Blijven ademhalen

18 november 2019

Deze lezing sprak Stefan Paas uit tijdens het symposium voorafgaande aan de Nacht van de Theologie op 16 november 2019. Het is een lezing over de toekomst van de theologie waarover hij ook een essay schreef: Zoeken naar het goede leven.

Dames en heren,

Als we het hebben over de toekomst van de theologie, dan moeten we het – lijkt me – eerst hebben over wat theologie doet. Wat is de unieke bijdrage van de theologie aan de samenleving? Ik zou zeggen (geenszins origineel): theologie heeft het over God. En dan bedoel ik niet dat theologen allerlei redeneringen en bewijsvoeringen opzetten waarmee ze aantonen dat God bestaat en dat geloven in God relevant is voor het verdienvermogen van Nederland. Een theoloog kan best zoiets een keer doen, maar dat is toch meer iets voor filosofen: argumenteren met het bestaan van God (of Gods niet-bestaan) als eindpunt. In feite begin je dan met mensen en wat ze allemaal kunnen bedenken en beargumenteren, en wat voor hen ‘nog’ mogelijk is om te geloven. En wie weet kan zo’n exercitie dan nog eindigen met een godsbeeld dat daarin past. Maar theologen eindigen niet met God; ze beginnen met God. De theologie denkt de werkelijkheid ‘vanuit’ God (sub specie Dei).

(lezing gaat verder onder de boekgegevens)


zoeken naar het goede leven stefan paas nieuw boek stefan paas

Zoeken naar het goede leven

Over zaken als God en geloof heeft iedereen wel een mening, stelt Stefan Paas in zijn essay. Onze diepste motivaties blijken zelfs religieus van aard. Het is volgens hem om die reden belangrijk dat er goee theologie is en blijft bestaan. Paas betoogt verder dat theologie aan de universiteit thuishoort. Hoewel theologen geen keiharde data leveren, helpen zij om de bronnen van onze cultuur te verhelderen en kritisch te doordenken.


vervolg lezing:

Graag pik ik hier de draad op waar ik die vorig jaar, bij het sluiten van de Nacht van de Theologie, liet vallen. Ik mocht toen een nachtgedachte uitspreken, in de vorm van een gebed.[1] Dat gebed kwam uit mijn tenen en het deed me goed om later te horen dat het veel mensen heeft geraakt. Ik hoopte daar iets te verwoorden, in een taal waarin generaties gelovigen weerklinken, van wat het betekent om ‘in God te zijn’, te ‘leven voor zijn aangezicht’, ons tot God te verhouden – meer nog dan ‘in God te geloven’. Op een bepaalde manier is het gemakkelijker je God voor te stellen als een reisbestemming: een plaats of persoon waarheen je op weg kunt gaan, naar wie je je moet uitstrekken. Maar wat als God niet zo is?

Vaak denk ik over u als over Nepal. Of Australië, Vuurland of Antarctica. Een ver land met woeste bergen of sneeuwwitte stranden, gletsjers en vulkanen. Een uitdagende bestemming.

Daar komt men alleen na een lange reis door verschillende tijdzones. Daar moet je je best voor doen: bagage pakken, inentingen halen, de Lonely, Lonely Planet doorkruisen.

Zo’n God waar je pas na een lange reis aankomt, zo’n God kan gemakkelijk weg zijn. Vertrokken. Onvindbaar. Te afgelegen voor normaal toerisme. Dood misschien. Begraven ergens ver weg, op een vergeten plek.

Maar wat als het waar is wat soms wordt gefluisterd: dat u dichtbij bent, dichterbij dan onze halsslagader? Dichterbij dan m’n ademhaling? ‘In God leven wij, bewegen wij, en zijn wij’, zei Paulus – toch geen man die opzag tegen reizen. Als hij aan u dacht, dacht hij blijkbaar aan een baarmoeder, niet aan Nepal.

Wat als u zo dichtbij bent dat we al te gemakkelijk over u heen schreeuwen? Zo dichtbij dat onze woorden u ongeloofwaardig maken, zoals onze adem direct begint te stokken als we er bewust aan denken en erover praten?

Zo nabij dat u uit beeld verdwijnt. Kun je je ogen zien? Je oren horen? Je hersens denken? Spreken over u?

Misschien zijn we vergeten dat we in u leven en zijn, in u spreken over u, alleen in u u kunnen verlaten, alleen in u niet in u kunnen geloven. Misschien zijn we ons te weinig ervan bewust dat elk woord aan u een woord is uit u. Gekend worden komt voor kennen, bemind worden voor beminnen. De diepte spreekt tot de diepte.

En zo, trouwe God, begin ik te denken dat u niet ‘terug’ bent. Want waarheen zou u gaan voor uw oog? Ging u in de diepte, u zou er zijn. Steeg u ten hemel op, u zelf zou daar zijn. Voor u en voor ons is er geen ontkomen aan u.

Wat betekent het dat alles ‘in God is’, wij dus ook; dat God is ‘alles en in allen’? Misschien betekent het dat het benoemen van Gods afwezigheid heel dicht bij het benoemen van zijn aanwezigheid ligt.[2] Zoals de zon ons pad alleen belicht als we hem in de rug hebben, niet als we er recht in kijken (C.S. Lewis). Zoals we ons zozeer onbewust kunnen zijn van onze ademhaling, zozeer daarop vertrouwen, dat we net zo goed hadden kunnen denken dat we niet ademen. Misschien is er, zowel individueel als cultureel, niet zoveel verschil tussen bepaalde vormen van atheïsme en bepaalde vormen van diep Godsvertrouwen. Dat zijn de momenten waar  woorden als ‘atheïsme’ en ‘geloof’ hun betekenis verliezen, omdat ze niet gáán over wat er dan gebeurt. Zoals een kind dat diep in slaap is soms zolang vergeet te ademen dat je het wilt aanstoten, wakker wilt schudden. ‘Hij geeft het zijn beminden in de slaap’.

Misschien liggen de problemen met Godservaring juist daartussenin, waar we op reis gaan, op zoek, waar we ons bewust worden van onze ademhaling zogezegd. Waar God een voorwerp wordt van debat, een zoekobject, de conclusie van een redenering. Dan kan de ademhaling gemakkelijk gaan stokken, we kunnen gaan hyperventileren, het leven van onze ziel wordt aangevochten. En laten we eerlijk zijn: voor verreweg de meesten van ons is dat dagelijkse realiteit. Misschien moeten we ongeloof evenals geloof zien als een zoektocht om dat moment terug te vinden waarin God zo nabij was dat hij er niet was. Misschien zijn alle manieren waarop we schrijvend, theologiserend, filosoferend, sociale structuren bouwend, ons omringend met mensen die ons steunen en bevestigen… al die manieren waarop we de herinnering aan of het verlangen naar die plek van totale overgave bolsteren, wel evenzovele manieren waarop we onze heimwee verhullen – heimwee naar volkomen afhankelijkheid of volkomen zelfstandigheid. Omdat degene van wie we elke ademtocht afhangen ook degene is die elke ademtocht volkomen vrij geeft, ‘om niet’.

En het wordt allemaal nog lastiger als zulke posities vertaald moeten worden in sociologie: in hokjes die aangevinkt moeten worden op een formulier – gelooft u in een persoonlijke God, een onpersoonlijke macht, weet u het niet, of gelooft u niet in een God? En daaraan worden dan weer percentages verbonden, en voor we het weten wordt de hele vraag naar God onderdeel van een cultuurstrijd. Vooruitgang of juist achteruitgang, conservatief of progressief, bijbelgordel of grachtengordel. Er valt dan ineens van alles te verdedigen, en te overschreeuwen. Onze reputatie, status, institutionele belangen raken ermee gemoeid. Wat dan sneuvelt, is het suizen van de zachte koelte, de twijfels, de fluisteringen in de ziel, de werkelijke ontmoeting, het eerlijke zelfonderzoek. De luchtwegen van onze cultuur raken verstopt. We raken vervreemd van de werkelijkheid.

Althans, zo ongeveer zou ik het zeggen als theoloog, een ‘God-spreker’. ‘In hem leven wij, bewegen wij en zijn wij’. Ook als het geloof ons niet gegeven is. ‘Alleen in u kunnen we u verlaten, alleen in u kunnen we niet in u geloven’. Als dat irritant is, als dat betweterig of imperialistisch overkomt – het zij zo. Ik kan de wereld niet vanuit twee posities denken – vanuit God en alsof God niet gegeven was (etsi Deus non daretur). Ik kan en moet mensen serieus nemen in hun ervaringen, en hen op geen enkele manier daarom minder achten, maar wat ik niet kan is doen alsof God er niet toe doet. Als iemand zegt dat hij prima kan leven zonder God, dan zeg ik ‘je kunt prima leven zonder geloof in God (en dat kan natuurlijk) – maar da’s wat anders’. Vergeef mij deze theologische parmantigheid, maar in de kern is dit volgens mij geen andere parmantigheid dan die van alle wetenschappen. Wij voelen ons ook zelden begrepen als we horen hoe we eruitzien door de bril van een socioloog of neurowetenschapper. Ik herinner me dat Dick Swaab, nadat hij Nederland ervan verzekerd had dat de vrije wil een illusie is prominent lid werd van het burgerinitiatief ‘Uit Vrije Wil’. Ik bedoel maar: van binnenuit begrijpen we onszelf doorgaans anders dan we er van buitenaf uitzien. Als theoloog kijk ik naar mezelf, anderen, de wereld ‘vanuit God’, en bij voorbaat mijn welgemeende excuses als dat irritatie oproept. 

Theologie spreekt dus vanuit God en in God – ‘met God mee’, zoals je met het licht van de zon meekijkt. En het zou zomaar eens kunnen zijn dat vandaag, in een samenleving waarin vrijwel alle institutionele plausibiliteit van God is weggevallen, het spreken vanuit God meer tot zichzelf kan komen. Juist omdat God zo nabij is dat hij telkens het verdwijnpunt dreigt te worden van alle perspectief, telkens onzichtbaar wordt in de dode hoek van onze cultuur. In elke cultuur gebeurt dat op verschillende manieren: in de ene door Gods fluistering te dempen met liturgische pracht en praal, theocratie en randschriften, cultuurstrijd en stoere publieke verklaringen over de maatschappelijke moraal, met heel veel spreken over God. In de andere door God simpelweg irrelevant te vinden, een hobby voor zonderlingen, iets van vroeger, een excuus voor patriarchale onderdrukking, en opnieuw: met heel veel spreken over God.

In beide culturen moet men voor het spreken vanuit God naar de randen toe, vermoed ik. Vroeger waren dat wellicht de vrijdenkers en de mystici, profeten en kluizenaars. Vandaag zullen dat mogelijk de vluchtelingen zijn en daklozen, de laatste bevindelijke gelovigen op de Veluwe, de onverwachte bekeerlingen, psychiatrische patiënten misschien, mensen die lijden aan de snelheid en leegte van consumptie en mobiliteit. Juist omdat Gods ongelooflijke nabijheid zo gemakkelijk niet gezien wordt, onopgemerkt blijft, is het altijd zoeken naar waar het culturele beton scheurtjes vertoont, naar plekken waar er minder haast is, minder behoefte of vermogen om gerespecteerd te worden, hip of cool te zijn. Mogelijk dat God daar tot fluistering komt. Of tot rauwe kreten, ook dat kan.

De toekomst van de theologie ligt volgens mij in dit samen denken en samen zeggen van ‘God’ en ‘wereld’, in het benoemen van de wereld ‘vanuit God’. ‘God alles en in allen’: dat lijkt me een inspirerend visioen voor de toekomst van de theologie.[3] Als ik dat iets concreter probeer uit te werken, denk ik aan al die beelden uit Jezus’ gelijkenissen: een zoon die thuiskomt, een bruiloft, een feestzaal vol gasten. Of uit het Oude Testament: een kind dat zonder angst speelt met een boa constrictor. Het gaat hier telkens om gemeenschap: herstelde relaties. Het gaat om een schepping die tot vrede is gekomen, als een kind dat rustig ademend en kraaiend van plezier ligt aan de borst van haar moeder.

Dit is het goede leven waarvan de theologie de verhalen en beloften binnenbrengt in een schepping die zucht, een wereld die hijgt en reutelt, constant adem te kort komt. Hier komen de scherpste vragen aan de orde waarmee de theologie worstelt. Hoe kunnen misdadigers en hun slachtoffers ooit samenleven in een verzoende gemeenschap? Hoe zit dat dan met recht en oordeel? Hoe voorkomen we dat liefde tal van ongerechtigheden te vroeg bedekt? En hoe voorkomen we dat de strijd voor de slachtoffers, de strijd voor recht, nieuwe slachtoffers maakt? Hoe ga je om met de ontdekking dat er geen rechtvaardige rechters zijn, geen objectieve oordelen, dat het kwaad in jezelf zit? Deze wereld zit vol idealisten, maar juist de idealisten kunnen zo snel anderen gaan zien als vijanden – die milieuvervuilers, die linkse activisten, die ‘anderen’. Hoe verhinderen we dat idealisme voor een betere wereld leidt tot demonisering van tegenstanders en nieuw onrecht voortbrengt? Hoe kunnen we vijanden hebben en hen tegelijk liefhebben?

Deze wereld komt ook adem te kort op andere fronten. Hoe kan dit ooit een schepping zijn waar arm en rijk een gemeenschap vormen die eerlijk is, rechtvaardig, en zonder jaloezie? Hier kun je ook denken aan generatiekloven, aan de afstand tussen mensen met en zonder handicaps. En aan dieren en andere wezens die zichzelf geen recht kunnen verschaffen.[4] En hoe kan dit ooit een wereld worden waar mensen uit verschillende culturen en talen samenleven? Hoe kan dat, onszelf kennen in onze eigenheid en vanuit dat wat ons uniek maakt – man, vrouw, Nederlander, Marokkaan, globetrotter, geworteld in het vaderland – en tegelijk maken dat dit niet meer verdelend werkt? Want in Christus is geen Jood of Griek, geen man of vrouw, geen heer of knecht.

Dit zijn de vragen waarmee de theologie worstelt, de vragen die zij inbrengt. Het goede leven kan op verschillende manieren verkend worden. Ik denk aan het grote gebod: de morele zoektocht om God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. Het is het eerste dat Jezus noemde toen iemand hem vroeg naar het goede leven. Dat is het grote gebod, en alles hangt daaraan. Wij zijn geschapen om lief te hebben, en onze toekomst is liefde of er is geen toekomst voor ons. Het leven herontwerpen als een school, een oefening in liefde, dat zou je een taak van de theologie kunnen noemen. Zo zie ik in elk geval het christelijk geloof (met de eerste christenen in het boek Handelingen): als een avontuur, een weg waarin we leren om lief te hebben, hijgend naar een vernieuwde schepping, als een hert verlangt naar water.

Het is ook een weg vol verhalen, verhalen die ons vormen en waaruit we putten. Die hele toekomst waarvan de theologie spreekt is een weg naar het Koninkrijk van God, en het is een weg waarover de schaduw valt van het Kruis. Die twee horen op mysterieuze wijze bij elkaar, en volgens mij kan iedereen dat zien die drie seconden nadenkt over die vragen waarover ik het net had: hoe kan dat, een gemeenschap van arm en rijk, van misdadigers en slachtoffers, van vreemdeling en inwoner? Er is geen vrede zonder conflict, geen bevrijding zonder exorcisme, geen gemeenschap zonder recht. De weg naar het Koninkrijk is verbonden met het Kruis: de omkering van verhoudingen, het oordeel over zonde en egoïsme, het aanbod van vergeving, de verklaring van onbeschrijflijke liefde).

Maar hoe brengt de theologie dit alles in? Natuurlijk via haar klassieke stiel: het openen van de Schriften, en mensen helpen om zichzelf voor de Schriften te openen. Ik denk aan het boekje dat vorig jaar de Theologie Publicatieprijs won, van Alain Verheij (God en ik). Of aan het mooie boek dat vandaag op de nominatie staat, Lezen en laten lezen van Arnold Huijgen.[5] Om te spreken vanuit God, om de ademhaling tot rust te laten komen, is het nodig met God mee te leven, te denken, te lezen. Noordmans zei ooit dat God alleen kon scheppen in een lege wereld, en zo lees ik ook het boekje van Huijgen: als een zoektocht om de ziel te ledigen om zo God te kunnen laten spreken. We hebben ons op allerlei eigenwijze manieren – vrijzinnig en fundamentalistisch – tegenover de Bijbel geplaatst om die te ontleden, te ontkrachten, te verdedigen of vast te spijkeren. Huijgen zoekt naar een mystieke omgang met de Schrift, ‘Gods verborgen omgang vinden’. Hij wil mensen helpen om weer ontvankelijk te leren lezen, om jezelf te laten lezen. Huijgen doet hier een pleidooi voor de ziel, niet als een soort luchtbelletje diep in ons, maar eerder als een manier van spreken over onszelf waarbij de nadruk ligt op ‘gelatenheid’, op afwachting en ontmoeting met God. Mijn ziel komt tot leven als ik mezelf ga zien als iemand die al omgeven is door God, door hem aangesproken, en als ik de oude woorden ga zien als het gezicht van God.

En toch denk ik dat de theologie zelfs hier niet tot haar kerntaak komt. Het openen van de Schriften gebeurt immers altijd onderweg, in de zoektocht naar het liefhebben van God en de naaste. Augustinus zei al dat niemand moet denken de Bijbel begrepen te hebben als hij door het lezen ervan niet liefdevoller is geworden. En dat onderweg zijn gebeurt altijd in gemeenschap: hoe wil je anders liefde leren? Maar dan lijken de boeken van Verheij en Huijgen me ook net iets te individueel, misschien zelfs niet iets te veel mannenboeken. In die zin dat de toch heel sterk gaan over een ‘ik’, een individu, dat met de Schrift bezig is – zoals veel van zulke boeken.

Als ik mijn twee centen in het zakje mag doen, zou ik zeggen: theologie is allereerst een experimentele wetenschap. Het unieke van de theologie is dat zij niet alleen een academische discipline is, maar ook verbonden met zoveel gemeenschappen waar miljarden mensen een geestelijk huis vinden. Dat is iets unieks, dat je niet vindt bij filosofie of geschiedwetenschap. En als theologie een experimentele gemeenschap is, zou ik zeggen dat de eerste taak van de theologie in de zoektocht naar het goede leven is: gemeenschappen stichten en begeleiden waar liefde geleerd kan worden: liefde geven en ontvangen. Hier ben ik geïnspireerd door iemand die in alle opzichten een tegenpool is van Huijgen en Verheij: de zwaar getatoeëerde, ex-verslaafde Lutherse dominee Nadia Bolz-Weber. Ik denk dat zij in haar boek Vrijspraak voor losers een lijntje uitlegt voor de theologie op weg naar de toekomst.[6]

Wat me opvalt in haar boek is in de eerste plaats het genre. Ik begon mijn verhaal net met een gebed aan te halen. Dat was niet toevallig. Als wij leven en bewegen ‘in God’, dan betekent dat ook een zoektocht naar passende manieren om te spreken over God. Elke vorm van spreken ‘over’ God, suggereert dan dat we onszelf even buiten God kunnen plaatsen. Maar Bolz schrijft niet analytisch; zij vertelt verhalen. Als het zo is dat wij nooit buiten de relatie met God kunnen staan, altijd in hem zijn, bewegen en leven, hoe kan dit dan anders beschreven worden dan in gebeden, liederen en verhalen?[7] De teksten moeten de ontmoeting bemiddelen, hem present stellen, ‘vanuit’ en ‘tot’ God spreken. Analytische, systematiserende vormen van theologie zijn dan bij uitstek altijd enigszins verdacht. We murder to dissect, immers?

Bolz vertelt niet alleen verhalen. Het zijn ook ‘faalverhalen’: zonder uitzondering zijn het verhalen van mensen die van hun pretenties worden ontdaan, mensen die mislukken. En dat geldt ook voor haarzelf. De heilige in dit boek is iemand die kapot is, mislukt, en die juist op die manier uitnodigt om nabij te zijn. Juist zo is de heilige ‘leeg’, en daarmee iemand in wie God tot spreken kan komen, tot scheppen wellicht.

Daarmee hangt direct samen dat dit een boek is dat van begin tot eind gaat over gemeenschap. Het zijn verhalen van mensen die bij elkaar komen, aan elkaar verbonden raken, omdat ze uiterst kwetsbaar durven zijn en elkaar uitnodigen, de ruimte geven om net zo kwetsbaar te zijn. Voor Bolz gebeurt dat in de ruimte van de liturgie: een gemeenschap die zich aansluit bij generaties biddende en zingende mensen voor hen en vragen ‘Heer, ontferm u’. Voor Bolz heeft dat niet zoveel te maken met geloof, zoals wij dat vaak verstaan: een soort beaming dat het waar is, dat God bestaat, dat Jezus’ bloed ons redt, enzomeer. Ze zegt: ‘Ik geloof in genade, omdat ik genade ervaren heb door het verhaal van Jezus en in het ontvangen van de eucharistie en de puinhopen van in gemeenschap zijn met andere christenen’. De zaligheid is bij Bolz altijd geïncarneerd; het wordt vlees in anderen. God wordt voor Bolz geopenbaard in andere mensen, maar niet zomaar: het gebeurt waar de pretenties wegvallen, waar we ons meest kwetsbare, afhankelijke, hulpeloze en huilende zelf zijn. Daar ontstaat de ruimte voor een omhelzing, voor gebed, voor troost. ‘We kunnen niet op ons eentje christen zijn’, zegt Bolz.

De waarheid van God en van Jezus en van de Geest zijn ervaren waarheden. Ik heb gemerkt dat het waar is, zegt Bolz, en de enige manier waarop ik sense kan maken van mijn ervaring is via dat verhaal van Jezus. Ideeën, leerstellingen op zichzelf kunnen haar niet zoveel schelen, maar zij fungeren als zoekopdrachten: ze helpen haar om licht te laten schijnen op ervaringen, concrete dingen, lichamen, mensen. ‘Het evangelie helpt ons bij uitstek om ideeën in het stof van de ervaring te plaatsen, op een manier die betekenis geeft aan wat er concreet gebeurt in ons leven’.

Als het de toekomst van de theologie is om een naar adem snakkende cultuur te begeleiden in de richting van de toekomst, dan denk ik dat we de ziel moeten brengen in gemeenschappen waar de zaligheid geoefend kan worden. Mensen helpen om voortdurend de oude teksten te lezen en zich door die teksten te laten lezen, en tegelijk dit doen in gemeenschappen van mensen die volstrekt eerlijk durven zijn naar zichzelf en elkaar. Steeds gaat het om het wegvallen van de controle, de overheersing van techniek waarmee we zowel de Schrift als de ander op afstand houden. Steeds staat het leven voorop, de weg en de leerschool van de liefde. Niet de analyse bepaalt de werkelijkheid, maar de werkelijkheid – de onmiddellijke ervaring en ontmoeting – wordt begeleid door de theologie die haar kan verhelderen en in een groter verhaal plaatst. En het is al heel mooi als dat af en toe lukt, laten we daarin ook eerlijk zijn.

Theologie zoekt in die zin naar het overbodig maken van zichzelf. Zij probeert ruimte te maken voor ontmoetingen: met ons diepste zelf, met de Schrift, met anderen in hun kwetsbaarheid – en vertelt er dan verhalen bij. In zulke gemeenschappen komt God tot spreken, wordt zijn fluistering hoorbaar, en in zulke gemeenschappen groeit het verlangen naar het rijk van God.

Stefan Paas, Theoloog des Vaderlands 2018-2019) is hoogleraar missiologie en interculturele theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en hoogleraar missiologie aan de Theologische Universiteit te Kampen.


[1] https://www.lazarus.nl/2018/10/nachtgedachte-stefan-paas/

[2] Hier refereer ik aan hoe Denys Turner de ‘theologische onderneming’ van de christelijke mystieke traditie van de middeleeuwen noemt (die op haar beurt put uit Dyonisius de Areopagiet en Augustinus), als ‘a rhythm of affirmation, negation, and the negation of negation’ (p. 268). Turner beargumenteert dat het moderne gebruik van deze traditie is gericht op het vinden van wegen (of zelfs methodes) naar het ervaren van God, terwijl zij juist is gericht op een dialectisch patroon van ervaring en ontkennen van ervaring. ‘In this hierarchy of affirmation yet again denied, is all the wealth of Christian knowing, ascending towards God in a pattern of simplification, from more words to fewer, from complexity and richness to austerity and simplicity, from more words to fewer, from speech to silence’ (p. 270). Zie Denys Turner, The Darkness of God: Negativity in Christian Mysticism, Cambridge University Press: Cambridge 1995.

[3] Ik sluit me hier aan bij een recent boekje, van Miroslav Volf, Matthew Croasmun, For the Life of the World: Theology That Makes a Difference, Brazos: Grand Rapids 2019.

[4] Denk hier aan Laudato Si waar Fransiscus deze perspectieven bij elkaar trekt als hij het heeft over de klimaatcrisis.

[5] Arnold Huijgen, Lezen en laten lezen: Gelovig omgaan met de Bijbel, KokBoekencentrum: Utrecht 2019.

[6] Nadia Bolz-Weber, Vrijspraak voor losers: Ieder mens kan zowel zondaar als heilige zijn (vert. Daan Savert), Kok: Utrecht 2018.

[7] Voor meer reflectie op genres van God-talk (het spreken tot en van God die altijd present, tegenover, in relatie is), zie Jean-Louis Chrétien, L’Arche de la parole, Epiméthée: Paris 1998.


Categorieën

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Boekenwereld
Voor de verkoop van onze producten werken wij samen met boekenwereld. Hierdoor bestel je betrouwbaar en gemakkelijk bij een online boekenwinkel die in bezit is van het keurmerk van de Thuiswinkel. Hier vind je meer informatie of veelgestelde vragen over het bestellen bij boekenwereld.