In gesprek vanuit Nicea

19 augustus 2020

Van de redactie van VissersLatijn, het dispuutblad van de C.S.F.R., ontvingen we onderstaande recensie van het boek Wij geloven van Bram van de Beek en Herwi Rikhof.

Enkele jaren na hun emeritaat hebben de protestantse predikant en theoloog Bram van de Beek (1946) en de rooms-katholieke priester en theoloog Herwi Rikhof (1948) gezamenlijk een boek van ruim tweehonderd pagina’s geschreven over de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel: Wij geloven, Rooms-katholiek en protestant: één geloof. Grofweg kan gesteld worden dat het boek geschreven is met twee doeleinden. Ten eerste zijn hier twee systematische theologen aan het woord die proberen te verklaren hoe de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel historisch tot stand is gekomen en hoe ze uitgelegd kan worden in het licht van de moderne tijd. Ten tweede is het de bedoeling van de auteurs om aan de hand van de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel de eenheid van de rooms-katholieke en protestantse traditie te laten zien en als zodanig heeft het boek dus een oecumenische insteek.

Hoe is de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel tot stand gekomen?

Tijdens het lezen betrapte ik mezelf erop dat ik eigenlijk niet wist hoe de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel tot stand is gekomen en waarom de geloofsbelijdenis van Nicea aangevuld is met Constantinopel. Het Concilie van Nicea was een concilie van bisschoppen van de Katholieke Kerk, bijeengeroepen door keizer Constantijn in 325 om te reageren op de Ariaanse kwestie. Arius (256-336), de ‘aartsketter’ bij uitstek, loochende de Godheid van Christus omdat hij stelde dat Christus geschapen was en slechts de Zoon van God was. Na een lang en fel debat werd Arius verworpen middels vijf ‘anathema’s’ en werd het apostolische en katholieke geloof herijkt. De nadruk op het Concilie van Nicea lag dus op de Tweede Persoon van de Drie-eenheid: Jezus Christus. In de opgestelde geloofsbelijdenis (ook wel aangeduid met Symbool) in 325 is het gedeelte over de Heilige Geest daarom uiterst kort.[1] Er wordt volstaan met ‘wij geloven in de Heilige Geest’. Een aantal decennia later kwam de Kerk opnieuw samen op het Concilie van Constantinopel (381) om het geloof in de Heilige Geest nader uit te werken. Toen is de paragraaf over de Heilige Geest uitgebreid en zijn de zinnen over de vergeving van zonden en het geloof in het eeuwige leven toegevoegd. Deze versie van 381 wordt daarom als het eigenlijke Symbool gezien.

Ik geloof of wij geloven?

Een andere ontdekking die ik deed was de manier van belijden die de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel in haar oorspronkelijke, Griekse versie bevat. Er staat namelijk ‘wij geloven’ in plaats van ‘ik geloof’. Van de Beek en Rikhof leggen hier grote nadruk op aangezien dit aantoont dat geloven geen individuele zaak is maar in de context van een gemeenschap plaatsvindt die zich bovendien door de tijd en ruimte heen bevindt. In een geïndividualiseerde samenleving waarin subjectiviteit steeds meer centraal komt te staan, pleiten Van de Beek en Rikhof voor een terugkeer naar de oorspronkelijke formulering van ‘wij geloven’ om de gemeenschap van de Kerk te benadrukken.

Hoe komt het dan dat de Kerk in de loop van de eeuwen in het Westen heeft gekozen om de tekst aan te passen van ‘wij’ naar ‘ik’? Dit heeft te maken met de context waarin de Kerk haar geloof beleed. In de eerste eeuwen stond de Kerk door vervolging onder ontzaglijke druk. Het ‘wij’ van de gemeenschap werd daarom extra benadrukt. In de vierde eeuw daarentegen werd het onder keizer Constantijn bijna voordelig en vanzelfsprekend om christen te zijn. De Kerk legde als reactie daarop de nadruk op het persoonlijke aspect van het geloof. Dit persoonlijk belijden komt bovendien vanaf het vroegste begin naar voren in de andere bekende geloofsbelijdenis: de Apostolische Geloofsbelijdenis. Deze belijdenis werd uitgesproken bij de doop waarbij de dopeling gevraagd werd of hij gelooft in God, de Vader, in Zijn Zoon en in de Heilige Geest. Met Augustinus (354-430) keerde de Kerk terug naar dit persoonlijk belijden en werd de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel uitgesproken met de woorden ‘ik geloof’.

Welke bijdrage levert dit boek aan de oecumene?

Naast een uitleg van de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel wil het boek Wij geloven ook een bijdrage leveren aan de oecumene tussen de rooms-katholieke traditie en de protestantse traditie. De manier waarop de auteurs dit doen, vind ik erg mooi. Ze leveren geen pasklaar programma en vlakken de verschillen tussen de tradities niet uit maar benoemen ze en geven aan hoe deze verschillen zijn ontstaan of gegroeid. Steeds vertrekken ze vanuit de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Deze geloofsbelijdenis is namelijk sterk Trinitarisch. God de Vader schept, God de Zoon is Mens geworden om te verlossen en samen zenden zij de Heilige Geest die de Kerk creëert. Deze Kerk is dus geen menselijk initiatief maar werk van Gods Geest die mensen samenbrengt in een geordende gemeenschap. De Heilige Geest werkt dus wel bij uitstek dóór mensen en in menselijke instituties. Vanuit deze gelaagde structuur is opeens ook duidelijk waarom de doop en de vergeving van de zonden na het geloofsartikel over de Kerk volgen. Slechts binnen de gemeenschap die voortkomt uit de Drie-enige God kan de doop en de vergeving van de zonden plaatsvinden. Zo valt nieuw licht op de uitspraak van de kerkvader Cyprianus (200-258): ‘buiten de Kerk is er geen redding’.

Van de Beek en Rikhof verwijzen meermaals naar het zogenaamde Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965). Dit is een oecumenisch concilie van bisschoppen waarbij ook protestantse waarnemers zoals de Gereformeerde theoloog Berkhouwer (1903-1996) aanwezig waren. Op dit concilie zijn fundamentele besluiten genomen voor de toekomst van de Rooms-Katholieke Kerk en de christelijke theologie in den brede. Deze besluiten zijn genomen met het oog op de zorgen van de moderne tijd en de betekenis van het protestantisme voor de Wereldkerk. Zo heeft de werking van de Heilige Geest weer extra de nadruk gekregen in de rooms-katholieke theologie. Ook is de plek, positie en het belang van de Heilige Schrift in de volkstaal extra benadrukt en zijn er vele liturgie-aanpassingen gedaan om de Schrift een minstens zo belangrijke plek te geven naast de Eucharistie. Doordat het Tweede Vaticaanse Concilie teruggrijpt op de periode van de Kerkvaders voor de scholastiek is er een indrukwekkende herbronning op de Schrift en de Kerkvaders tot stand gekomen.

Het is vanuit de betekenis van dit oecumenisch concilie dat Van de Beek en Rikhof positief tegenover toenadering en eenwording van de rooms-katholieke en protestantse traditie aankijken. Zo krijgen de verschillen in eucharistie en avondmaalsopvatting, de positie van Maria, de ambten, de plek van de traditie en de rechtvaardiging door het geloof een plek. Hierbij wordt veelvuldig gebruik gemaakt van protestantse documenten zoals de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. De teneur van het boek is een zoektocht van twee theologen naar de kern van het christelijk geloof en de eenheid waarom Christus heeft gebeden en toen heeft bevolen. Daarbij schuwen Van de Beek en Rikhof boute stellingen en stevige uitspraken niet. Zo stellen ze dat ‘zolang Luther en Calvijn niet worden heiligverklaard door de rooms-katholieken en de protestanten de bisschop van Rome niet erkennen als bisschop die leidinggeeft aan alle bisschoppen van de wereldkerk men het Symbool niet met een goed geweten kan uitspreken in de kerk’.

Wat is de relevantie voor onze tijd van dit boek?

Van de Beek en Rikhof zijn dus steeds in gesprek vanuit Nicea met de moderne tijd en de ontwikkelingen en gebeurtenissen daartussenin. De auteurs maken steeds een verbinding met de moderne tijd en geven hier veel voorbeelden bij. Een treffende vergelijking vond ik de verklaring van het eerste artikel uit de Geloofsbelijdenis: ‘De Almachtige Vader, Schepper van hemel en Aarde’. Hierbij wordt uitgelegd dat dit artikel in de geloofsbelijdenis is gekomen als reactie op een bepaalde ketterij die aangehangen werd door veel christenen in de eeuwen voor de totstandkoming van de geloofsbelijdenis van Nicea. In het jaar 140 leefde er een koopman aan de Zwarte Zee in het huidige Turkije genaamd Marcion (85-160 n. Chr.). Hij schreef het boek Tegenstellingen waarin hij beweerde dat de ‘wraakzuchtige’ God van het Oude Testament een andere God is dan de ‘liefdevolle’ God uit het Nieuwe Testament. In feite wilde Marcion Jezus losmaken van de Joodse JHWH. Deze ketterij werd zo groot dat de Kerk expliciet moest zeggen: ‘we geloven in de almachtige Schepper’. Van de Beek en Rikhof leggen goed uit hoe dit eerste geloofsartikel historisch tot stand is gekomen in de context van de eerste eeuwen. Vervolgens maken ze een toepassing voor onze moderne tijd waarin helaas onder veel christenen dezelfde ketterij, in een ander jasje, weer de kop opsteekt. Veel hedendaagse christenen hebben namelijk moeite met de almacht van God. ‘Hoe kan God toestaan dat er zoveel lijden is? Waarom grijpt God niet in? Zo is God niet’, zeggen sommige christenen ook nu. Met veel zorg en door een heldere uitleg proberen Van de Beek en Rikhof deze vragen serieus te nemen en van een antwoord te voorzien aan de hand van de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel. Het boek wil dus niet alleen theologen maar een veel breder publiek aanspreken. Te denken valt aan priesters, predikanten en ‘gewone’ gelovigen die zich willen verdiepen in de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel of de oecumene.

Waarom zou je dit boek gaan lezen?

Zoals reeds vermeld in de inleiding is Wij geloven geschreven met twee doelen: de uitleg en toepassing van het christelijk geloof, en de eenheid van de rooms-katholieke en protestantse traditie toegelicht vanuit de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel en de ontwikkelingen tussen toen en nu. Voor iedereen die geïnteresseerd is in een van beide thema’s is dit boek een aanrader. Het boek is uitnodigend geschreven en biedt de aanzet tot dialoog en verdere studie. Vanwege de heldere structuur is het bijvoorbeeld goed geschikt voor een studiekring. Wel miste ik een register met namen en verwijzingen, wellicht zou dit in een tweede druk meegenomen kunnen worden. Al met al hebben Van de Beek en Rikhof een huzarenstukje afgeleverd en al hun pastorale ervaring en theologische kennis samengesmolten tot een schitterend werk dat de moeite van het lezen meer dan waard is.

Maurits Potappel

[1] Symbool betekent ‘wat samen hoort’. Als twee partijen iets overeenkwamen dan werd een stuk aardewerk in tweeën gebroken. De losse scherven konden in elkaar gelegd worden door de twee partijen om de eenheid van de partijen aan te geven.

 

Wij geloven Bram van de Beek, Herwi Rikhof

Wij geloven van Bram van de Beek en Herwi Rikhof is een inspirerend theologisch boek over de hoofdlijnen van het christelijk geloof. De belijdenis van Nicea/Constantinopel is de meest klassieke samenvatting van het christelijk geloof. Het is ook de belijdenis die door vrijwel alle kerken in het Oosten en het Westen wordt erkend. Bram van de Beek en Herwi Rikhof leggen deze belijdenis uit vanuit hun eigen traditie, respectievelijk de protestantse en de rooms-katholieke. Ze vinden vooral veel wat hen bindt, waarbij de verschillen alleen nuances zijn. Een inspirerend en uitdagend boek, waaruit de diepe overtuiging spreekt dat de kerk één is.

 

 

button

Categorieën

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *