Tijdens de studiedag over het nieuwe boek van dr. A. van de Beek, Mijn Vader, uw Vader, hield Gijsbert van den Brink, auteur van het veelbesproken boek En de aarde bracht voort, een lezing waarin hij ingaat op de vraag of God bestaat. Deze titel van de lezing – God bestaat, en er zijn goede redenen om dat te geloven – is gekozen met het oog op hoofdstuk vier, Bestaat God? U kunt de tekst hieronder nalezen:

“God bestaat, en er zijn goede redenen om dat te geloven” is natuurlijk een wonderlijke titel voor een christelijk-theologisch verhaal. Een paper met deze strekking zou bij elk theologisch tijdschrift afgewezen moeten worden, omdat er niets nieuws in beweerd wordt maar uitsluitend datgene wat in de kerk altijd, overal en door iedereen al geloofd is. Het is net zoiets als wanneer een biologisch tijdschrift een artikel zou ontvangen met de titel “Planten bestaan, en er zijn goede redenen om dat te geloven”. Een artikel van die strekking zou door elke zichzelf respecterende redactie uiteraard onder hoongelach naar de prullenbak verwezen worden. In het licht van de studie van Van de Beek is mijn titel echter allerminst een open deur. Sterker nog, Van de Beek, die ons in het verleden regelmatig en wat mij betreft ook heilzaam terugriep tot het geloof van de kerk der eeuwen, lijkt haar zelfs te ontkennen. In elk geval wordt het eerste deel van de titel door hem geproblematiseerd, terwijl het tweede deel (het bestaan van goede redenen om in God te geloven) in een betoog van niet minder dan honderd bladzijden op tal van manieren bestreden wordt. Dus wat is hier aan de hand? Ik ga eerst kort in op het eerste, en daarna iets uitvoeriger op het tweede.

  1. Gods bestaan

De belijdenis van het bestaan van God wordt door Van de Beek zeer omzichtig benaderd. Het bestaan van God, zo zegt hij Tillich na, kan alleen maar bevestigd worden als we ons realiseren dat God geen entiteit is zoals andere entiteiten. “Als we daarmee [nl. met de zin ‘God bestaat’] bedoelen dat God bestaat zoals tafels en stoelen of vaders en moeders van vlees en bloed bestaan, dan moeten we zeggen dat God niet bestaat” (102). Dat zal waar zijn. Maar wat is hier nu precies het front? Wie heeft ooit gezegd dat God bestaat zoals tafels en stoelen bestaan? Van de Beek wijst erop (p. 104) dat collega J. Hoek hier het intrappen van een open deur in ziet, en dat is het inderdaad ook. Elke gelovige zal hier immers verschil zien? Toch maakt Van de Beek er een heel punt van. Terwijl niemand in een foutief godsbegrip een reden zal zien om het bestaan van God te ontkennen, zegt Van de Beek ronduit dat God in dat geval niet bestaat. Mij lijkt dat Hij dan niet op deze wijze bestaat. Daar komt bij dat het nog niet zo duidelijk is waarom God geen entiteit naast andere identiteiten is. Van de Beek heeft in hfdst. 3 al expliciet gemaakt wat we onder het woordje ‘God’ verstaan: het gaat om ‘een onafhankelijk wezen waarvan alle dingen afhangen en dat de zorg over alle overigen heeft’ (84). Als we vragen of God bestaat, vragen we dus of zó’n wezen bestaat. En zo’n wezen is zeker “een afzonderlijke entiteit naast andere identiteiten” – wat is er nu eigenlijk mis met zo’n vaststelling? Van de Beek verbindt het met een ander idee, namelijk “dat we God en mens dus kunnen optellen als partners” (102), maar dat woordje ‘dus’ komt uit de lucht vallen, want dit is iets heel anders.

Klassiek gesproken volgt de vraag hoe God bestaat (qualis Deus sit) op de vraag of Hij bestaat (an Deus sit). Immers, pas als we weten dat God bestaat, heeft het zin om door te vragen naar de precieze aard van zijn bestaanswijze (‘bestaan’ is nu eenmaal geen predicaat maar voorwaarde voor predicatie). Maar Van de Beek haalt deze twee vragen, die de kerk altijd zo zorgvuldig onderscheidde, door elkaar. De vraag of God bestaat wil hij blijkbaar pas beantwoorden als eerst duidelijk is hoe God bestaat. En als daarop niet het goede antwoord volgt, dan bestaat God blijkbaar niet. Op deze manier kan Van de Beek zich zelfs aansluiten bij Klaas Hendrikse, die dat laatste natuurlijk met kracht betoogd heeft. Mij lijkt dat hier de zaken onnodig door elkaar heen gehaald en daarmee schimmig gemaakt worden. Het eerste wat in een christelijke godsleer gezegd moet worden is: God bestaat, punt. Te midden van alle entiteiten die dit universum telt, is er ook een entiteit die wij aanduiden met het woord ‘God’. Het is eigenlijk bizar dat het tegenwoordig wel lijkt alsof je hiermee als christelijk theoloog iets raars of in elk geval iets heel bijzonders zegt. 

  1. Goede redenen voor het geloof in Gods bestaan

Over goede redenen voor het geloof in Gods bestaan hoor ik Van de Beek niet. Hij bespreekt zulke redenen in elk geval niet. Hooguit verwijst hij in pejoratieve zin naar auteurs die dat wel doen (zoals Tim Keller, 116). Wel spreekt hij veel over godsbewijzen. Het is alleen jammer dat hij nergens definieert wat een godsbewijs precies is. Impliciet hanteert hij een hele strikte definitie: iets kan alleen een godsbewijs zijn als het alle redelijk denkende mensen overtuigt van het bestaan van God (97). En tot dusver niet alle redelijk denkende mensen overtuigd zijn geraakt van het bestaan van God, is het duidelijk dat godsbewijzen niet werken. Je hoeft ze dus eigenlijk niet eens te bestuderen (wat Van de Beek dan ook nauwelijks doet), het staat in feite bij voorbaat al vast dat ze ondeugdelijk zijn.

Maar dat lijkt me te simpel. Bewijzen hebben een bepaalde structuur. Ze bestaan uit twee of meer premissen, waaruit zich langs logisch geldige weg een conclusie laat afleiden. Of een bewijs overtuigend is, hangt er dus niet alleen van af of die afleiding geldig is, maar ook of de premissen overtuigend zijn. En dat is persoonsrelatief. Dat wil zeggen: de één zal bepaalde premissen wel overtuigend vinden, en de ander niet. In die zin zijn godsbewijzen zelf dus per definitie ook persoonsrelatief. Of ze werken of niet, hangt ervan af voor wie ze bedoeld zijn c.q. wie er kennis van neemt. Maar dát ze persoonsrelatief zijn, betekent helemaal niet dat ze waardeloos zijn. Afhankelijk van waar iemand zich precies bevindt in zijn denken, bijvoorbeeld over het ontstaan van de kosmos, of over de orde in de wereld, of over de doelgerichtheid in de evolutie, kunnen ze wel degelijk tot inzicht brengen. Ze kunnen om zo te zeggen maken dat het kwartje valt. Dat is werkelijk niet zo’n rationalistisch gebeuren als Van de Beek doet voorkomen. Vandaag spreken we daarom ook eerder over godsargumenten dan over godsbewijzen. Bewijzen werken, strikt genomen, alleen in de wiskunde. Maar argumenten zijn goede redenen, en die zijn op tal van terreinen van belang, ook op dat van geloof en theologie.

Het is in dit verband opvallend dat Van de Beek de wereld in twee groepen lijkt in te delen: enerzijds overtuigde atheïsten van het type Dawkins, anderzijds even overtuigde gelovigen. In zo’n wereld werken godsargumenten inderdaad niet – ze overtuigen, zoals Van de Beek met een zekere graagte (want verschillende keren) zegt, dan alleen degenen die al overtuigd zijn. Maar zo eenvoudig zit de wereld niet in elkaar. Charles Taylor heeft aannemelijk gemaakt dat de overgrote meerderheid van de westerse mensen zich ergens tussen die twee polen in voelt zitten. Gelovigen kunnen zich vandaag goed voorstellen wat het is om niet-gelovig te zijn, en niet-gelovigen wat het is om gelovig te zijn. In zo’n situatie zijn argumenten (of zo je wilt: goede redenen) wel degelijk van belang. Als ik met seculiere VU-collega’s van andere faculteiten over mijn vak praat, geven ze soms uit eigen beweging al aan waarom ze niet gelovig zijn. En vaak hoor ik dan het oude motto van Bertrand Russell terugkomen: not enough evidence sir! Naar mijn overtuiging is het prima om in zo’n situatie van Christus te getuigen en te hopen dat dat landt, maar ik zou liever (of in elk geval óók) rechtstreeks willen reageren op het punt dat ze maken. Doe ik dat niet door zulke evidence aan te dragen, dan zal ik toch minstens moeten uitleggen waarom dat in dit geval niet nodig is.

Iemand die dat laatste m.i. op voortreffelijke wijze gedaan heeft, is de Amerikaanse filosoof Alvin Plantinga. Plantinga’s gedachtegoed wordt door Van de Beek echter zeer ontoereikend weergegeven (116-118), wat eigenlijk alleen maar met een wat oppervlakkige lezing te maken kan hebben. Van de Beek probeert Plantinga in de schoenen te schuiven dat ook deze in zijn boeken het geloof met allerlei godsbewijzen probeert te staven (117). Dat is echter precies wat Plantinga niet doet. Hij laat juist zien dat het om te geloven op een manier die epistemologisch in de haak is helemaal niet nodig is om te kunnen wijzen op evidence (= bewijsmateriaal) voor het geloof, dus om er godsbewijzen op na te houden. Niet dat er geen belangrijke argumenten voor het bestaan van God zijn (die zijn er meer dan een dozijn volgens Plantinga), maar ze zijn voor de aanvaardbaarheid van het geloof niet nodig. Van de Beek had in Plantinga dus juist een bondgenoot kunnen vinden. Volgens Plantinga was bijv. zijn oma, die weinig opleiding genoten had, ook gerechtvaardigd in haar christelijk geloof in God. Dat komt doordat Plantinga (met vele anderen) een zogeheten externalistische kennistheorie verdedigt, waarbij het mogelijk is om over kennis te beschikken zonder dat je kunt vertellen hoe die precies tot stand gekomen is (bepalend daarvoor is of onze kennisproducerende vermogens naar behoren functioneren). Plantinga en de zijnen geven allerlei voorbeelden van zulke doorgaans betrouwbare ‘beliefs’ die niet evidence-based zijn. Aan de hand van Plantinga zou ik dus prima het gesprek aan kunnen gaan met collega’s die menen dat alleen evidence-based science tot kennis kan leiden.

Zal dat hen dan overtuigen, in de zin van gelovig maken? Vermoedelijk niet. Maar ik zou bijna zeggen: dat hoeft ook niet. Veel belangrijker is dat ze inzien dat het helemaal niet onredelijk is om in God te geloven. Want als het besef dat geloven niet onredelijk is de cultuur doortrekt, wordt het bijvoorbeeld voor christelijke jongeren die hun weg zoeken in deze wereld gemakkelijker om het geloof dat ze in hun kerkelijke gemeente meekregen serieus te blijven nemen. Zij behoren veelal tot die categorie mensen die zich, misschien wel sterker dan anderen, tussen geloof en ongeloof in voelen staan. Als het geloof in hun ogen dan iets voor de dommen is, maakt het om zo te zeggen bij voorbaat geen kans. Dat jongeren in de VS nog altijd vele malen vaker gelovig blijven dan in West-Europa, zou wel eens niet los kunnen staan van het feit dat de goede redenen om te geloven (zoals uitgewerkt door mensen als Keller, Lewis, en dan toch ook Plantinga) daar veel meer in tel zijn dan hier. Trouwens, ook in Duitsland is de situatie beter dan bij ons, vermoedelijk mede dankzij boeken als dat van Hans Küng over het godsbestaan, dat door Van de Beek wat uitvoeriger besproken maar ook te licht bevonden wordt (124-129). Ook in Nederland zijn collega’s op een voortreffelijke manier met  argumenten voor het bestaan van God in de weer. Ik denk aan Emmanuel Rutten en Jeroen de Ridder met hun boekje En dus bestaat God en Stefan Paas en Rik Peels met hun God bewijzen. Je zou verwachten dat Van de Beek zich in hoofdstuk 4 uitvoerig tot hen verhoudt, maar het tegendeel is het geval: hij noemt hun werk niet eens. In plaats daarvan verlaat hij zich op sterk verouderde uitgaves waar niemand sinds jaren meer iets van gehoord heeft (o.a. een boek van ene James Collins uit 1978 en een cahier van J.L. Springer uit 1969).

Wat is hier aan de hand? Is de hele discussie die over deze boeken gevoerd is in ons land aan Van de Beek ontgaan? Of vindt hij het niet sjiek om VU-collega’s af te vallen? Het is in elk geval jammer dat hij zich niet veel grondiger in deze materie verdiept heeft. Nu is hij met grote slagen snel thuis. Regelmatig moest ik bij het lezen van dit hoofdstuk denken aan het zgn. wach-een-beetie-bossie, dat Van de Beek wel kent vanuit Zuid Afrika. Ga nu eens nu niet zo snel, dacht ik dan. Ga er in elk geval niet ómheen, maar er doorheen – want de enige manier om godsbewijzen overtuigend af te wijzen is te laten zien dat ze in alle omstandigheden onjuist zijn. Of zoals Plantinga stelt: de enige manier om aan te tonen dat het christelijk geloof onredelijk is, is door aan te tonen dat het onjuist is; en precies dat is een hele klus! Hoe dan ook, misschien had Van de Beek er goed aan gedaan nog iets langer te luisteren naar auteurs met wie hij het oneens meende te zijn.

Wonderlijk gaat het er ook aan toe op het moment dat Van de Beek de machtskaart gaat spelen. ‘Het laatste en meest fundamentele bezwaar tegen godsbewijzen is het risico dat de mens daardoor God in zijn macht wil hebben’, schrijft hij (119). Die macht wordt vervolgens geclaimd door de kerk. ‘Men wil … heersen’ (…) Het geloof is een bezit dat de leiding van de kerk in beheer heeft op alle niveaus, ook op het niveau van de rede en de wetenschap’ (idem). Kijk – de kérk heeft het weer gedaan! Dat dachten we natuurlijk altijd al, dat die niet deugde. Van de Beek krijgt hier de handen vermoedelijk snel op elkaar. Maar het is retoriek, en wel van een soort die men juist bij hem met zijn evidente liefde voor de kerk niet zou verwachten. Want de machtsfactor is om zo te zeggen altijd bij ons; de herrschaftsfreie Kommunikation van Habermas is een farce gebleken. En de machtsfactor is zéker bij ons waar we ons uitsluitend op bijzondere openbaring beroepen: ‘zó is het, want zo heb ik het ervaren, klaar’. Daar valt dan immers helemaal niet meer over te praten. Als je het niet begrijpt, zo suggereert Van de Beek zelfs, ben je vermoedelijk niet uitverkoren (119). Over de argumenten voor het bestaan van God valt in elk geval nog te praten, en goede redenen zijn goed los van de vraag wie ze naar voren brengt en hoe machtig die persoon of instantie is. Juist door zich in te laten met argumenten voor (en dan natuurlijk ook tegen) het bestaan van God, stelt de kerk zich dus kwetsbaar op.

  1. Twee Van de Beken?

Ik sluit af, en doe dat door tentatief twee Van de Beken te onderscheiden. Er is zoals ik boven aangaf de Van de Beek die ons terugroept naar het geloof van de catholica – laten we zeggen Van de Beek 1. Deze Van de Beek schreef bijvoorbeeld onlangs nog in een column in het Nederlands Dagblad dat je als christen naar de kerk behoort te gaan ook al spreekt de voorganger je niet aan, en probeert ons al jarenlang  te doordringen van het belang van de eucharistie. Van de Beek 1 waardeer ik zeer, ik heb door de jaren heen veel van hem geleerd en doe dat nog steeds.

Er lijkt echter ook een Van de Beek 2 te zijn. Dat is de denker die vanuit zijn private christomonistische theologie op vrijwel alles en iedereen kritiek heeft (in dit boek ook op iemand die nota bene zo dicht bij hem staat als Barth) en dat blijkbaar ook ten koste kan laten gaan van de eenheid van de kerk. Want als er iets is waarover de kerk het altijd eens is geweest, dan is het wel het geloof – hoe aangevochten dat ook kan zijn – dat God bestaat en dat het redelijk is om in Hem te geloven. Dat is werkelijk maar geen buitenissigheid van neocalvinisten en rooms-katholieke scholastici, zoals Van de Beek het wil doen voorkomen (119). Afgezien misschien van Luther is het veeleer communis opinio in de catholica. Het is precies zoals Van de Beek zelf schijft: “Alle vroeg-kerkelijke apologieën (…) willen aantonen dat het christelijk geloof de meest redelijke godsdienst is” (114-115). Inderdaad. Het geldt zoals Van de Beek weet zelfs van Tertullianus, van wie altijd weer alleen maar die ene losse (en als zodanig misverstand wekkende) uitspraak geciteerd wordt: ‘ik geloof omdat het absurd is’. Je zou dus verwachten dat Van de Beek gezien zijn grote voorliefde voor de patres zich bij deze apologeten aansluit. Maar juist de patres figureren opvallend weinig in dit hoofdstuk. Nu kunnen we hun apologieën vandaag ook niet zomaar herhalen. Maar hun project kan wel voortgezet worden binnen de denkkaders waarin we ons vandaag bewegen, denkkaders waarin we te maken hebben met multiversa en de finetuning of the universe en noem maar op – en dat is zeer de moeite waard (vgl. hoe oud-premier Van Agt blijkens een recent interview in zijn geloof op de been gehouden wordt door de overtuiging dat er gegeven ons fascinerende universum wel een Schepper moet zijn; we zouden Van Agt daarin kunnen steunen in plaats van hem afvallen…).

Wanneer ik Van de Beek daar tot slot toe uitnodig, verbeeld ik me niet dat hij daar positief op zal reageren. Zijn replieken op reacties op zijn werk staan erom bekend dat ze een herhaling van zetten vormen. Vermoedelijk zal Van de Beek zo dadelijk dus nog even gaan samenvatten wat hij in zijn boek geschreven heeft. Maar je weet maar nooit – misschien laat hij zich toch uitdagen om andere gezichtspunten dan welke hij ontvouwd heeft in zijn denken te verdisconteren. Hij moet dat ongetwijfeld kunnen, en daarmee zou zijn werk wat mij betreft alleen nog maar aan zeggingskracht winnen. Gaat het daar nog van komen? Op p.129 stelt  Van de Beek dat bij een wedstrijd tussen Ajax en Willem II weinig mensen hun kaarten zullen zetten op een 6-0 overwinning voor Willem II. “Je weet echter nooit”, schrijft hij daar dan meteen achteraan. Dat is dan weer haast profetisch, want zeer onlangs won Willem II weliswaar niet met 6-0 van Ajax maar wel met 5-0 van PSV, en dat was een minstens zo grote prestatie. Je weet dus inderdaad maar nooit.

Gijsbert van den Brink                                                                                                Veenendaal, 16 maart 2018

N.a.v. Mijn Vader, uw Vader / dr. A. van de Beek / Uitgeverij Meinema / paperback

Bekijk het overzicht van leverbare boeken van dr. A. van de Beek en dr. Gijsbert van den Brink:

2 thoughts on “God bestaat, en er zijn goede redenen om dat te geloven”

  1. Bij deze zin ben je toch even uit de bocht gevlogen: “Te midden van alle entiteiten die dit universum telt, is er ook een entiteit die wij aanduiden met het woord ‘God’.” God is toch geen entiteit temidden van andere entiteiten _binnen dit universum_? God is nu juist degene die is zoals geen van die entiteiten zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *