Pastorale reflectie op het boek Denkend aan de dood kom ik tot leven door Dr. Carla Schoonenberg-Lems

1 april 2019

Dr. Carla Schoonenberg-Lems is sinds2008 predikant van de Uniekerk in ’s-Gravenzande en schreef, na aanleiding van het uitkomen van het nieuwe boek van Piet Schelling, haar gedachtes op over het boek Denkend aan de dood kom ik tot leven.

Pastorale dienstbaarheid

De auteur Piet Schelling is met zijn nieuwe boek dienstbaar aan het pastoraat. Het zal zeker zijn weg vinden naar diverse gemeenten binnen de Protestantse Kerk en naar de leden van die gemeenten. En ik denk dat het ook zeer goed bruikbaar zal zijn buiten de kring van de kerkelijke gemeenten.

De behoefte van mensen om zich te verdiepen in de thema’s rondom het levenseinde is groot. Maar de stap zetten om er daadwerkelijk mee bezig te zijn, is niet altijd even gemakkelijk en eenvoudig. Het getuigt van lef dat de auteur zo’n zwaar onderwerp op een relatief lichte manier ter sprake brengt en bespreekbaar maakt. Hij loopt niet weg voor het geestelijke gesprek over leven en dood. Hij gaat dit gesprek met de lezer aan.  

‘Wat je bezit is op weg naar anderen’ [1]

Het is een antropologisch gegeven dat mensen leven in het zicht van de dood. Het einde nadert immers vroeger of later voor ieder mens. Daarin is niemand van ons uniek. Integendeel, mensen zijn er hetzelfde in, hoe we het ook wenden of keren.

Het verschil wordt gemaakt door de manier waarop de ene mens de ander nabij is, zelfs tot aan het einde van een mensenleven. Het boek wil de lezer uitdagen om de levensdagen niet zomaar uit te zitten. Want er is, ook in het zicht van de dood, voldoende waarover nog tijdens het leven de regie gevoerd kan worden. Nadenken over de dood is bezig zijn met de vragen van het leven. Ook met de nog onopgeloste vragen.
Het boek ademt een relationeel mensbeeld: de mens als een autonoom subject. Maar het wezen van die zelfbeschikking en vrijheid van de mens is juist de mogelijkheid om in samenspraak met anderen beslissingen te nemen. Leven is leven in relaties met betekenisvolle anderen die een plaats hebben in mijn levensverhaal. De auteur geeft weer hoe hij gevormd is door anderen en hoe anderen door hem zijn gevormd. Bij deze persoonlijke benadering bewaakt hij de grenzen van de vertrouwelijkheid en gaat hij behoedzaam om met wat privé is en alleen bij intimi bekend hoort te zijn.

‘Ontslagen uit het dienstwerk’ [2]

Afscheid nemen van een werkkring is een van de kruispunten van het leven. Het maakt duidelijk dat het leven meer is dan een rechte lijn tussen geboorte en dood. Hoewel de auteur zich als dienstknecht al sinds 2011 ontslagen mag weten van zijn dienstwerk als gemeentepredikant, is hij nog altijd betrokken. Met dit boek is hij nog altijd dienstbaar aan anderen.
De auteur heeft het als een dwingende oproep verstaan om het naderen van zijn eigen levenseinde niet onopgemerkt voorbij te laten gaan. Hij heeft zich verdiept in de vraag ‘wie hij voor de anderen is geweest en nog altijd is’ en ‘wat hij voor anderen heeft mogen betekenen’. Dat hij met deze beschrijvende en introspectieve benadering anderen een dienst heeft bewezen, zal de toekomst vermoedelijk uitwijzen. Ik hoop dat velen dezelfde urgentie zullen verstaan om het gesprek over het levenseinde tijdig aan te gaan met hun dierbare naasten. Niet dat het gemakkelijk is. Maar het schept ruimte om het leven goed te leven en zinvol af te ronden.

‘Viele, (…) webten an meinem Sein’ [3]

Met het denken over de dood, keren herinneringen terug, worden verlangens gewekt en is er sprake van verwachting en hoop. Ook is er ruimte voor wat nog om aandacht vraagt of, voor zover dat menselijkerwijs mogelijk is, nog rechtgezet moet worden.

Dat hierbij methoden gebruikt kunnen worden om het leven in kaart te brengen, heeft de auteur overtuigend beargumenteerd. Ik voel na de lezing van het boek de noodzaak om dit daadwerkelijk te doen, in mijn pastorale arbeid en in mijn persoonlijke leven. Er worden veel voorbeelden in het boek aangereikt, zoals het belang van de gesprekken op de valreep en de laatste woorden, als ook het schrijven van brieven die later nog eens nagelezen kunnen worden. Of de mogelijkheid van een eventueel rollenspel: ik zie het als kansen om het gesprek te laten voortduren, zelfs tot over de grenzen van de dood heen. Van harte hoop ik dat gezinnen en gemeenten er gebruik van zullen maken, van deze actieve vorm van afscheid nemen en elkaar eren.

In het gewone pastoraat en de dagelijkse praktijk heerst veel verlegenheid. De auteur benoemt deze schroom en de moeite die ermee gepaard gaat. Hij heeft het zelf ondervonden. Het boek roept veel bij de lezer op en ik vermoed dat het schrijven de auteur ook veel heeft gekost. De winst daarvan is groot. Naast de feitelijke en zakelijke informatie is er ruimte voor poëzie, voor emoties en voor innerlijke overwegingen. Het boek laat zich niet in één keer uitlezen en is gebaat bij het tijdelijk even wegleggen en vervolgens weer hernemen. Het zet aan om het gesprek met dierbare naasten en met deskundige artsen tijdig aan te gaan. Want juist deze betekenisvolle anderen kunnen een mens meer leren over zichzelf.

‘God is een handige formule op de boekenplank van het leven – altijd bij de hand maar zelden gebruikt’ [4]

In gesprekken bij de voorbereiding van een uitvaart hebben familieleden vaak niet zomaar Bijbelteksten of muziekstukken die een andere dierbaar waren bij de hand. Als dan teruggegrepen wordt op de trouwbijbel die ergens ver weg onder het stof staat, blijkt deze nauwelijks gelezen. Misschien geldt dat, zoals Dag Hammarskjöld suggereerde, ook voor God. Een handige formule, maar zelden gebruikt.
Het vraagt dan om een intensief en verdiepend gesprek om alle stemmen te laten klinken. Want wie was deze mens en wat heeft hem of haar ten diepste gedreven? Het zoeken naar de open geloofstaal, kan een mooi proces opleveren. Het kan mensen opnieuw verbinden met de Eeuwige en met rituelen die soms meer zeggingskracht hebben dan woorden.

Op eigentijdse wijze brengt de auteur de geloofsvragen rondom het levenseinde ter sprake.

Op geen enkele manier klinkt er een moralistische toon als het gaat om de keuze voor een vraagstuk als begraven of cremeren bijvoorbeeld. Als de auteur zijn eigen mening of voorkeur laat blijken, dan is het steeds op grond van de opgedane ervaringen en aan de hand van eerdere standpunten die herzien zijn. Het geloof verandert naarmate een mens verandert. Die visie benadrukt dat de auteur oog heeft voor de dynamiek van geloven. Wat vroeger onderwezen werd en geleerd is, kan van nieuwe betekenissen worden voorzien. Zo kan zelfs, als het gaat om euthanasie, een wilsverklaring een document worden waaraan zolang het mogelijk is, gewerkt wordt. Een levend document.

Tot zolang het mogelijk is, actief zijn en present blijven. Deze opvatting doet me denken aan de woorden van de titel van het postuum uitgegeven boekje van de Franse filosoof Paul Ricoeur: ‘Levend tot aan de dood’[5]. Het nadenken over de dood, doet een mens ‘het geleefde’ en het ‘te leven’ leven intenser ervaren. De rol van het geloof en de spiritualiteit worden onderzocht in het licht van de eindigheid: wat valt erover te zeggen tijdens het leven en over de grenzen van de dood heen? Is er bij alle verwachtingen over een concreet leven hierna en elders niet juist wat voor te zeggen dat al te stellige woorden hier niet passen? Is er niet eerder een rol weggelegd voor de meditatieve stilte die leeft van vermoedens, verlangens en raakvlakken tussen God en mens?
De auteur begeeft zich hier theologisch op een spannend terrein en komt ermee tegemoet aan de vele geloofsvragen die gesteld worden aan het sterfbed. Het kan rust geven om hier vroegtijdig met elkaar over in gesprek te gaan. Zo kan de strijd rondom het levenseinde omgebogen worden tot liefdevolle overgave.
Een mens kan tot aan het einde leren leven met het feit dat hij sterfelijk is. Deze overtuigende oproep klinkt op verschillende plaatsen in het boek.

Het spreekt voor zich dat de auteur hiermee doelt op de situaties die zich ervoor lenen. Zo laat hij een vraagstuk als de suïcide niet voor niets buiten beeld. En spreekt hij meerdere malen met gepaste schroom over de vroegtijdige, gewelddadige en weerzinwekkende dood.

‘Lees mijn fragmenten allemaal, bewaar, beween, bemin hun taal’ [6]

Na de lezing van het boek neem ik meerdere adviezen ter harte. Het fenomeen van de dood en het feit dat ieder mens aan het einde de dood wacht, maakt dat ik me dieper realiseer dat het om het leven draait. De dood als fenomeen ontsnapt me, ik kan er geen vat op krijgen. ‘Der Tot ist kein Ereignis des Lebens’ zei de filosoof L. Wittgenstein[7]: het is geen ervaring van het leven, we komen altijd te vroeg of te laat.
Wel ervaar ik als mens een voorbeeldrol als het gaat om mijn omgang met de dood. De auteur geeft handreikingen hoe ik dat zou kunnen doen. Het vraagt om reflectie, om moed om schoon schip te maken met belangrijke anderen en met de documenten van mijn leven.

Al lezend heb ik teruggedacht aan verschillende momenten waarop ik in aanraking ben geweest met het levenseinde. In de pastorale praktijk komen allerlei vormen van afscheid voorbij. Vaak zegt het einde veel over de manier waarop iemand in het leven stond.  Aan een ongelooflijk indrukwekkend afscheid hoeft weinig toegevoegd te worden. Dan past het om, naast alle woorden die gesproken worden bij het afscheid, de stilte zijn werk te laten doen.

Soms is het afscheid hartverscheurend voor degene die het betreft of voor de nabestaanden omdat niet is gezegd wat tot spreken gebracht had kunnen worden. Wonden worden nog dieper en de sjalom is verder uit zicht. Tussen die twee uitersten zijn er vele andere ervaringen te noemen.

Het blijkt dat in de praktijk niet alle mensen bereid of in staat zijn om het leven op een goede manier over te dragen op de dierbare naasten. Juist als het om ethische keuzes gaat, pleit de auteur voor het gesprek dat gevoerd moet worden. Zodat je niet over je graf heen regeert, zelfs al voordat de dood zijn intrede heeft gedaan. Het is goed dat de auteur de lezer hier bewust van maakt. En dat er onderling gesproken wordt over wensen rondom orgaandonatie, euthanasie en de eisen die daarbij worden gesteld aan de kwaliteit van het leven.
Opnieuw herken ik bij de bespreking van deze thema’s de overdracht en de dienstbaarheid van de auteur. Hij is, in liefde en zorg, verbonden met degenen die na hem komen en gaat, zolang het in zijn vermogen ligt, hen hierin voor tot aan het einde van zijn leven.

‘Wees als een venster waardoor liefde als een grenzeloos licht de wereld instraalt’ [8]

Het is een paradox, de titel met de omkering van de woorden van de dichter J.C. Bloem: denkend aan de dood kom ik tot leven. De levenskwaliteit wint aan kracht wanneer een mens bereid is na te denken over de sporen die hij of zij achterlaat.

De ontdekking van de auteur dat er niet zozeer leven na de dood maar vooral leven vóór de dood is, maakt het verschil en precies de bezinning hierop is levenskunst met aandacht voor het einde. Het maakt een mens bewust van de inhoud van de levenskwaliteit. De auteur helpt de lezer bij de reflectie daarover. En hij voegt zijn poëzie eraan toe, woorden die gerijpt zijn in zijn binnenste en die zich laten uitspreken. Nu en misschien later aan het einde. Ze stimuleren de lezer om het eigen levensverhaal op te schrijven en te vertellen. In de vorm van een brief, proza of poëzie. De auteur geeft een inkijkje in het leven van Bijbelse personages, als manier om over het eigen leven na te denken. Ontroerend kan het zijn om, in de lijn van deze mensen, de zegen aan het einde te geven of te ontvangen.

De mens is onderweg van geboorte tot dood. Daartussenin speelt het motief van een levensreis. De Bijbelse visie daarop is het besef ‘de weg van de hele aarde te gaan’. De mens is een van de vele schakels in de keten van de geschiedenis. De verbindingen met de aarde, haar bewoners en de Schepper kunnen een mens het vertrouwen geven dat God mensen na onze dood ook nog nabij zal zijn. Zijn Naam is ‘Ik zal er zijn’ en dat is genoeg.
In Gods herinnering mag een mens zich aan het einde van een leven opgenomen weten. Het leidt tot verwondering en dankbaarheid om de voortgaande schepping.

Doodgaan is een mysterie. En dat is de auteur genoeg. Tot aan het Adieu!


[1] W. Hussem, Warmte vergt jaren groei, Plint, 2004, p. 150

[2] E. Levinas, God, de dood en de tijd, Ambo, 1996, p. 21, p. 183

[3] H. Meulink-Korf en A. van Rhijn, De onvermoede derde, Meinema, 2002, p. 95 (regel uit een gedicht van R.M. Rilke)

[4] D. Hammarskjöld, Merkskstenen, Gottmer, 1989, p. 27

[5] P. Ricoeur, Vivant jusqu’à la mort, Seuil, 2007

[6] R. Ganzevoort, http://www.ruardganzevoort.nl/pdf/1998_Praxis_totaal.pdf (eerste twee regels uit het gedicht: Fragmenten)

[7] P. Ricoeur, Vivant jusqu’à la mort, Seuil, 2007, p. 67

[8] Citaat van Edith Stein, herkomst onbekend

Denkend aan de dood kom ik tot leven

Denkend aan de dood kom ik tot leven - Piet Schelling

In Denkend aan de dood kom ik tot leven deelt emerituspredikant en publicist Piet Schelling gedachten over het levenseinde, met als doel anderen te stimuleren daarover na te denken.  ‘Ik ga dood.’ Zo opent dit boek. Drie woorden waarachter een wereld van gedachten en gevoelens schuilgaat. Open en toegankelijk laat de auteur zien wat het levenseinde met hem doet. Hij deelt zijn gevoelens, vraagt naar wat waarde houdt, ruimt op wat hem dwarszit, erkent de pijn van het loslaten en afscheid nemen. In dat alles zoekt hij naar houvast en troost. Ook vertelt hij hoe hij zich verhoudt tot actuele thema’s zoals reanimatie, orgaandonatie, euthanasie en voltooid leven. 

Categorieën

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Boekenwereld
Voor de verkoop van onze producten werken wij samen met boekenwereld. Hierdoor bestel je betrouwbaar en gemakkelijk bij een online boekenwinkel die in bezit is van het keurmerk van de Thuiswinkel. Hier vind je meer informatie of veelgestelde vragen over het bestellen bij boekenwereld.