Over Andries Zoutendijk

23 oktober 2019

Pieter Versloot droeg bij aan de boekpresentatie van Oplichtende woorden, het boek van Andries Zoutendijk. Die bijdrage aan de avond op 6 oktober kunt u hier lezen.

“Vandaag wil ik het hebben over ds. Andries Zoutendijk als kunstenaar, als orthodoxe dominee, als herder en leraar, als lijdende knecht en als harpoenier. Als schriftgeleerde zal ik oude dingen (die ik al eens eerder schreef) en nieuwe dingen voortbrengen.

“Als je goede preken wilt horen, moet je naar de Jacobikerk”, zei een ouderejaars student tegen mij in 1989. Nou, dat wilde ik wel als eerstejaars student theologie in Utrecht. Ik fietste naar de Jacobikerk. Ik luisterde ademloos naar de preken van ds. Kool. Met zijn zachte bijna ijle stem trok hij als een Albrecht Dürer trefzekere profetische lijnen. 

Hij ging met emeritaat. Een tanige dominee die van sprinkhanen en wilde honing leek te leven, droeg de  profetenmantel over aan een grote, bourgondische man met een geheel eigen mimiek: ene ds. A.J. Zoutendijk uit de Martinikerk in Groningen. Een pentekenaar maakte plaats voor een kunstschilder. 

“Zoutendijk schildert met de kwast van het woord vergezichten, doorkijkjes en landschappen”, zeggen Beatrice de Graaf en Barbara Lamain in de inleiding van het boekje. Ik knikte instemmend, toen ik hun typering las. Andries Zoutendijk brengt zijn woorden als penseelstreken aan op het doek, bedachtzaam suggererend, hints gevend. In het begin heb je vaak nauwelijks een idee waar zijn woorden heen gaan, maar laagje voor laagje ontstaat er een beeld: een ‘woordschilderij’. Daarbij moet je vooral letten op de dingen die hij niet zegt. 

Hij is een meester in het weglaten. Daarin doet hij denken aan de Franse regisseur Robert Bresson (1901-1999). Deze maakte een beroemde film: “De Pickpocket”. In die film berooft een jonge man een vrouw van haar portemonnee tijdens een paardenrace. De film toont niet de feitelijke beroving. Er is geen paard te zien. Je ziet wel de gezichten van de vrouw, de jongeman en de omstanders. 

Willem Jan Otten schrijft in zijn boek -Waarom komt U ons hinderen?- iets heel moois over die techniek van Bresson. Door niet alles te laten zien “mobiliseert Bresson het meest mysterieuze zintuig van de toeschouwer: zijn geestesoog.”  [Waarom komt U ons hinderen, p. 63]. 

Dat doen de preken van Zoutendijk ook: “ze mobiliseren een mysterieus zintuig in je, je geestesoog.” Doordat hij niet alles voor je invult activeert hij je geestelijke verbeeldingskracht. Er blijven lege plekken -ruimte- over die we zelf bijgestaan door de verbeeldingskracht van dé Geest in kunnen vullen. Zijn preken zijn daarom ook geen monologen maar dialogen. 

Ze hebben qua genre wel iets van redevoeringen maar ze zijn vooral homilie. “Redevoeringen hebben haast; verhalen hebben de tijd,” leerden we vroeger van Dingemans. Zoutendijk staat daar weliswaar hoog op die kansel maar toch is het net alsof hij tijdens zijn preek naar beneden komt, met je praat en een stukje met je opwandelt. Hij vertelt je wat hij ziet maar hij laat ook openingen voor wat jij ziet. ”Al dialogiserend ontvouw je samen iets van de mysteries van het christelijk geloof, zoals dat in de vroege kerk gebeurde in de homilie. 

Zoutendijk is een Bresson: hij verstaat de kunst van het weglaten. Hij is denk ik niet voor niets een liefhebber van het werk van Oepke Noordmans, die zei dat God leegten nodig heeft om te kunnen scheppen. [1]

2. Zoutendijk als orthodoxe dominee. 

Ik kom van de Veluwe uit een prettig orthodox dorp, dat in de jaren dat ik daar opgroeide veranderde in een refo-dorp. Daar werd het dorp netter, vromer én saaier van. Deze reforthodoxie benauwde mij. Toen ik op mijn achtiende in Utrecht ging wonen greep ik de kans om zo’n beetje alle smaken en kleuren op kerkelijke gebied uit te proberen. Ik beluisterde ds. Kool en ds. Zoutendijk, maar de eerste jaren als zwevende kiezer. Ik vlinderde van de Rooms K. Kerk naar de Volle Evang. Gemeente, van de Dom naar de Vergadering der gelovigen naar mijn hervormde wijkkerk. Ik kwam steeds weer terug bij de Jacobi. Ik sloot me aan. 

Na een intensieve zoektocht streek ik weer neer op een orthodox nest, maar het was alsof ik voor het eerst de orthodoxie écht leerde kennen. Ik ervoer wat T.S. Elliot beschrijft: 

the end of all exploring

Will be to arrive where we started

And know the place for the first time.”[2]

Ik herontdekte in de Jacobi de orthodoxie. Daarin speelde Andries Zoutendijk een belangrijke rol. Hij had niets met de gedachte dat de bijbel alleen maar een boek met verhalen van mensen was, maar hij bleef ook weg bij een mechanische inspiratieleer. Hij had een kast vol ‘wereldse’ cd’s thuis, maar hij preekte uit de catechismus. Een principiële houding ging samen met een merkwaardig pragmatisme. Hij hield zich ver van moralisme, maar belandde ook niet in relativisme. 

De orthodoxe Jacobikerk werd door veel docenten en medestudenten op de universiteit met scepsis bekeken. Orthodoxie stond bij hen voor gesloten, dogmatisch, statisch, onderdrukkend en saai. Vanuit mijn achtergrond begreep ik dat.  De alternatieven die men aandroeg wekten vaak de suggestie opener te zijn, terwijl ze in de praktijk vaak geslotener en dogmatischer waren. De orthodoxie in de Jacobikerk vond ik veel meer ruimte scheppend, verrassender en spannender. 

De Britse schrijver G.K. Chesterton geeft mijns inziens een plausibele verklaring van hoe dat kwam.3 Hij wijst op twee essentiële kenmerken van orthodoxie: 

1. Orthodoxie laat ruimte over voor onregelmatigheid en uitzonderingen, 2.  Orthodoxie leeft van de paradox. Chesterton doet in zijn boek over Orthodoxy een origineel gedachtenexperiment, dat ik u niet wil onthouden:

‘Stel dat een wiskundig denkend schepsel op de maan de opdracht krijgt het menselijk lichaam in kaart te brengen. Hem zou onmiddellijk opvallen dat we van alles twee hebben, hetgeen karakteristiek is voor het menselijke lichaam. Hij zou dat kunnen beschrijven als: een man is twee mannen. De

“rechterman” weerspiegelt exact de “linkerman”. 

Nadat hij heeft geconstateerd dat er een rechterarm is en een linkerarm, een rechterbeen en een linkerbeen, kan hij verder gaan en nog steeds aan beide zijden hetzelfde aantal vingers vinden, hetzelfde aantal tenen, twee ogen, twee oren, twee neusgaten en zelfs twee hersenhelften. Hij zou dat als een wetmatigheid kunnen gaan zien. Vervolgens vindt hij een hart aan één kant, waaruit hij afleidt dat er zich ook nog een hart aan de andere kant moet bevinden. 

Precies op dat punt, waar hij waarschijnlijk zeer overtuigd is van zijn gelijk, grijpt hij mis.’ ‘Het is deze verborgen verraderlijke afwijking van een inch, die in het gehele universum lijkt voor te komen en ons telkens net op het verkeerde been zet,’ concludeert Chesterton.. 

Hij ziet het orthodoxe christendom als een versie van het christelijk geloof, die het beste omgaat met deze ‘verraderlijke uitzonderings-inch’ in de dingen. Zij heeft oog voor de complexiteit van de dingen en harmoniseert die niet. Dat is een essentieel verschil met ketterijen die te veel de menselijke

3 3 G.K. Chesterton, Orthodoxy, Londen 1908, p. 4  

logica willen volgen. Net als Friedrich Schleiermacher ziet hij ketterijen als “inadequate vereenvoudigingen van het christelijk geloof.” [3]

Het tweede dat ik van Chesterton leerde is dat de orthodoxie leeft van de paradox. Het christelijk geloof bevat “het mystieke talent om verschillende deugden te combineren die inconsistent met elkaar lijken te zijn’. Het kiest bewust niet voor het compromis maar gaat voor de paradox. Orthodoxe theologie ‘heeft bijvoorbeeld erop gehamerd dat Christus niet half mens, half God was maar dat Hij volkomen beide was: helemaal God en helemaal mens’. Het essentiële paradoxale karakter van de orthodoxie maakt haar voor Chesterton tot een ‘thrilling romance’. 

Zoutendijk heeft oog voor die afwijkende inch van Chesterton. Hij verstaat de kunst de paradoxen van het christelijk geloof te laten staan. Dat levert spannende preken op. Zonder spanning lichten woorden niet op. In mijn thuisthuisgemeente kon ik aan de hand van de drie genoemde punten exact voorspellen waar de preek over zou gaan. Dat lukte in de Jacobi niet. Daar werden leven en geloof nooit een kloppend rekensommetje. Juist door het niet-kloppend laten zijn van preken, niet alles dicht te smeren, resoneerde de boodschap bij mij als hoorder, vielen dingen op hun plek in het leven van een jongeman, van wie het leven op veel fronten vaak niet klopte en dat vele losse eindjes kende. 

De orthodoxe dominee preekt vanuit het diepe besef, dat de waarheid die we nu ontdekken een herontdekking is van wat anderen al hadden ontdekt. Dat weerhoudt hem van een hijgerig bij de tijd willen zijn. Het legt een glans van tijdloosheid over zijn preken. ‘Chesterton doet je het pijnlijkste realiseren wat een moderne mens zich maar kan realiseren: het is niet waar dat je je leven aan jezelf te danken hebt. Je kunt je eerste gedachte niet eens zelf bedenken, die overkomt je,’ schrijft Willem Jan Otten. Die relativering hoor je altijd tussen de regels door in Zoutendijk’s preken. Voordat wij er waren, waren er anderen, voordat zij er waren was God er al. De grootste dingen in het leven regel je niet. Ze worden ons aangereikt door Hem. 

3. Andries Zoutendijk als herder en leraar. 

Hier doet zich iets merkwaardigs voor. De meeste dominees zijn op hun pastoraalst in persoonlijke gesprekken. Ze leren het volk het meest vanaf de kansel. Bij Andries Zoutendijk is dat vooral andersom: hij is op zijn pastoraalst vanaf de kansel. Hij leert, overhoort en corrigeert in persoonlijke gesprekken. Actief luisteren en de techniek van het Luisteren, Samenvatten en Doorvragen (LSD) zijn niet aan hem besteed. 

Ik heb nogal eens gedacht: “Hoe kan een man die nauwelijks  luistert zo goed spreken, zo dichtbij komen vanaf de kansel, zo fijnzinnig gevoelens verwoorden.?” Dat komt volgens mij omdat hij instinctief mensen aanvoelt, heel goed tussen de regels door weet te lezen, zichzelf goed kent, zijn eigen zondige natuur, en veel begrepen heeft van de condition humaine. Hij luistert wél, maar op een heel andere manier. 

Ik heb het wel eens seismografisch luisteren genoemd. Hij lijkt niet erg bewogen te worden door wat je zegt. Maar ergens in hem zit een seismograaf die haarfijn signalen opvangt.

Je hebt rondtrekkende herders en leraren: Paulussen. Andries was ook in dat opzicht een andere herder: een Gamaliël. Hij bleef op zijn post, de schapen zochten hem op in Utrecht. Gevoed en vaak beinvloed voor het leven trokken ze verder. Nicky Gumble beschrijft in Een kwestie van leven, een predikant, die zelf geen voet over de grens zette, maar wereldwijd invloed had, via de mensen die hij had begeleid en bepreekt. Wereldwijd is een beetje groot gezegd, maar ik kom veel mensen tegen in Nederland, die aan Andries’ voeten hebben gezeten.

  • Andries Zoutendijk als lijdende knecht. 
  • Een aantal jaren geleden werd Andries ernstig ziek. Een talentvolle dienaar van het Woord werd een lijdende knecht. Professor van de Beek vertelt in zijn boek Gespannen Liefde over een oude man in zijn eerste gemeente. De oude man zei tegen van de Beek: “Je kunt altijd aan de manier van preken van een dominee merken of het verdriet in zijn leven gekomen is.” [4] Bij jou Andries merkten we dat. En niet alleen in de preken over Hizkia. 

Je ging met je verdriet om zoals van de Beek vervolgens schrijft: “Daarbij gaat het niet om de buitenkant alleen, maar, vooral om de binnenkant: of het verdriet je leven binnengegaan is, of je het toegelaten hebt, en het een deel van je bestaan is geworden. Sterker nog: of het je bestaan, je wijze van in het leven staan, van denken spreken handelen heeft veranderd en gevormd.” 

Dat is wat we zagen: je liet je vormen door je ziekte. Zij verdiepte je preken. Je leefde je preken. We zagen in jou de grote -nauwelijks te vatten- paradox van het christelijk geloof: Als lijdende knecht wierp je op koninklijke wijze meer licht dan ooit op Christus, de lijdende Koningsknecht. 

  • Andries Zoutendijk als harpoenier. 

Eugene Peterson (voormalig docent spirituele theologie aan het

Regent College in Vancouver) vertelt in één van zijn boeken (The contemplative Pastor) een verhaal uit Moby Dick, een boek van Herman Melville. Het verhaal gaat over een ranke wendbare boot met roeiers in het poolgebied. Zij werken met man en macht om de boot op de juiste koers te krijgen en te houden om een walvis te kunnen vangen. Midden in de boot zit een man roerloos, maar geconcentreerd met een harpoen in zijn hand. Hij hoeft niets anders te doen dan op het juiste moment die harpoen naar die walvis te slingeren. 

Peterson gebruikt dat beeld van de harpoenier voor de positie van de predikant in een gemeente. Die moet je in zijn kracht zetten, zoveel mogelijk laten doen, wat zijn roeping en gave is. 

Andries had in de Jacobi een leger aan mensen om zich heen, dat hem veel werk uit handen nam. Zij maakten mogelijk dat je kunstzinnig kon leven. 

Veel gemeenten laten hun predikant teveel verschillende taken vervullen, wat de preken niet altijd ten goede komt. Dat heeft Stefan Paas wel eens doen pleiten om predikanten 1 keer per maand voor te laten gaan. Tim Keller begint vier weken van tevoren met een team om hem heen aan zijn preek te werken. 

Sommige gemeenten hebben niet de mogelijkheid hun predikant zo vrij te stellen. Daar moet door iedereen (de harpoenier incluis) geroeid worden met de riemen die er zijn.  In Utrecht kon het en deden ze het: ze roeiden je in de juiste positie zodat jij je harpoenen kon werpen. 

Deze bijeenkomst is ook een vrucht van hun volhardende inzet. Zonder het priesterschap van deze vele gelovigen waren deze 15 prachtige preken niet tot stand gekomen. Dankzij hen kon jij ten volle VDM zijn: dienaar van het Goddelijke Woord.”

Ik eindig met een gedicht van Jaap Zijlstra, waar V.D.M boven staat. 

V.D.M. 

Als Hij zijn

mantel

niet had afgedaan

niet in zijn

onderkleed had

gestaan begaan

met onze vuile voeten niet

naakt

aan de paal was gegaan.

Mijn God wat moet ik

met mijn toga aan.

Jaap Zijlstra             (Land in zicht, 1969)

Pieter Versloot



[1] Gestalte en Geest: p. 10 

[2] T.S. Elliot, Collected Poems 1909-1962, Londen 1963, p. 222

[3] A.E. McGrath, Christian Theology: An Introduction, Oxford 1999, p. 173. 

[4] P. 87

Over Oplichtende woorden

oplichtende woorden

Oplichtende woorden is een bundeling van de vijftien mooiste preken van Andries Zoutendijk. In zijn preken roept Andries Zoutendijk een nieuwe wereld op, de wereld van het koninkrijk van God. Zijn preken kenmerken zich door een lyrische, maar ook directe taal. Ze roepen op, en schrijven niet voor. Zo laten ze ruimte voor eigen reflectie en toepassing. De hoorder wordt serieus genomen als weldenkend mens van de 21e eeuw, en wordt tegelijk aangesproken in zijn fundamentele mens-zijn. Twintig jaar was Andries Zoutendijk predikant van de Jacobikerk in Utrecht. De redactie, bestaande uit Beatrice de Graaf, Barbara Lamain en Koos van Noppen, heeft een selectie gemaakt van de mooiste vijftien preken uit die periode, en die bewerkt tot meditaties om zelf te lezen of met elkaar te bespreken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Boekenwereld
Voor de verkoop van onze producten werken wij samen met boekenwereld. Hierdoor bestel je betrouwbaar en gemakkelijk bij een online boekenwinkel die in bezit is van het keurmerk van de Thuiswinkel. Hier vind je meer informatie of veelgestelde vragen over het bestellen bij boekenwereld.