Kerkelijk beleid in Coronatijd

12 juni 2020

Wat is de rol van de kerk in de tijd van Corona? Moet de kerk reflecteren op het beleid en eventueel maatschappelijk tegenspel bieden? C. van der Kooi schreef dit artikel over kerkelijk beleid in coronatijd. Het verschijnt ook in het blad Kerk en Theologie.

Sinds op 9 maart jl. premier Mark Rutte en het hoofd van het RIVM Jaap van Dissel maatregelen afkondigden om verspreiding van het Covid 19-virus tegen te gaan, zijn heel wat weken verstreken. Inmiddels zijn we aangekomen in een nieuwe situatie waarin de strengste beperkingen in Nederland zijn versoepeld. Hoe bewegen de kerken, de gemeenten en de Protestantse Kerk in Nederland zich in dit geheel? Geconcludeerd kan worden dat de gemeenten en de landelijke kerk zich in het protocol nauwgezet aan de richtlijnen van de overheid gehouden hebben. Fysieke kerkdiensten werden vervangen door online diensten, pastoraal bezoek werd dringend afgeraden en vervangen door contact op afstand. Allemaal met het oog op de voorkoming van de verspreiding van het virus en van overbelasting van de zorg en ten behoeve van een beperking van het aantal doden. Nederland is erin geslaagd. De schrik zat er goed in. Even dreigden de kerken in een kwaad daglicht te komen staan doordat in enkele plaatselijke kerken een uitbraak plaatsvond met droevige gevolgen. De voorzichtigheid heeft zich uitbetaald: Nederland telt op het moment dat ik dit schrijf (4 juni 2020) 6000 geregistreerde Corona-doden en dat zouden er veel meer kunnen zijn geweest bij het uitblijven van maatregelen. Hulde dus voor ieder die daaraan meewerkt, verantwoordelijkheid neemt, zich suf piekert, zowel plaatselijk, in classisverband en landelijk.

De komende tijd zitten we echter in een nieuwe fase waarin van de landelijke kerk gevraagd mag worden dat ze niet alleen de aanwijzingen van de overheid stipt opvolgt, maar zelf theologisch op het beleid reflecteert en waar nodig maatschappelijk tegenspel biedt. Als dat al het geval is geweest, dan is het niet of onvoldoende zichtbaar geweest. Er zijn schaduwzijden die geadresseerd moeten worden. Enkele ervan wil ik hier noemen: de zorg in verpleeghuizen en de visie op ambtelijk werk.

Verpleeghuizen

Eerst de situatie van patiënten die opgenomen zijn in verpleeghuizen. De verpleeghuizen zijn lange tijd volledig op slot gegaan voor bezoek van familieleden en vrienden, en ook de geestelijk verzorging in tehuizen werd grote beperking opgelegd of zelfs geweerd. Misschien moeten we ook zeggen dat geestelijk verzorgers zich soms al te mak teveel beperkingen liet opleggen. Men kan stellen dat de zorg aan patiënten gericht was op de medische en virale veiligheid. Dat is enerzijds begrijpelijk omdat onbeheersbare verspreiding van het virus werd gevreesd en de zorg in ziekenhuizen niet overbelast moest raken, anderzijds hebben juist kwetsbare patiënten hiervoor een enorme prijs betaald. Geen familieleden meer, geen aanraking meer. De concentratie van zorg op virale aspecten resulteerde in een reductie van wat goede zorg mag heten. Wie na een hersenbloeding comateus in een verpleeghuis is opgenomen is juist gebaat bij stimulatie, stemmen van bekenden, voorgelezen worden, aangeraakt worden. Dat werd nu allemaal onthouden in naam van de medische veiligheid. Eenzame opsluiting met de familie springend en zwaaiend voor een raam. In zulke gevallen dreigt de dood net zo hard, namelijk door gebrek aan menselijk contact en therapie. Dat is de diepe schaduwzijde van een beleid dat werd ontworpen en uitgevoerd in naam van medische veiligheid. De beperkende maatregelen pakten voor een groep zeer kwetsbaren inhumaan uit. Het heeft doden gekost. Wat heeft de kerk, plaatselijk, classicaal en landelijk voor hen gedaan? Het behoort tot de taak van de kerk voor zulke mensen op te komen.

Waarom predikantschap een contactberoep is

In de tweede plaats roept het gevoerde beleid vragen op in verband met theologische reflectie op ambt en nabijheid, of liever het ontbreken daarvan. Zoals al gezegd heeft de leiding in de opgestelde protocollen nauwkeurig geluisterd naar wat van overheidswege werd toegestaan met betrekking tot ambtelijke handelingen. De protocollen getuigen van grote volgzaamheid. Vanaf 1 juni is er, zo is te lezen in een bericht gepubliceerd op de website van de PKN op 3 juni, een versoepeling ingegaan waardoor de voorwaarde van anderhalve meter afstand in bepaalde gevallen niet meer van toepassing werd verklaard. Dat betreft dopen, huwelijkse (in)zegening, bevestiging van ambtsdragers en ziekenzalving. De versoepeling heeft enkel betrekking heeft op ‘deze – en uitsluitend op deze! – handelingen’, zo wordt er streng aan toegevoegd. Aan de versoepeling is, zo wordt ook nog gemeld, intensief overleg vooraf gegaan tussen de verantwoordelijke minister en kerkelijke vertegenwoordigers in het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO). Wat niet wordt genoemd in het bericht maar er ook aan vooraf ging waren discussies en pleidooien die gedeeld werden op de sociale media over de vraag of het werk van een predikant onder de contactberoepen valt. De druk van onderop heeft ongetwijfeld meegewerkt. En dat is terecht, aangezien daar tussen al het roepen ook theologische argumenten verschenen die hout snijden.

Predikanten en geestelijke verzorgers oefenen een vitaal beroep uit. Die kwalificatie is een uitgemaakte zaak in het contact tussen kerk en overheid. Het zijn beroepen die te maken hebben met een existentiële dimensie van het mensenbestaan. Daarom zijn er geestelijke verzorgers en predikanten in gevangenissen, in de krijgsmacht, in ziekenhuizen en verpleeginrichtingen. In al die inrichtingen maken ze – als het goed is – deel uit van de organisatie en worden ze uit het vaste budget betaald. Voor predikanten in gemeenten geldt dezelfde kwalificatie. Ze oefenen een vitaal beroep uit. Dat was niet iets waartoe eerst nog besloten moest worden, het was al het geval. Het maakt hun werk op sommige momenten tot een contact-beroep.  Er zijn ambtelijke handelingen die vragen om nabijheid, onvermijdelijk. Men blijft bij een doodzieke en stervende mens niet op afstand, maar legt de handen op. Zegening, doop, maar ook het aanreiken van brood zijn handelingen van kortstondige nabijheid, die gedaan kunnen worden na uitvoerig en publiek handenwassen. Theologisch belangrijk is dat de materiële, lijfelijke en zintuiglijke dimensie van deze sacramentele momenten wordt erkend en in het beleid wordt verwerkt. Wij zijn niet alleen ons hoofd, wij zijn stoffelijke mensen, uitgerust met zintuigen, en het belang van die  zintuiglijkheid wordt concreet in de sacramenten en sacramentele handelingen. Is dit binnen het CIO aan de orde geweest? Is er over deze noties theologisch gereflecteerd? Wel op internet waar voorgangers zich over de maatregelen uitlieten, ook over de malle. Gelukkig kan de dooplepel nu weer in de brijpot.

De discussies zullen nog wel even doorgaan. Onder meer over het zingen. Is gezamenlijk zingen, zelfs met inachtneming van afstand gevaarlijk? Of was het juist het koffiedrinken toen men op een kluitje bij het koffie-uitschenkpunt stond? Ook daar graag iets meer argument dan dat we het zingen zo missen. Natuurlijk is dat zo, maar in het zingen neemt de gemeente zelf haar profetische taak waar, namelijk luidop zeggen waarop het tussen hemel en aarde staat. Hoe mooi ook een gereciteerd psalmengebed is, het is nog geen gezang. We hopen op het oude normaal. Het nieuwe normaal is geen normaal.

C. van der Kooi

Dr. C. van der Kooi is emeritus hoogleraar systematische theologie VU Amsterdam en distinguished lecturer EESA/EURAC Erasmus universiteit Rotterdam. Bekijk zijn boeken en die van Margriet van der Kooi door op onderstaande banner te klikken.

Kees en Margriet van der Kooi

Actuele boeken van C. van der Kooi:

Christelijke dogmatiek C van der Kooi
midden in het leven kooi
De weerbarstige Barth Kooi

Categorieën

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *