FilosofieKerkgeschiedenis

Zie je wel!

Tjeu van den BerkOm te beginnen, wil ik Tjeu graag feliciteren met zijn nieuwe boek Het oude Egypte, bakermat van het jonge christendom, waarin zo enthousiasmerend de fascinatie van het betreden van nieuwe studieterreinen samengaat met de ontdekking van nieuwe verbanden en verbindingen. Het boek is met plezier, en soms ook met verbazing over de eigen ontdekkingen geschreven. Als lezer merk je dat.

Toch begin ik met iemand die niet in Tjeu’s boek voorkomt. Het is de theoloog en monnik Cassianus, hij leefde van 365 tot 435, leefde een aantal jaren als monnik in de Egyptische woestijn en voerde daar gesprekken met medemonniken over spiritualiteit en geestelijk leven. Van deze gesprekken heeft hij verslag gedaan in zijn zogenaamde Collationes. In het tiende van deze samenspraken vertelt hij hoe bisschop Theofilus van Alexandrië zich in 399 met een Paasbrief richt tot de gemeenten en kloostergemeenschappen in zijn bisdom.

Ik las over Cassianus, bisschop Theofilus en zijn Paasbrief in het afscheidscollege van de VU Oud-Testamenticus Eep Talstra en ontleen daaraan wat ik daar straks over ga zeggen. In het boek van Tjeu komen we deze Theofilus ook tegen.

Zo ik uit de oratie van Talstra al niet had opgemaakt dat deze Theofilus een stevig baasje was, dan maakt Tjeu dat wel duidelijk. Het was immers Theofilus die uit een tempel opgegraven heidense cultusvoorwerpen liet tentoonstellen en door zijn christenen liet bespotten. De rellen die daarop volgden, want de heidenen pikten deze bespotting niet, zouden uiteindelijk leiden tot de vernietiging van het grieks-egyptische Antiochië, door Tjeu beschreven als een bakermat van cultuur, tolerantie en beschaving.

Na de rellen brak voor de heidenen, schrijft Tjeu, de grote godenschemering aan en met gevoel voor drama laat hij daarop volgen: De Heer van het Water, Osiris, danste voortaan naar de pijpen van het christendom.  En inderdaad nam het christendom de zaak in Antiochië over. Al heeft dat niet lang geduurd. In 641, niet meer dan tweeëneenhalve eeuw later veroverden de moslims Alexandrië. Maar was het wel een overname door het christendom? Of was hier sprake van wat in het bedrijfsleven een reversed take over wordt genoemd: formeel neemt bedrijf A bedrijf B over, maar in werkelijkheid maken management en bedrijfscultuur van bedrijf B zich meester van bedrijf A. Is iets dergelijks in Antiochië gebeurd bij de verdrijving door het christendom van de grieps/egyptische godenwereld? Uit de titel van het boek van Tjeu van den Berk: Het oude Egypte: bakermat van het jonge christendom, blijkt al dat zijn boek daarover gaat. Over de vraag wie wie eigenlijk overgenomen heeft.

Ik ga terug naar de Paasbrief van Theofilus uit 399. De brief zet een dikke streep onder de opvatting dat alle bijbelse passages die over God spreken alsof deze menselijke trekken had, uitsluitend allegorisch, als ‘bij wijze van spreken’ gelezen moeten worden. Vooral bij de monniken in de woestijn kwam de brief hard aan, want de grote meerderheid van deze monniken nam de bijbel letterlijk. Dus: als God de mens naar zijn beeld en gelijkenis geschapen heeft, dan betekende dat dat Hij, God, zelf ook een menselijke gedaante heeft. Zo te denken, lazen ze in de Paasbrief, was voortaan een ketterij. Vooral één monnik, verzette zich hevig. Zijn naam verraste me en dat kwam doordat ik juist bij Tjeu gelezen had waar deze naam vandaan komt. Hij heette Serapion. Een samentrekking van Osiris, die we zo juist tegenkwamen als de Heer van het Water en Apis, de goddelijke stier, symbool van vruchtbaarheid. In het grieks-egyptische Antiochië was de tempel het Serapeion, gewijd aan de god Serapis, het cultureel en godsdienstig centrum van de stad.

De oude monnik Serapion was na lezing van de Paasbrief ten einde raad. Volgens Cassianus was hij een beetje achterlijk gebleven: dwalend alleen uit onkunde en onderontwikkeldheid. Je kunt het ook anders zeggen. Voor Serapion was God een vriend, een nabije, haast tastbare aanwezigheid waarmee hij dagelijks contact had. Helaas, de rust die dat gebedsleven hem gaf, werd hem niet gegund. Hij moest anders leren denken en daartoe werd de geleerde Photinus op hem afgestuurd die deze Serapion op zijn oude dag confronteerde met de moderne, filosofische theologie van de Paasbrief. Het had, aldus Cassianus, een verpletterend effect. Serapion wist niet meer hoe hij moest bidden, viel op de grond en kreunde: Wee mij ellendige! Ze hebben mijn God van mij weggenomen. Ik heb nu niemand meer om mij aan vast te houden. Wie moet ik nu vereren of aanspreken? Ik weet het niet meer. Hoevele traditionele gelovigen zeggen hem dat vandaag niet na?

Dit alles speelt zich af in 399. Dus na het eerste Oecumenische Concilie van Nicea in 325 en het tweede van 381 in Constantinopel. In het eerste werd gesteld dat de Zoon één van wezen is met de Vader. In het tweede dat de Heilige Geest de derde persoon is van de Drie-eenheid. In zijn boek laat Tjeu van den Berk zien dat beide oer-christelijke dogmata: de Zoon van God is God zowel als mens en sterft aan het kruis om op te staan uit de dood en de gedachte van de Drie-eenheid Egyptisch van oorsprong zijn.

Dat levert rond de persoon van bisschop Theophilus een buitengewoon interessante paradox op. De man strijdt op twee fronten: met de heidenen in Antiochië. Met zijn eigen monniken in de woestijn. Maar met zijn filosofische theologie van een God die je je niet letterlijk voor mag stellen, maar die je moet begrijpen via wat in Nicea en Constantinopel is vastgelegd over respectievelijk de twee naturen van de God/mens Jezus en de goddelijke Drieëenheid staat hij dichter bij zijn heidense grieks/egyptische stadgenoten dan bij zijn achtergebleven monniken in de woestijn.

Hoe staat Tjeu zelf in deze kwestie? Geen twijfel mogelijk, Theofilus vindt hij een intolerante cultuurbarbaar. Een betweterige christen bij wie arrogantie samengaat gewelddadigheid, zoals de kerkgeschiedenis meer exemplaren heeft laten zien. En toch staat hij zelf qua denkbeelden dichter bij de door hem verafschuwde Theophilus dan bij de monnik Serapion, ondanks diens Egyptische naam. Laat mij deze paradoxaal klinkende bewering mogen uitleggen.

Op pagina 105 van Tjeu’s boek staat een afbeelding van Bisschop Theophilus als overwinnaar van de heidenen. Met het Serapeion aan zijn voeten. Onder hem, vaag, de stierenkop van Serapis waar Theophilus bovenop staat. Maar, vraagt Van den Berk, zich af: zou de tekenaar in de gaten gehad hebben dat de stier op zijn  beurt Theophilus draagt? Dus toch een reversed take over?

De ervaring van het sacrale, van het Heilige, legt Tjeu uit aan het begin van zijn boek, zit ingebakken in ons mens-zijn. Niet alleen in onze geestelijke, ook in onze fysieke, lichamelijke natuur. Alles begint met ervaringen. Ervaringen van begin en einde, van dag en nacht, van leven en dood. De mens ervaart de krachtige energieën in de natuur.  Het opgaan en ondergaan van de zon, het komen en gaan van de seizoenen, het rijzen en dalen van het water van de Nijl. De mens personifieert die energieën door ze te vullen met godenbeelden. Goden zijn zo de door mensen gepersonifieerde dynamische krachten van de natuur.

Aan de zon ontleent de mens gedachten over het menselijk leven in termen van licht en duisternis. Bij ons zelfverstaan kijken we, tot de dag van vandaag, naar de natuur. De Egyptenaren deden niet anders. Zoals de zon rijst en ondergaat, zo gaat dat ook met onze levens. Zoals de zon terugkeert na haar ondergang, zo zet menselijk leven zich voort na de dood. De Egyptenaren hadden twee symbolen voor nieuw leven uit water en leven na de dood. Het zijn de kikker en de mestkever. De kikker komt uit het water gekropen en zegt: we worden uit water, uit chaos geboren. De mestkever die geheel onverwacht kruipt uit een doods bolletje mest, is een symbool van wording. Het woord symbool betekent hier meer dan iets dat ergens voor staat. Een symbool laat een werkelijkheid zien, waaraan men participeert. Waar men deel aan heeft. Zo, zoals de kikker opkomt uit het water, zo komen ook wij op uit de chaos. Zo, zoals de mestkever, tot leven komt uit dode materie, zo gebeurt dat ook met ons en zo, zo is Osiris uit de dood gewekt. En veel later, maar volgens dezelfde gedachtelijn, zo is ook Christus opgewekt uit de dood. Allemaal deel van dezelfde werkelijkheid die we als natuur om ons heen zien.

De gedachte van een God die deel wordt van die werkelijkheid, zich incarneert, vlees wordt, de wisselvalligheden van het leven ondergaat en tenslotte opstaat uit de dood, is Egyptisch van oorsprong, zegt Van den Berk. Het jodendom daarentegen is excarnistisch, van excarnatie, het omgekeerde van incarnatie: God trekt zich in het jodendom steeds meer uit de wereld terug. In die zin is het jodendom religieus gezien de uitzondering.

In de hoofdstroom volgen alle religies, of het nu egyptische, griekse, of christelijke religies zijn, de richting van de incarnatie.

Als motto voor zijn boek citeert Van den Berk de kerkvader Augustinus: Want de zaak zelf, die nu christelijke religie heet, bestond reeds bij de Ouden en is er sinds het begin van het menselijk geslacht altijd geweest. Totdat Christus zelf in het vlees kwam. Toen begon men de ware religie, die reeds bestond christelijk te noemen.

Dat is juist, wil Tjeu in zijn boek laten zien, en tegelijk onjuist: in wezen hebben de Egyptenaren de grondslagen van deze religie gelegd, staan alle religies, ook de christelijke, op de schouders van de Egyptenaren, en beschrijven al deze religies de waarheid, dat het leven bestaat uit op- en ondergaan en opnieuw op- en ondergaan en dat steeds maar door.

Ik kom nog even terug op de oude monnik Serapion. Ondanks zijn Egyptische naam, dacht hij zeer on-Egyptisch. Hij zag God niet als eeuwig symbool van een en dezelfde werkelijkheid waarin alles stroomt en beweegt, van de rivier de Nijl tot het menselijk leven en de Zoon van God, maar als een metgezel vlak bij hem. Een opvatting voor eenvoudigen van geest. Maar wel één die je ook in de bijbel tegenkomt en die je niet zo maar als allegorie kunt wegpoetsen zoals bisschop Theofilus in zijn Paasbrief voorschreef. God is boos, verdrietig, teleurgesteld, vraagt zich af of hij zo veel kwaad nog wel kan vergeven en gaat vergeefs op zoek naar die ene rechtvaardige die de zaak nog kan redden. De dogmatiek, de christelijke leer, heeft dat letterlijk nemen van het spreken over God in menselijke termen net zo min serieus genomen als bisschop Theofilus. Tjeu en ik zijn in een theologie opgeleid die er vanuit ging dat de bijbelwetenschappen nuttig voorwerk konden doen, maar dat al die inspanningen toch niet meer waren dan het vrijmaken van een pad waarlangs de dieperliggende betekenis van teksten kon worden bereikt. De bijbel werd vergeleken met een goudmijn met het goud diep verborgen onder de grond, de dogma’s als het opgedolven goud en de kerk als de beheerder van de mijn.

Het leek wel of God in de bijbel steeds anders werd voorgesteld, maar op de keper beschouwd was God toch altijd en eeuwig dezelfde. De oude Serapion had geen moeite met al dat mensvormige. Maar hij had dan ook een heel ander religie begrip. God hoorde in zijn individuele levensontwerp, in zijn persoonlijke gebedsleven. Nieuw onderzoek van oude Oosterse godsdiensten laat zien dat ook die opvatting die religie niet ziet als de vulling van wat eeuwig stroomt, op- en ondergaat, maar als vormgever van een eigen levensontwerp, oude papieren heeft.

Van den Berks boek heeft iets van: Zie je wel! Dat komt omdat het behalve een zorgvuldige studie van de godsdienst in het oude en het Griekse Egypte ook een afrekening is. Een afrekening met een verleden in een Kerk die soms al te zeer de trekken had van bisschop Theofilus, die wel even zou zeggen hoe het zat en die bij het brengen van haar eeuwige boodschap mechanismen van uit- en buitensluiting niet uit de weg ging. Theofilus gebruikte letterlijk geweld tegen de heidenen en geestelijk geweld tegen zijn achtergebleven monniken. Er zit in Van den Berks boek iets van verwondering en iets triomfantelijks. Verwondering over het gebrek aan bescheidenheid bij degenen die zeggen op te treden namens eeuwige waarheid. Iets triomfantelijks omdat al die hoeders van eeuwige denkbeelden een waarheid blijken te koesteren die lang niet zo exclusief is als zij zelf menen. Dat relativeert. En lucht op. Zie je wel: jullie hebben het ook van een ander.

Persoonlijk sta ik, zonder me met hem te kunnen meten in ascese en concentratie, hat dichtst bij die oude monnik Serapion. In de woestijn. In zijn eentje met zijn God. Ik zie hem staan naast de door Van den Berk ook genoemde Jeremia, naast andere profeten als Jona, Amos en Hosea en uiteindelijk ook naast Christus. Christus! Vanuit de eeuwigheid best mogelijk hem te zien als verwikkeld in een kosmisch drama, maar van dichtbij een mens die zoekt, noemt, stamelt over God. Om te worden wie hij, Jezus, is. Niet als druppel in de grote stroom. Maar als mens voor God.


Theoloog Jan Greven (1941) werkte in Afrika als docent theologie, was algemeen directeur van de IKON en hoofdredacteur van Trouw. Tijdens de presentatie van Het oude Egypte, bakermat van het jonge christendom begin november, hield hij deze toespraak. Wij zijn hem erkentelijk voor de toestemming om zijn lezing integraal te mogen publiceren.

Tjeu van den Berk publiceerde eerder een blog op Theoblogie over Het oude Egypte. Om deze blog te lezen, klik hier.