Het concentratiekamp als heilige ruimte door Bettine Siertsema

18 september 2020

Een artikel uit Herademing, nr 109, september 2020

Het concentratiekamp is in Europa deel geworden van ons collectieve geheugen. Kun je de plekken waar de kampen lagen heilig noemen? Heilig, waar zoveel geleden is, zoveel onrecht is aangedaan, de menselijkheid zo met voeten is getreden? Ja, juist daarom. En omdat er intens en op creatieve wijze gebeden en gevierd is. Het zijn monumenten die ons er blijvend aan herinneren dat er iets is dat mag en iets dat niet mag.

Een van de scènes die mij het best is bijgebleven van Harry Mulisch’ magnum opus De ontdekking van de hemel, is het bezoek dat een van de hoofdpersonen, Max Delius, brengt aan Auschwitz. Max’ moeder was daar vergast. Dat deel van de roman speelt in de jaren zestig, een tijd dat Auschwitz nog geen standaardbestemming voor Poolse touroperators was en er nog geen bussen vol toeristen naartoe reden. Max Delius moet er nogal wat moeite voor doen om er te komen en eenmaal daar, schroomt hij om er binnen te gaan. In plaats daarvan loopt hij om het kamp heen, in een moderne, individuele stille ommegang. Voor hem is het kamp een heilige ruimte, en het is taboe om die te betreden.

Wie tegenwoordig dat taboe doorbreekt, ervaart toch ook iets van die heiligheid. Ja, je moet de ruimte delen met toeristen in zuurstokroze vrijetijdskleding, die soms ook ongepaste selfies maken – in ruime mate te vinden op internet. Maar er heerst over het algemeen een ingetogen stilte die je als gewijd zou kunnen betitelen. Geen gelach of geflirt, geen ijslikkende tieners, geen rondrennende kinderen. Toen ik er was in de jaren negentig, was toegang voor kinderen onder de veertien zelfs verboden, en niet ten onrechte, lijkt me. Tegenwoordig schijnt het alleen een adviesleeftijd te zijn, maar ijs- en snackkraampjes zijn op het terrein nog steeds afwezig.

Twisten

Maar hoe heiliger een plaats, hoe meer aanspraak erop gemaakt wordt door verschillende groepen. Denk aan de Tempelberg, de Heilige-Grafkerk in Jeruzalem, het Ayodhya-heiligdom in India. Dat is met Auschwitz niet anders: het lijkt of er altijd wel ergens een conflict over is. De grootste controverses betroffen Poolse nonnen die vlakbij de ingang een klooster bouwden en een enorm houten kruis oprichtten, en de Poolse overheid die jarenlang de joden als slachtoffergroep niet apart benoemde, want waren de Poolse joden die daar omgebracht werden, niet Poolse burgers? Ook Nederlandse concentratiekampen kennen zulke twisten. Vorig jaar was er fel verzet tegen het voornemen om kamp Westerbork als startpunt te nemen voor een wandeling tijdens de Nacht van de Vluchteling, waarbij beledigingen, intimidatie en bedreigingen niet geschuwd werden.

Meestal gaat het er minder heftig aan toe. De vraag of de woning van kampcommandant Gemmeker geconserveerd moest worden, uitgerekend dit ‘dadererfgoed’ als het enige resterende authentieke gebouw van het hele kamp, was een dilemma dat met beschaafdere middelen werd opgelost. Van kamp Vught was het moeilijk de gelaagde geschiedenis recht te doen: een SS-concentratiekamp dat na de oorlog hergebruikt werd om Molukse ex-KNIL-militairen met hun gezinnen te huisvesten. Kamp Amersfoort is helemaal afgebroken, waarna het terrein werd gebruikt door een politie-opleidingsinstituut, terwijl de Nederlandse politie tijdens de oorlog nogal wat collaborateurs had geteld. Felle protesten waren het gevolg. Nu is het een nationaal monument en herdenkingscentrum, maar vrijwel zonder dat er resten van de oorspronkelijke bestemming bewaard zijn gebleven. Dat dergelijke controverses vaak zo gepassioneerd gevoerd worden is een aanwijzing voor de diepe emotionele band die betrokkenen met de plek in kwestie hebben. Het is voor hen in zekere zin een heilige plaats. Er moet zo mee worden omgegaan dat de herinnering waar die plek voor staat onaangetast kan blijven, ook als de plek zelf al lang niet meer onaangetast is.

Ontmenselijking

Toch voelt het vreemd om een concentratiekamp een heilige plek te noemen. Het is toch veeleer een ónheilige plek: een plaats waar zoveel wreedheid is bedreven, zoveel pijn is geleden, waar rechteloosheid en vernedering heersten. Die kun je als taboe behandelen, zoals Max Delius met Auschwitz deed, maar als heilig beschouwen? Het hele kampsysteem was gericht op de ontmenselijking van de gevangenen. Ook al waren die soms in staat zich daartegen te verzetten en hun menselijkheid hoog te houden met daden van onderlinge steun en hulp, met gevaar voor eigen leven, toch overheerst de herinnering aan de ónmenselijkheid wanneer we aan het kamp denken. Het staat voor de diepste diepten, het zwartste duister waartoe de mens getoond heeft te kunnen vervallen.

Een van de manieren waarop men een tegenwicht tegen de onmenselijkheid probeerde te vinden, was het in stand houden van zijn/haar religieuze identiteit. Niet voor niets waren religieuze bijeenkomsten in de meeste kampen streng verboden. Uitzonderingen waren Westerbork en Theresienstadt. Doorgaans was de kampleiding zich er zeer wel van bewust dat in de godsdienst een gevoel van eigenwaarde gevoed werd dat het kampsysteem juist beoogde te vernietigen, door de gevangenen te vernederen, te laten vervuilen, tegen elkaar op te zetten en moreel te compromitteren. In hun godsdienst vonden gevangenen daar een vrijplaats voor.

 

Troost en steun

Een enkele keer was er werkelijk een fysieke plek. Overlevenden van Dachau vertellen dat in barak 28, waar Duitse geestelijken ondergebracht waren, een kapel was ingericht. ’s Ochtends werd daar eerst een rooms-katholieke mis gelezen en vervolgens een protestantse morgenwijding gehouden. Voor mensen die niet zoveel op hebben met kerkelijke regels en voorschriften is het bijna grappig (of schrijnend, of absurd, net hoe je ertegenover staat) om te lezen hoe de predikanten daar zich het hoofd breken over de vraag of het hier wel een kerk betrof, en of er dus wel of niet avondmaal gevierd kon worden. Rooms-katholieke priesters prakkiseerden over dezelfde soort kwesties. Pater Govaert vertelt dat hij in kamp Amersfoort een brief van een collega kreeg die hem meldde ‘de voornaamste moralisten van het land’ te hebben geraadpleegd en dat die het erover eens waren dat een mis die opgedragen werd zonder misgewaden, misdienaar, kruisbeeld, ja zelfs zonder altaarsteen, evengoed geldigheid kon hebben ‘gezien de buitengewone omstandigheden waarin jullie verkeren, en  ’t grote communum bone’. Eventueel kon de mis zelfs zittend op de rand van het bed gecelebreerd worden, zoals Govaert uit de doeken doet in zijn memoires Ondergedoken in het concentratiekamp uit 1949.

Daarmee is al aangegeven dat er eigenlijk overal heilige ruimte kon worden ervaren in het kamp. Wanneer katholieke geestelijken beschikken over geconsacreerde hosties, illegaal het kamp binnengesmokkeld, lijkt soms zelfs het hele kamp als het ware geheiligd te worden. Door de communie worden immers ‘elementen van broederliefde en gerechtigheid, van verantwoordelijkheid en plichtsbesef’ onder de gevangenen gestimuleerd, zoals de priester Spronck overweegt in zijn Parochie in de hel. Voor anderen is het idee dat zij met de hosties dag en nacht ‘O.L. Heer’ bij zich dragen al een bron van troost en steun, en minder ethisch ingekleurd dan bij Spronck.

Schilkeuken

Protestanten creëren hun eigen individuele heilige ruimte in het gebed, want dat kan overal en zonder speciale rituelen plaatsvinden. Ook de joodse Etty Hillesum kent de kracht en de waarde ervan. Ze schrijft er in haar dagboek beeldend over: ‘Ik trek het gebed om me heen als een donkere beschuttende muur, in het gebed trek ik me terug als in een kloostercel (…).’ Het is dan 18 mei 1942 en ze is nog in Amsterdam, maar het zal later in Westerbork en Auschwitz voor haar niet minder geldig geweest zijn.

Over de inhoud van dat persoonlijke gebed wordt naar verhouding niet heel veel uitgeweid. Wanneer er in memoires over gesproken wordt, is het vooral in het kader van concrete gebedsverhoring, zoals bij dominee Overduin of de lekenpredikster Corrie ten Boom. Ook de advocaat Floris Bakels (en hiermee zijn dan meteen de bekendste drie protestantse schrijvers van kampmemoires genoemd) spreekt vrij uitvoerig over zijn gebedsleven, maar ook in kritische zin. Hij vertelt hoe hij eigenlijk een nog maar verse bekeerling was, mede dankzij het Nieuwe Testament dat zijn vrouw hem illegaal in de gevangenis van Scheveningen bezorgde, maar vooral dankzij een visioen van licht dat hij krijgt als hij na zijn arrestatie in wurgende angst op weg is naar Scheveningen. In die gevangenis raakt hij zo overtuigd van de bijbeltekst dat het geloof bergen kan verzetten dat hij met grote intensiteit bidt om het openen van zijn celdeur, om tot wanhoop te vervallen wanneer dat niet gebeurt. Het leidt echter niet tot verlies van zijn geloof. Hij duidt dat achteraf zelf aan als godsdienstwaanzin en beseft dat hij niet God zijn wil kan opleggen.

Je zou kunnen zeggen dat voor protestanten het woord drager is van dezelfde heiligheid als de hostie voor katholieken. Het – verboden – bezit van een bijbeltje was dan ook van onschatbare waarde en meestal liet men andere gelovigen er ruimhartig in delen. Er werd ook hartstochtelijk gesproken over het geloof, of misschien is gedebatteerd een betere term. Waar mogelijk gebeurde dat niet alleen ’s avonds maar ook tijdens de verplichte arbeid. In kamp Amersfoort waren veel predikanten tewerkgesteld in de schilkeuken, en Floris Bakels vertelt dat het daar ‘het theologenconvent’ werd genoemd. Al die discussies wekten bij katholieken maar bevreemding. En ook voor hedendaagse lezers is het nauwelijks te geloven dat zelfs in Dachau nog heftig gediscussieerd werd over de kwestie die ten grondslag lag aan de kerkscheuring die in 1944 in de Gereformeerde Kerk in Nederland zijn beslag kreeg (op zich trouwens  al een verbazingwekkende gebeurtenis dat dat toen, in die omstandigheden, gebeurde). In slaapzalen of buiten tussen de barakken werden soms kerkdiensten of evangelisatiebijeenkomsten gehouden, waarbij er steeds een paar mensen op de uitkijk moesten staan om te waarschuwen als er bewakers aankwamen. Sommigen, vooral de voorgangers zelf, ervoeren dan de aanwezigheid van de Heilige Geest, en je zou kunnen stellen dat op dat moment de slaapzaal of het veldje een heilige ruimte werd – maar er wordt toch niet in die termen over gesproken.

Spijswetten

Joodse auteurs laten meestal niet veel los over hun religieuze standpunten, maar de viering van de seideravond maakte vaak een onvergetelijke indruk. Natuurlijk lazen ze hun eigen situatie in het verhaal over de slavernij en onderdrukking in Egypte en de (gehoopte) verlossing daarvan. Een overlevende vertelt hoe zij als klein meisje dodelijk ziek was in Bergen-Belsen, april 1945, te beroerd zelfs om ‘au’ te zeggen toen er een pan op haar hoofd viel, en dat zij bij het horen zingen van Pesach-liederen het leven weer in zich voelde terugkeren. Een ander herinnert zich de seidermaaltijd die een kennis met groot improvisatievermogen op een onderbed met een aantal kinderen wist te vieren, met voedsel dat de ouders uit hun mond hadden gespaard, en welke ‘onwaarschijnlijk heftige emotie’ dat verhaal van de uittocht wekte. ‘Projectie van bevrijding. De mógelijkheid van bevrijding. Mijn hele identiteit als jood ligt dáár, op dat onderbed.’

Er waren dus collectieve vieringen van de hoogtijdagen, daarnaast hielden orthodoxe joden zich ook in het kamp zoveel mogelijk aan de religieuze voorschriften. Oscar Lehmann herinnert zich dat bij het eten in de kinderbarak een Duitse bewaakster het petje van zijn hoofd haalde. Hij hield op met eten tot de bewaakster verdwenen was en hij veilig met bedekt hoofd verder kon eten. Ook de spijswetten werden zoveel mogelijk gehandhaafd, al weet elke jood dat het leven heilig is en dat elke wet daar- voor moet wijken, dat men kortom niet gehouden is aan de restricties van de spijswetten als zijn leven op het spel staat. Maar onvergetelijk is het portret dat de schrijver Abel Herzberg in Amor fati schetst van de Noord-Afrikaanse schoolmeester Labi, die weigert de soep met paardenvlees te eten, omdat paardenvlees onrein is. Zijn medegevangenen dringen erop aan dat hij het toch zal doen, omdat hij al ernstig verzwakt is door de honger, en vragen hem waarom hij dat zo koppig blijft weigeren. Dan antwoordt hij: ‘Omdat er verschil is tussen rein en onrein.’ Herzberg duidt dat als ‘de eerste zin uit de menselijke beschaving’, ‘de erkenning dat er iets is, dat mag en iets, dat niet mag’.

Met het vieren van de feestdagen, hoe schamel de middelen ook waren, en met het handhaven van de spijswetten, al waren die in die omstandigheden niet vereist, konden joden ook in het concentratiekamp een heilige ruimte scheppen, één die niet gebonden is aan de grenzen van enige fysieke ruimte.

Mahnmal

Het concentratiekamp is in Europa deel geworden van ons collectieve geheugen, ook als we van (ver) na de oorlog zijn, ook als we niet tot een vervolgde groep behoren, ook als we van onszelf weten dat we niet zo moedig zijn en weinig tot protest en verzet geneigd zijn. Dat verleden heeft ons als Europeanen mede gevormd en maakt deel uit van onze gezamenlijke identiteit. Natuurlijk, het project Europa gaat uit van gedeelde economische belangen, maar komt toch ten diepste voort uit het besef dat een strijd als tijdens de Tweede Wereldoorlog (en trouwens ook de Eerste) ons continent nooit meer zou mogen verscheuren, dat voor het onrecht en de vervolgingen van toen nooit meer plaats zou mogen zijn.

Moeten wij het concentratiekamp, welk kamp dan ook, daarom als heilige ruimte beschouwen? Een plek om de doden te herdenken, ja, een museum, een educatief centrum, ja, maar heilige ruimte? Toch is het dat naar mijn overtuiging. Zeker als we het boven al het andere zien als een Mahnmal, zoals de Duitse term zo adequaat luidt. Een monument, een gedenkteken dat ons er blijvend aan herinnert dat er iets is dat mag en iets dat niet mag.

 

Auteursinfo

Bettine Siertsema is universitair docent geschiedenis aan de VU en is verbonden aan de Ekklesia Amsterdam. Zij promoveerde op  een studie naar de levensbeschouwelijke aspecten van Nederlandse egodocumenten over de concentratiekampen, Uit de diepten (Skandalon, 2007). Ook schreef ze Diamantkinderen, De Amsterdamse diamantjoden en de Holocaust (Hilversum, 2020).

Meer lezen?

Dit artikel kwam uit het tijdschrift Herademing. Het tijdschrift is hier te bestellen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *