, relationship to the church has now been an accepted reality for over fifteen hundred years.” Dallas Willard, The Divine Conspiracy. Rediscovering Our Hidden Life in God, San Francisco, p. 301

1 reactie

  1. 11 november 2013 om 21:32

    Mooi stuk! Ik mis een beetje de sacramentele dimensie, hopelijk niet in het boek maar wel in dit verhaal. Zou dat ook gave en opgave niet een beetje dichter bij elkaar kunnen brengen?