Geen categorieOverige

Ziekte doorstaan

Margot Kässmann, de bekendste theologe van Duitsland op dit moment, sprak 26 januari 2013 in Amsterdam ter gelegenheid van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van haar boek ‘Midden in het leven‘ op een mini-symposium over ‘De midlife blues – het beste komt nog’.

De toespraak die ze hield hebben we opgenomen. We publiceren haar toespraak de komende weken in vijf delen van elk ca. 5 minuten. Elke video is voorzien van ondertiteling (kunt u aanzetten door te klikken op ‘het envelopje’ rechtsonder de video). Leest u liever? Dat kan, onder elke video treft u de uitgesproken tekst aan.

Aansluitend publiceren we de reacties van  Lodewijk Dros chef redactie Letter en Geest bij Trouw en Maartje Wildeman (predikant in de Protestantse Gemeente Oudemirdum Nijemirdum Sondel).

Onderstaande video is de derde video in de reeks.

Hieronder kunt u de tekst nalezen die Margot Kässmann in deze video uitspreekt:

Toen ik de diagnose ‘borstkanker’ kreeg, ben ik meteen begonnen met het maken van aantekeningen, omdat ik dacht: het is belangrijk om deze periode heel bewust mee te maken. Wat nu volgt zijn fragmenten uit de aantekeningen van de eerste dagen…

25 augustus 2006. Houston, we have a problem! Diagnose borstkanker. Vreemd, het dringt tot nu toe amper tot me door. Het is nu kwart voor vier. Om 11 uur was ik bij de gynaecologe, routineonderzoek. Ze tast mijn borst af en zegt dat ze graag een echo wil laten maken. Daarna wil ze dat er een mammografie gemaakt wordt, er is weefsel dat er niet hoort. ‘Oké’, zeg ik, ‘volgende week kan ik niet, maar begin september…’ Zij zegt: ‘Mevrouw Kässmann, ik wil dat u dat nu, vandaag nog, laat doen.’ Ik ken haar al zeven jaar en ze is niet het type dat je iets wil opdringen. Ze vraagt haar assistente na te gaan tot wanneer de afdeling Radiologie open is. Op vrijdag gaan ze om één uur dicht, dus als ik er om half één kan zijn…

Nou ja, wat maakt het uit, ik pak m’n fiets, haal nog wat boodschappen en breng ze thuis, zeg op kantoor dat ik weer weg moet en peddel naar Radiologie. Fantastisch, hypermodern gebouw! De foto’s worden ontwikkeld en op een lichtbak bevestigd. Een dokter komt binnen en stelt zich voor: ‘Mijn naam is dr. P. Hé, ik ken u van gezicht!’ Hij wijst op de foto’s aan waar de plek zit. Een wonderlijke cirkel die me een beetje doet denken aan een wervelwind. Ook hij wil nog een echo laten maken. Daarna gaan we terug naar de ruimte waar de foto’s hangen. ‘Het is een tumor’, zegt hij, ‘en die moet zo snel mogelijk verwijderd worden.’ ‘U bedoelt dat het kanker is?’ vraag ik. ‘Ja’, zegt hij, ‘op basis van mijn ervaring denk ik dat dit kwaadaardig is, maar ik ben slechts de radioloog.’ ‘En wat betekent dat?’ vraag ik. Hij: ‘Misschien doen ze nog een punctie, maar een operatie wordt het zeker. Waar en door wie, dat kunt u beter met uw gynaecologe bespreken.’ ‘En wat gebeurt er daarna?’ vraag ik. ‘Chemotherapie?’ – ‘Daarvoor zult u dan zelf een keuze moeten maken’, vindt hij.

Dit gesprek verloopt volkomen zakelijk en rustig. Dr. P. vraagt me om nog even te blijven zitten, hij wil de aantekeningen in mijn dossier verwerken zodat ik het meteen kan meenemen. Na tien minuten komt hij terug en zegt: ‘Ik heb met uw gynaecologe gebeld, ze wil dat u nu meteen nog even bij haar langskomt.’ Ik neem afscheid, pak mijn dossier en bel naar de artsenpraktijk. Ik weet dat de arts om één uur naar huis wilde gaan. Maar er wordt me gezegd dat ze op me wacht en dus fiets ik er snel heen. Ze bekijkt het dossier en zegt dat het een tumor is van ruim een centimeter doorsnee. Het is mogelijk een borstsparende operatie te doen, maar het moet wel ‘zo snel mogelijk’. Ze noemt de naam van een ziekenhuis. ‘Ik heb hier eigenlijk helemaal geen tijd voor’, zeg ik. ‘Hoe lang duurt zoiets?’ Zij legt uit: ‘Binnen een week mag u naar huis. Daarna volgen chemotherapie en bestraling. – U moet rekenen op twee maanden.’ En op dat moment gaat dat ene bioscoopzinnetje door mijn hoofd: Houston, we have a problem! Ik denk aan mijn agenda voor september die we net gisteren hebben doorgenomen. Hoe moet dat nu? Ik heb een vaste toezegging gedaan voor een tv-optreden, ik heb de generale synode, een classisvergadering, een toespraak. En, en, en… Intussen zegt dr. W. dat ze zal proberen zo snel mogelijk een afspraak voor me te maken, ze zal me op mijn mobiele telefoon bellen.

De gynaecologe belt, ik kan maandag om 10 uur in de kliniek terecht om de onderzoeksresultaten te bespreken en afspraken te maken voor de operatie, de chemokuur en de bestraling. Ik denk na – maandag wordt ik in Berlijn verwacht voor een radio-opname, een ontmoeting van de kerkleiding met het partijbestuur van de SPD en een gesprek met Kurt Beck over dienstweigeraars omdat ik de voorzitter van de Duitse vereniging voor dienstweigeraars (KDV) ben… Dr. W. dringt aan: ‘Mevrouw Kässmann, als ik u was zou ik deze kans benutten!’ Goed, denk ik, de wereld draait door, ook als ik maandag niet in Berlijn ben.

Op kantoor vraag ik of mijn assistente en de nog aanwezige secretaresse even bij me willen komen. Nadat ik hen de situatie heb uitgelegd, overleggen we wat we nu als eerste moeten doen. Ze blijven er alle twee rustig onder, maar ik zie wel dat ze erg geschrokken zijn. S. verzekert me: ‘We redden het wel.’

Nou, denk ik, dan ga ik maar aan de preek voor zondag. Ik wil er op dit moment toch met niemand over praten. De telefoon gaat, het is mijn dochter Sarah vanuit Argentinië. Opgewekt vertelt ze dat haar vriend Peter en zij waarschijnlijk een eerdere vlucht terug kunnen krijgen, op 15 september. Ze hebben een ticket zonder vaste retourdatum en wachten al een tijd op een plekje… Dan merkt ze dat er iets aan de hand is en ze vraagt wat er is. Ik aarzel: moet ik haar plezier nu bederven? Ze klinkt zo gelukkig! Maar als ik volgende week al naar het ziekenhuis moet, komt ze er toch achter. En dus vertel ik heel voorzichtig dat er een knobbeltje is dat eruit moet. Ze vraagt door. Zo is ze – en op haar 24ste weet ze heus wel wat dat betekent, borstkanker dus.