Zoutendijk schetst en ensceneert – bespreking van Oplichtende woorden

13 maart 2020

Afgelopen jaar werd het boek Oplichtende woorden. De mooiste preken van Andries Zoutendijk gepubliceerd. Tijdens de boekpresentatie sprak Pieter Versloot over het boek. Eerder kon u lezen wat Ruben Wiering van het boek vond. Ook Theo Witkamp bespreekt het boek. U leest hier wat hij erover te zeggen heeft.


Dit is een bijdrage n.a.v. Oplichtende woorden

Oplichtende woorden Andries Zoutendijk

Oplichtende woorden is een bundeling van de vijftien mooiste preken van Andries Zoutendijk. In zijn preken roept Andries Zoutendijk een nieuwe wereld op, de wereld van het koninkrijk van God. Zijn preken kenmerken zich door een lyrische, maar ook directe taal. Ze roepen op, en schrijven niet voor. Zo laten ze ruimte voor eigen reflectie en toepassing. De hoorder wordt serieus genomen als weldenkend mens van de 21e eeuw, en wordt tegelijk aangesproken in zijn fundamentele mens-zijn.

Twintig jaar was Andries Zoutendijk predikant van de Jacobikerk in Utrecht. De redactie, bestaande uit Beatrice de Graaf, Barbara Lamain en Koos van Noppen, heeft een selectie gemaakt van de mooiste vijftien preken uit die periode, en die bewerkt tot meditaties om zelf te lezen of met elkaar te bespreken.


Een eerbetoon

Je kunt het als een eerbetoon zien wat de samenstellers van dit boek hebben gedaan. Hun predikant, Andries Zoutendijk, nam afscheid van de Jacobikerk te Utrecht, die hij van 1990-2018 gediend had, en ging met emeritaat. Zij verzorgden daarop een bundel van vijftien van zijn mooiste preken uit de periode van 2000-2018. De verzameling geeft een mooi beeld van wat Zoutendijk te zeggen had en van de manier waarop hij gepreekt heeft.

De schilderkwast

In hun inleiding typeren De Graaf en Lamain Zoutendijks preekstijl als volgt: hij ‘schildert … met de kwast van het woord vergezichten, doorkijkjes en landschappen die hij ons voorhoudt. Die door hem geschetste afbeeldingen zijn zo krachtig, dat ze de toehoorder erin trekken.’ (9) Ze zien bij hem ‘een zorgvuldig waden achter de bijbelse profeten en aartsvaders … aan.’ (10) Zijn preken zijn ‘niet alleen verhalen, maar ook belijdenissen’, daarom ‘leiden ze ons weg van de geobsedeerdheid met onszelf’(11). Ze zijn ‘een luisterles’ en, omdat hij ons meeneemt naar de bijbelse tijd die ons vreemd is, staan ze ook in conflict met de cultuur. Deze vreemdheid is positief, want dat ‘is een manier om de verblindende focus op het heden te relativeren’ (12). ‘De vergezichten en beelden die Zoutendijk oproept, trekken ons een wijdere dimensie binnen’ (14).

“Wat mij treft is dat hij het leven kent en weet wat er in de mens omgaat.”

De metafoor van de schilderskwast is een goede. Zoutendijk redeneert niet, hij houdt geen betoog, hij gaat niet recht op een doel af, maar hij schetst en ensceneert en nodigt je uit om vanuit verschillende perspectieven goed te kijken naar wat er te zien valt. Nergens suggereert hij dat hij alle perspectieven zou noemen, er blijft ruimte voor meerdere opties. Zelf springt hij regelmatig heen en weer om je nog meer te laten zien. Toch is hij meer dan een gids op een schilderijententoonstelling. Hij wil je niet alleen iets laten zien, hij wil je er deelgenoot van maken. Hij verkent de mogelijkheden om de verhalen deel van jouw leven te laten worden.

Betrokken op levensvragen

Wat mij treft is dat hij het leven kent en weet wat er in de mens omgaat. Daarbij is hij barmhartiger voor zijn hoorders dan Jezus is voor Nicodemus (Joh 3). Zoutendijk zal de luisteraar niet voor een onoplosbaar raadsel stellen en hen vanwege hun onbegrip op de kop geven. Hij is, bijna vaderlijk, betrokken op de levensvragen waar ze mee kunnen worstelen en wil hen troosten, bemoedigen met de, soms dwarse, realiteit van de hoop der Schriften. Hiervoor zet hij zijn grote kennis van de bijbel, de antieke wereld, de geschiedenis van de theologie en van de huidige cultuur in. Niet dat hij hiermee te koop loopt, dat doet hij geen moment, maar die kennis zet hij eenvoudig en haast terloops in om de hoorder een grotere wereld binnen te loodsen. Bij Zoutendijk kom je inderdaad in een ruimte terecht waarin je op kunt ademen en recht op je benen gezet wordt.

“Bij Zoutendijk kom je inderdaad in een ruimte terecht waarin je op kunt ademen en recht op je benen gezet wordt.”

Het dogma is niet de rivier, maar de bedding

Het is opmerkelijk dat het klassieke dogma hierbij de denkstructuur vormt en de botten levert, maar dat het zelf nergens gepreekt wordt. Zoutendijk is wijzer. Het dogma is immers niet de rivier, maar de bedding; de botten vormen het skelet, maar zijn niet het lichaam. Zoutendijk heeft daarom aandacht voor het alledaagse, de pink en het haar, het hart en het oog. Zij leven en staan in direct contact met de wereld om hen heen. Het gevolg is dat je soms het gevoel hebt een preek van een kerkvader als Augustinus te lezen, bij wie je als hoorder ook mag rondgaan in de ruimte van diens geest en bij wie je altijd met minstens één souvenir van die tocht terugkomt.

Wat kun je er uiteindelijk mee?

Elke keer dat ik een preek van Zoutendijk uit deze bundel las vond ik hem warm en mooi en ook de moeite waard om als leerstof voor jezelf bij stil te blijven staan. Al lezende stuitte ik echter wel steeds weer op dezelfde basale vraag: wanneer je wat meer geseculariseerd bent dan hij is, wat kun je er uiteindelijk mee? Ik zeg dit, omdat de dragende grond onder alles wat hij zegt het vertrouwen is dat er een God is die handelt of zal handelen. Net zoals in bijbelse tijden God iets deed, zo zal hij ook nu iets doen. Juist op dit punt heeft de secularisatie echter een groot gat geslagen. God wordt eerder als de stille afwezige ervaren, dan als degene die regeert en leidt. Zoutendijk gaat daar zelf niet expliciet op in en ik vraag me af waarom niet, want onder zijn hoorders zullen deze vragen ook leven.  Misschien is er echter een element in zijn manier van kijken dat uitkomst kan bieden.

“Het gevolg is dat je soms het gevoel hebt een preek van een kerkvader als Augustinus te lezen.”

Vertrouwen

Het woordje ‘vertrouwen’ gebruikte ik zojuist niet per ongeluk. Er zit namelijk een basaal en haast jaloers makend vertrouwen in alles wat Zoutendijk vertelt, een vertrouwen dat dieper reikt dan het noemen van het woord of de termen  ‘iets geloven’ of ‘voor waar houden’. Het woord ‘geloven’ richt zo vaak de lamp op degene die iets gelooft (of de problemen die deze daarmee heeft). Wat ik in deze preken echter proef is, dat het ‘ik’ met zijn of haar (on)geloof uit het centrum verdwijnt om plaats te maken voor uitnodigende ruimte waarin de mens zich van zichzelf mag ontdoen, omdat het de zachtmoedige en uitdagende ruimte van God is. Men zou het kinderlijk kunnen noemen, maar dat woord suggereert een naïviteit die Zoutendijk volstrekt vreemd is, ook al zou het begin ervan gelegen zijn in de  ‘basic trust’ waar ontwikkelingspsychologen over spreken. Het gaat in feite om een beproefd vertrouwen dat een attitude is geworden, voorbij de naïviteit én voorbij de (on)zekerheid, waarbij het niet gaat om iets van God (wat hij voor ons doet), maar om God zelf (wie hij is), zelfs als dit een houding van uiteindelijk niet-weten is. 

Niet-weten

‘Niet weten’ is echter een stapje verder dan Zoutendijk zelf zou gaan. Hij eindigt een preek uit 2009 over de zekerheid van het geloof met de woorden dat geloof een wonder is, net zoals de ouders van een pas geboren kind intuïtief beseffen dat dit nieuwe leven een wonder is. De werkelijkheid begint met het wonder en door het geloof weten we dit. Het ‘wij’ is hierbij belangrijker dan het ‘ik’, want in je eentje gaat het niet. In zijn laatste zinnen klinkt het plotseling: ‘Laat ik eerlijk zeggen, persoonlijk twijfel ik nog weleens, maar samen met jullie weet ik het. Dat is de zekerheid die de Heilige Geest in ons leven legt’ (133). Hier zien we hoe hij zijn privé-persoon inbrengt om het ‘wij’ van de gemeente te versterken. Door met elkaar de woorden en de verhalen van de Schriften te delen, door elkaar te ontmoeten en samen aan de avondmaalstafel te zitten, weten we meer dan wanneer we dat niet doen.

Eerste liefde

Zijn preken zijn daarom uiteindelijk ook een oproep om bij je eerste liefde te blijven, inclusief de eerste liefde van het geloof. De bundel eindigt niet voor niets met een preek onder de titel ‘Terug naar je eerste liefde’ (134-142), waarin hij op milde toon, bescheiden, maar tegelijk indringend de mensen aanspoort niet te wennen aan de gewenning van het dagelijkse leven, maar onrustig te blijven. Dat doe je door lief te hebben, zegt hij. ‘Liefde is eigenlijk altijd iets kwijt, als ik het zo mag zeggen. Daarom is de liefde altijd maar weer aan het zoeken. Dat is die beweging van zoekende liefde.’ ‘Ik zoek U, o God’, dat staat toch op bijna elke bladzijde van de Psalmen. ‘Ik zoek U met heel mijn hart.’ Was je God dan kwijt? ‘Nee, ik heb Hem lief.’ (138)

Theo Witkamp is hoofd van het Centrum voor Beroepsvorming en Spiritualiteit van de Protestantse Theologische Universiteit, Amsterdam.

Andere actuele boeken van Andries Zoutendijk:

Oplichtende woorden Andries Zoutendijk
De Geest onderscheiden

Categorieën