Geen categorieOverige

Van Advent naar Kerst – dag 1

 

 

 

Zondag I Advent

De nacht loopt ten einde
De nacht loopt ten einde,
de dag komt naderbij!
Het volk dat woont in duisternis
zal weten wie zijn heiland is,
Onverwacht komt van heinde en ver
de mensenzoon, de morgenster.
Tekens aan sterren, zon en maan,
hoe zal de aarde dat bestaan?
Zo spreekt de Heer: verheft u vrij,
want uw verlossing is nabij.
Wanneer de zee bespringt uw land
en slaat u ’t leven uit de hand,
weet in uw angst en stervenspijn:
uw dood zal niet voor eeuwig zijn.
Ziet naar de boom die leeg en naakt
in weer en wind te schudden staat,
de lente komt, een twijg ontspruit,
zijn oude takken lopen uit.
Een twijgje, weerloos en ontdaan,
zonder gestalte, zonder naam.
Maar wie gelooft verstaat het wel,
dat twijgje heet Emmanuël!
Die naam zal ons ten leven zijn,
een zoon zal ons gegeven zijn.
Opent uw poorten metterdaad,
dat uw Verlosser binnengaat.
de nacht loopt ten einde,
de dag komt naderbij!

Huub Oosterhuis

Speurend naar een geschikt gedicht voor het begin van de adventsweken dacht ik ineens aan een lied van Huub Oosterhuis, een van zijn vroege kerkgezangen, wij hebben het in de jaren zestig al veel en met verve gezongen.
Liefst van al op de eerste zondag van Advent, als naar aloud gebruik het evangelie wordt gelezen uit Lukas, hoofdstuk 21 vss 25-33. Dat evangeliestuk sluit aan op de herfstlezingen, vergelijk het maar eens met Mattheus 24 vss 15-35, de laatste van die herfstlezingen, de overeenkomst is treffend. In beide is sprake van de ‘zoon des mensen’, in beide staat van tekens aan sterren, zon en maan. Advent sluit ook van oorsprong nauw aan bij de herfstlezingen, het besef van ballingschap en het verlangen naar een ware Dageraad wordt in die weken voor Kerstmis niet gesust of overstemd, het komt steeds krachtiger ter sprake, het wordt des te sterker betrokken op de komst, de Toe-komst van de Heer.
Let nu eens op dat lied van Oosterhuis. Het eerste wat je opvalt is dat refrein: de nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij. Om daar een adventslied mee te beginnen, ja, om daar de adventstijd mee te beginnen, het is een vondst. En het wás ook een vondst, in de letterlijke zin van het woord. Oosterhuis heeft die regel niet verzonnen, hij heeft het kant en klaar zo gevonden en wel in een boek dat hem als roomse jongen, als priesterstudent, vertrouwd was. Al lang voor de oorlog was er een ‘volksmisboek’ in omloop, de paters Benedictijnen van Affligem gaven het uit. Ik heb de twaalfde druk voor me, uit 1961 en ik blader er in. Daar staat: Advent, eerste zondag, helemaal vooraan. Het epistel voor die dag, Romeinen 13 vss 11-14. Het oude kerklatijn staat in de linkerkolom, rechts ernaast de vertaling in het Nederlands. Nox praecessit, dies autem appropinquavit, zo zegt de Vulgata, de verlatijnsing van de Griekse tekst, zeer nauwgezet woord voor woord overgezet. En ernaast lees ik dan: De nacht loopt ten einde, de dag komt naderbij.

Precies zo heeft de jonge priester-student het gelezen en met het instinct van de dichter heeft hij die regel uit de epistellezing gehoord als een versregel, heeft dat zinnetje losgemaakt van de rest en tot keervers gemaakt van het lied dat zich in hem begon te roeren. Wie de tekst strofe voor strofe, regel voor regel, volgt zal telkens de bijbelplaatsen herkennen. Het volk dat woont in duisternis, dat meteen al, het is natuurlijk de belofte waar Jesaja’s negende hoofdstuk mee opent. Schulte Nordholt zal er de titel van zijn boek over de zwarte slaven aan ontlenen, maar hij is bij de Statenbijbel grootgebracht, een gereformeerde jongen, en hij schrijft: het volk dat in duisternis wandelt… Hoe komt Oosterhuis trouwens op die Jesajatekst?

Nu ja, nooit wordt er zoveel uit de profeet Jesaja gelezen als in deze weken, het laatst van het jaar, de duisternis in en het licht tegemoet. Maar bovendien, in dat stukje brief van de apostel, jaarlijks voorgelezen bij de aanvang van die paarse tijd, horen wij de waarschuwing, dat we moeten ophouden met ‘duistere praktijken’, met ‘werken der duisternis’. En die duisternis heeft in het hoofd van die ene kerkganger, die bestemd (inderdaad: be-stém-d!) was om vóórganger, voorzánger, te worden, ge-echood. Het ene woord haalt het andere uit! Op de kerstmorgen zal Jesaja 9 worden voorgelezen, dat waait hem al tegemoet. Het volk dat woont in duisternis… en daarmee is eigenlijk de vorm van het gedicht al gegeven, het is de vorm van de aloude hymne. Zo heeft de kerk al gezongen in de eerste eeuwen, verreweg de meeste van die hymnen hebben deze regellengte.

Psalm 134 uit het Geneefse psalter, uit de protestantse rijmtraditie, is er nog een voorbeeld van. Korte regels van vier stappen: Gij díenaars áán de Héér ge-wíjd. En: het vólk dat wóónt in dúis-ternis ! Vier regels hebben die strofen en de rijmen paarsgewijze, twee aan twee, a-a en b-b.

Zo zie je zo’n strofe geboren worden. Jesaja 9 gaat verder over de komst van een redder, een prins, een ware gezagvoerder. Het volk dat woont in duisternis / zal wéten we zijn heiland is. En daar tuimelen de associaties en de invallen al over elkaar heen. De zoon des mensen – dát staat in het evangelie van deze zondag I Advent, het evangelie dat na het epistel wordt voorgedragen. In Lukas 21 vs 27 staat dat geheimzinnige woord. De mensenzoon. Hij is een mensenkind, maar hij is méér dan een gewóón mensenkind. Het is niet zomaar een jong van het mensengeslacht, niet zomaar een welp van humaniteit. Hij is de Zoon des mensen, nieuw begin van Adam. Uit weer een ander profetenboek komt die term, een profeet die veel wordt geciteerd gedurende de weken aan deze zondag voorafgaand.

Het is de profeet Daniël. Juist in zulke evangeliestukken als dat van Lukas en eerder al dat van Mattheus, hierboven vermeld, voel je de invloed van dat boek Daniël. Het is in de tijd van Jezus en de apos-telen erg veel en erg aandachtig gelezen, want het ging over de moeite die het kost om niet te worden meegesleept door culturele wervelwinden en politieke stormen die zelfs kunnen oplopen tot een ‘gruwel der verwoesting’, perverse afgoderij, aanbidding van tyranniek geweld, lees maar Mattheus 24 vs 15 en vervolgens.

Hoe mooi staat daar in dat lied náást de mensenzoon dat andere woord, óók een titel voor de Toe-komstige, óók een messias-naam: de morgenster. En als je toch je bijbel er bij hebt gepakt, zoek dan eens op: II Petrus 1 vs 19 en Openbaring 22 vs 16. Mensenzoon en morgenster, het allitereert en het assoneert, – maar nu spreek ik puur technisch, letterkundig. Dat hoor ik meteen, als vakgenoot, als kunstbroeder. Maar als ‘broeder in de Heer’ zeg ik erbij: geef nu maar toe, dat die vaak bij strenge protestanten gewantrouwde priester- dichter Oosterhuis door en door thuis is in de Schriften! De eerste strofe maakte dat al duidelijk, de tweede en de derde en de vierde en heel de rest bevestigen dat alleen maar. Wij hoorden Jesaja en het evangelie al samengaan in die eerste strofe. Over dat evangelie gaat het nu verder, je kunt het op de voet volgen. Lukas 21 vs 25-26 in die tweede en derde strofe. De sterren, waar men zijn menselijk lot in las en nog leest. Die allereerst. Machtsconstellaties, onafwendbare tekens, naar men meent. En dan de zon. Dat is niet een vurige planeet, zomaar, iets voor zonne-energie en weerberichten en mededelingen voor land- en tuinbouw. Dat is het symbool van alle macht die opgaat, blinkt, verblindt en schroeit, al gaat die hooggezeten macht er altijd prat op dat ze leven bevordert en alleen naar het goede beoogt. Maar dat zei de farao al en hij noemde zich Ra-mses, zonnezoon. De caesar zei het en hij heette Augustus en zat in het zenith. Die Franse koning die mijn voorouders verdreef uit Frankrijk liet zich zonnekoning noemen, roi soleil. En de ‘gruwel der verwoesting’ die de stad van mijn jeugd moedwillig in vlammen deed opgaan, had als embleem een zonnesymbool: de swastika, het hakenkruis. Dat alles ‘is’ de zon. Maar dan verder. De maan. Ook de maan is meer dan die schitterend-witte schijf, ijskoud in de winternacht.

De maan heeft te maken met maan-den, met menses en met menstruatie. De maan heeft te maken met vruchtbaarheid, met voortgang van menselijk leven! In ál die kosmische termen gaat het om voortbestaan of ondergang van mensheid en, vooral, menselijk-heid. Want die wordt op de proef gesteld. Machten die tegen de schepping ingaan, komen op als een vloed. Hoe zal de aarde dat bestaan! Het evangelie verbindt dat geding van onze ‘survival’ met de zaak van de Messias. En het lied doet dat ook. Vandaar, dat het begint te zingen, in de vierde en vijfde strofe, over de goede tekenen, voortekenen van een goede toekomst, een nieuwe lente. Het lijkt, alsof die voortekens niet méér betekenen dan een leus op een vredesdemonstratie, een vrome wens, een badge op de borst van een welmenende goeierd. Maar zo was het toch altijd? Jesaja (hoofdstuk 11) heeft het al over een heel klein tekentje ten goede, een sprietje uit een omgehakte boom! Het evangelie heeft het ook over een boom, over ‘de vijgeboom’ onder andere, maar een bloeiende vijgeboom, dat betekent een gemeente die messiaanse levenstekenen geeft. Die levenstekens zijn nooit overweldigend en machtsverheffend, die zijn altijd zonder gestalte, zonder naam, ze hebben altijd te maken met de lijdende knecht. Jesaja weer! Zie maar Jesaja 53. Weerloos en ontdaan is dat sprietje, dat twijgje, het tegendeel van christelijk triomfalisme. Maar wie gelooft verstaat het wél. Dat twijgje heet Emmanuël. En dat staat in Jesaja 7 vss 14.
Werkelijk, heel de Advent schuilt in dit lied. Heel een zondagsdienst met profetie, epistel, evangelie. En het eindigt met woorden die aan een psalm ontleend lijken. Aan psalm 24 (vss 7 en 9 bijvoorbeeld).
Of aan psalm 118 (vss 19-20). Gezegend die daar komt in de naam van de Heer. De kinderen zongen het in Jeruzalem bij de intocht van de man op het ezeltje.
En wat lezen op deze zondag de ouderwetse Anglicanen en Lutheranen? Het verhaal van de intocht! Mattheus 21 vss 1-9.

Je zult me moeten toegeven, schriftgetrouwe lezers, het is een schitterend voorbeeld, dit lied van de jonge Oosterhuis, van echte bijbelkennis. En meteen een bewijs, hoe actueel en ter zake die aloude liturgische tradities zijn, mits goed gelezen en nieuw verstaan. Bernard Huijbers schreef er een meeslepende melodie bij. En het hele lied, tekst én muziek, staat als no. 115 in het Vlaamse kerkboek.
Zingt jubilate.

Bron: Willem Barnard, Stille omgang