Geen categorieOverige

Dag 5 – Zuiver water uit de Rots

Lezen: Ezechiël 34:10-16 en Mattheüs 25:31-46

Paus Leo weer. De grote. Sint nog al liefst. Ik voel iets voor die man. Al was hij de eerste bisschop van Rome die het pausschap mystiek baseerde. Het is te vergeven, want hij moet het gevoel hebben gehad, dat er iets te bewaren viel, een erfenis, de Romeinse beschaving toch, hoe dan ook, een verdedigbaar goed. De Latijnse vrede, vroeger in heidense handen, maar nu door Gods goedheid berustend op een ander gezag. Het zijne. De man moet er zelf door overweldigd zijn geweest en wie weet was hij er wel deemoedig onder. Ik kom hem weer tegen, omdat het onder of omstreeks zijn bewind moet geweest zijn, dat de lezingen voor deze maandag, de dag na zondag Invocabit, gerangschikt zijn. De keus viel op Ezechiël 34 vss 10-16 en Mattheüs 25 vss 31-46. Dat wil zeggen, dat tweemaal de voleinding ter sprake wordt gebracht, eerst in het beeld van de herder die zijn schapen bij elkaar brengt overal vandaan en daarna in het beeld van de koning die het oordeel spreekt, zoals de herder scheiding maakt tussen de schapen en de bokken. Bij de profeet gaat het om schapen die zijn verstrooid, die hebben geleden, die slachtoffer waren. Bij de evangelist gaat het om mensen die goed of kwaad hebben gedaan, al dan niet de Heer hebben gediend in de minste van zijn broeders. Bij de profeet gaat het om wat geleden is, bij de evangelist om wat er gedaan is.

Je zou je kunnen voorstellen dat de slachtoffers uit de eerste lezing, de schapen van Ezechiël, zijn vervolgd door de bokken van Mattheüs, die naar des konings linkerhand worden verwezen, – maar dat de tot hun eigen verbazing in het oordeel aangenomen ‘schapen’ van het evangelie alleen maar medeschapen hebben willen zijn voor de profetische schapen uit de eerste lezing. We vinden hier weer, zegt nu de bijbelkenner plechtig, de twee criteria. Enerzijds is er geen andere grond voor de zaligheid dan Gods vrije genade, anderzijds is er het oordeel op grond van goed en kwaad dat men gedaan heeft. De gelovigen hopen op het eerste maar vrezen het tweede, de niet-gelovigen zouden zich dan vooral (als ze er al van wisten) op het tweede kunnen beroepen.
Hoewel, dunkt mij, de genade van die Herder-god uit de eerste lezing voor hen net zo goed zou kunnen gelden en wel zo hoopvol is. Er staat immers bij de profeet niets van geloof of ongeloof, de Herder maakt zelf wel uit wie zijn schapen zijn. Als er enig onderscheid is waaraan wij houvast hebben, dan is het natuurlijk de profetische veronderstelling dat het de schapen van de schaapskooi der synagoge zijn die naar hem luisteren. Ezechiël heeft ook nooit kunnen weten dat er meer niet-Joden (zogenaamde ‘christenen’) naar zijn woorden zouden luisteren dan kinderen van Israel. Het lijkt mij pia fraus om zijn profetie nu zo maar voetstoots over te dragen op ons, op de kinderen van de kerk, gelovigen (nu ja) uit de ‘volkeren’.

Als dit woord van zoveel eeuwen terug nu nog profetische gloed heeft en warmte verspreidt onder de as van de geschiedenis vandaan, dan mogen allereerst de Joden zich aan die gloed warmen. Maar meteen bedenk ik weer, dat het hachelijk is, aldus te spreken. Want het Israel dat zich alleen op nationalistische gronden Israel noemt en woont op de bergen van Judea en Samaria en Galilea, mag dát Israel zich meester maken van deze tekst uit de tijd van verbanning en vervolging? Keert dan de profetie zich niet, met de wendbaarheid die profetieën eigen is, naar anderen? Zijn het onderdrukte indianen in Bolivia bijvoorbeeld die door de Herder nu als Israel zouden worden beschouwd? Niet omdat de God van Israel zijn volk zou verstoten hebben, maar omdat hij vasthoudt aan de symboolfunctie van die kudde, – dat namelijk alle slaven in de slagschaduw van alle faraonische hoogbouw zich zouden moeten kunnen herkennen in dat Israel van de tora, van het pascha? Symboolfunctie, het is een akelig woord, een intellectuelenterm, maar ik bedoel het letterlijk: dat mensen her en der zouden samenvallen, sym-ballein, met het Israel van de belofte, van de profetie! – En dan betekent die eerste lezing, uit Ezechiël, dat JHWH op alle slachtoffers uit is, dat de profetie toepasselijk is in Latijns-Amerika net zo goed als in het Jodendom van (nog steeds) de diaspora, het Jodendom dat onder druk staat. Dan betekent die profetie, dat wij voor Joden en indianen, geronselde gastarbeiders en tobbende derdewereld-volken, grazige weiden mogen verwachten, groen gras, het vette der aarde. Nee, meer dan dat: verwachten en wensen niet alleen, maar opeisen als hun goddelijk recht. En als we ze integendeel laten verkommeren in de steppe, dan maken we een gerede kans, evangelisch als ‘bokkig’ bestempeld te worden. Maar dat brengt niet mee, dat we zomaar de ‘zegeningen’ van ons onbekeerde Westen aan die mensen moeten opdringen, door middel van een economie die ten slotte niets dan eigenbelang is. Veeleer moeten we die schijn-oase van ons ontmythologiseren. Het is immers niets dan een Kibrot-Taäva, een massagraf van begeerte!*).

We zullen bereid moeten zijn opnieuw te gaan pelgrimeren; we moeten weer leren in woestijntermen te denken, manna te verwachten, Mozes te volgen. Ook voor politici en economen is de tora onuitputtelijk, een bron van wijsheid. Maar zoals dat gaat, toragewijze, die bron ontspringt uit de rots. Politici en economen, maar zij niet alleen, theologen zelfs, die beter moesten weten, slobberen liever uit de Nijl dan het zuivere water te zoeken bij de Rots. En toch welt uit de harde steen van het pelgrimslogboek de bron van wijsheid.

*) zie Numeri 11 vs 34v., 33 vs 16v., Deuteronomium 9 vs 22

Bron: Willem Barnard. Stille omgang. Notities in het dagelijks verkeer met de Schriften