Theologie

Welke God verdwijnt? H.W. de Knijff over secularisatie

Op vrijdagmiddag 28 maart organiseerde de onderzoeksgroep Beliefs van de PThU een symposium naar aanleiding van het nieuwste boek van emeritus hoogleraar H.W. De Knijff. Dat boek – Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging. Over secularisatie, wetenschap en christelijk geloof – stond centraal tijdens de middag. Prof.dr. G.C. den Hertog, hoogleraar Systematische theologie aan de Theologische Universiteit van Apeldoorn, hield er onderstaande lezing.

 

Welke God verdwijnt?
De Knijff over secularisatie

1. Inleiding: ‘Tegenwoordigheid van geest’ vereist
Het hing al enige jaren in de lucht dat er een boek van De Knijff over secularisatie in de maak was, maar we – ik althans – hadden geen idee hoe het er inhoudelijk uit zou zien en wat de titel zou zijn. Nu het boek er is, blijkt ‘secularisatie’ alleen in de ondertitel genoemd te worden, samen met ‘wetenschap’ en ‘christelijk geloof’. Dat ‘wetenschap’ tussen ‘secularisatie’ en ‘christelijk geloof’ in staat is bepalend voor het boek. Het gaat niet over ‘secularisatie’ in het algemeen, maar toegespitst: op hoe die zich in de wetenschap manifesteert. Het betekent een concentratie, maar houdt tevens een beperking in.
Maar nu de titel: ‘Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging’. Daaruit valt aanstonds al op te maken dat het om meer gaat dan een erudiet werk van een emeritus-hoogleraar waarin hij de lijnen uit zijn werk samenvat en de motieven erin laat zien. Er is sprake van een ‘uitdaging’ en de titel is dus al een statement. ‘Tegenwoordigheid van geest’, dat wil zoveel zeggen als: wij hebben een verhouding tot de ons omringende werkelijkheid, we staan daar kennend in, we zijn mensen die ons van de wereld én van onszelf bewust zijn, en juist om dat bij elkaar gaat het, om die eenheid. Welnu, dit basisbesef staat op de tocht. De ‘tegenwoordigheid van geest’ is in de gevarenzone geraakt. Er doen zich ernstige storingen voor, met alle gevolgen van dien voor wetenschap en samenleving, die we niet kunnen laten voortbestaan. Er dient iets te gebeuren.
Deze ontwikkelingen doen zich niet overal op dezelfde manier voor, al is de westerse benadering van wetenschap en technologie wereldwijd in hoge mate beheersend. Toch is er reden om te spreken van iets als een ‘Europese uitdaging’. Europa is waar het om secularisatie gaat echt een ander verhaal dan de Verenigde Staten. Hier gaan de ontwikkelingen in de wetenschap samen met wat in de samenleving gebeurt, die bredere secularisatie dus.
Daarom is er hier wel bij uitstek sprake van een ‘uitdaging’, en wellicht is dat nog te voorzichtig en uitnodigend geformuleerd. De teneur van het boek is alarmerender. De Knijff ziet de tendens dat de geest bezig is zichzelf om zeep te helpen. Een sprekend voorbeeld is wat in de neurowetenschap speelt. Wat wij dachten dat ‘geest’ was, gericht kennend, ordenend en schiftend, willend en beslissend bewustzijn, zou niet meer zijn dan een anoniem en niet door onszelf – daarvan zouden we in eigenlijke zin niet eens meer kunnen spreken! – aangestuurd proces. (1) Dit in elkaar grijpen en elkaar versterken van verschillende tendensen maakt de ernst van de situatie uit. In het vervolg concentreer ik me op De Knijffs bespreking van de eerste grote bestseller van Geert Mak: Hoe God verdween uit Jorwerd (2), waarmee De Knijff zijn boek opent. Ik doe dat niet alleen omdat ik hier niet wil herhalen wat ik al eerder een uitvoerige bespreking van De Knijffs boek heb geschreven (3), maar ook omdat daar beslissingen vallen, waarvan het naar mijn gedachte goed is die tegen het licht te houden.

2. Hoe God verdween uit Jorwerd
De titel van Maks boek Hoe God verdween uit Jorwerd brengt in alle kortheid het probleem op formule. Het staat er ook heel simpel en op het oog onweerlegbaar in, ja, zó is het gegaan, in de woorden van de plaatselijke predikant in de periode dat Mak er woonde en aan zijn boek werkte:

‘Tot na de oorlog had de kerk elke zondag vol gezeten, vertelde hij. Daarna verdween God geleidelijk uit het dorpsleven.’ (4)

Wanneer in een dorp gedurende de twintigste eeuw door allerlei vooral technologische ontwikkelingen het menselijk kennen en kunnen de idee van verregaande beheersbaarheid en maakbaarheid doet postvatten en daardoor het zich afhankelijk weten van God afneemt, dan verdwijnt niet enkel het geloof, maar dan verdwijnt volgens de toenmalige predikant van Jorwerd – althans als Mak precies citeert – God zelf. Of preciezer: dan maakt zich niet een Hoger Wezen uit de voeten, maar dan blijkt – Max Weber heeft het geschetst met een overtuigingskracht waar bijna niets tegen in te brengen lijkt – dat waar we ooit dachten dat God in en achter zat bij nader inzien niets meer is dan een rationeel te doorgronden en technisch te beheersen werkelijkheid.
Het is deze gelijkstelling van God met onze kennis van Hem of de afwezigheid van die kennis – en daarmee van God – die De Knijff in het boek van Mak misschien wel het meest heeft geraakt en gestoord. De ontwikkelingen in de agrarische samenleving van de afgelopen eeuw worden daarin geschetst zonder enige verheffing van stem, zonder wetenschappelijke pretentie maar wel goed gedocumenteerd en juist daarom met een onweerlegbare vanzelfsprekendheid. Maks boek werd een bestseller en even onderkoeld als het werd opgeschreven is het in het collectieve bewustzijn van de lezers ingegaan of heeft het de reeds levende gedachten bevestigd en versterkt. Mak tekent het proces als volgt:

‘Het besef van tragiek, de erkenning dat er in een leven onontkoombare gebeurtenissen konden plaatsvinden, het leek vervangen door het idee dat alles maakbaar was, of herstelbaar, of op zijn minst in geld compenseerbaar.
Daarmee veranderde er ook iets in de houding van mensen ten opzichte van de natuur – al was dat een veel subtieler proces. In Jorwerd was dat eigenlijk alleen maar meetbaar in het almaar dalende aantal bezoekers van de bid- en dankdagen voor het gewas, die vanouds elk voor- en najaar in de kerk werden gehouden.’ (5)

De eerste zin heb ik niet alleen geciteerd omdat anders het vervolg in de lucht komt te hangen, maar vooral omdat hij mij van belang lijkt om de volgende zinnen te kunnen verstaan en plaatsen. Ik proef er een onmiskenbare kritiek in. Mak gelooft zelf niet of niet meer dat alles maakbaar is, of herstelbaar, of op zijn minst in geld compenseerbaar. Zó plat wil hij het leven niet gemaakt hebben. En hij komt op voor een besef van tragiek, voor de erkenning dat er in een leven onontkoombare gebeurtenissen kunnen plaatsvinden, kortom: voor een wijsheid die erkent dat er nog iets anders in het leven speelt dan wij tellen en meten kunnen. Die wijsheid acht Mak dus van belang – en de teloorgang ervan verlies.
Met het oprukken van de idee van de maakbaarheid is er iets veranderd in de houding van mensen ten opzichte van de natuur. De natuur boet aan zeggingskracht in, raakt in de ban van wat we kunnen beheersen en wordt uitgedrukt in termen van winst en verlies. Van deze veranderde houding ten opzichte van de natuur zegt Mak nu dat ze een subtiel proces vormt dat moeilijk valt te traceren en zich eigenlijk alleen laat aflezen aan het afnemend kerkbezoek op bid- en dankdagen. Misschien neem ik Mak nu wat te veel in bescherming tegen de titel van zijn boek, maar ik ga af op wat ik lees.
Niettemin: deze nuanceringen nemen niet weg dat de titel van het boek de suggestie wekt en ook wel zal willen wekken die De Knijff erin heeft geproefd. Met een door de techniek bepaald wereldbeeld verdwijnt niet maar het geloof in God, maar God zelf – en dus blijkt Hij met terugwerkende kracht niet meer dan de dankzij de voortschrijdende kennis van de natuurwetenschap overbodig gebleken sluitsteen in de kijk op de natuur. Het heeft De Knijff gestoken dat voor Mak ‘God’ niet meer is dan een ‘chiffre voor de geestelijke grondslag van een verloren gegane wereld’. (6) Het is immers niet niets wat zich heeft voltrokken:

‘Met God is de motivatie, de formuleerbaarheid en de samenhang van het bestaan verdwenen, “Ik” en “wereld” hebben geen vaste, vertrouwde relatie meer met elkaar, zoals die eerder door het Godsgeloof werd geschonken.’ (7)

Wil men een illustratie van wat er aan gedrevenheid bij secularisten mee kan spelen, dan heeft NRC Handelsblad van afgelopen woensdag 26 maart ons op onze wenken bediend. Het bevat een bijdrage van Paul Frentrop op de opiniepagina onder de titel: ‘Teloorgang christendom sprong voor¬waarts’. Het artikel loopt erop uit dat het zelfvertrouwen van de denkers en doeners die de Verlichting vormden vooruitgang heeft gebracht. Hij vervolgt dan:

‘Van religies komt die niet. Religies staan nu eenmaal niet open voor verandering, ook niet voor verbetering. Wij mogen God op onze blote knieën danken dat een zelfbewust Europa zich (…) heeft ontworsteld aan het christendom.’

Frentrop zal niet bedoelen dat we aan een andere God – Allah bijvoorbeeld of waarom ook niet Wodan? – hebben te danken dat we een de vooruitgang in de weg staande religie als het christendom achter ons hebben gelaten. Hij schrijft ironisch: het is goed dat we van de idee ‘God’ af zijn. De Godsgedachte staat een zelfbewust Europa – een Europa met ‘tegenwoordigheid van geest’, parafraseer ik – alleen maar in de weg. Van de God van het christendom is geen verandering en zeker geen verbetering te verwachten. Dit lijkt me de loepzuivere tegenpool van wat De Knijff voor ogen staat, en dit is inderdaad het sentiment dat het – zoals dat heet – ‘denkend deel van onze natie’ goeddeels beheerst.
Het boek van Mak ademt toch een andere geest, is althans bij lange na niet zo militant. Of De Knijff door de titel ervan misschien ook op het verkeerde been gezet is en andere elementen in het boek over het hoofd heeft gezien? Ik kom erop terug, als het gaat om de uitweg die hij ziet en wijst.

3. De Knijffs Anliegen
Nu eerst De Knijffs eigen Anliegen. Hoe betrokken hij ook is bij wat zich voltrekt, hij neemt niet de positie in van een klager langs de zijlijn of een betweterige stuurman aan de wal. Hij is een vurig pleitbezorger van de Europese cultuur, die onder de adem van de Geest in een eeuwenlang proces gestalte heeft gekregen. Alleen al het feit dat het christelijk geloof deze cultuurgeschiedenis kon oproepen en mogelijk maken houdt een weerlegging in van de gedachte dat de Heilige Geest afstand zou houden van het gezonde mensenverstand. (8) Het christelijk geloof is naar zijn aard niet een beknot¬ting, laat staan een onderdrukking van het menselijk denken, maar veeleer een stimulans gebleken om de werkelijkheid te verkennen en zo ook te kennen.
Secularisatie als afwending van het christelijke geloof leidt er in de ogen van De Knijff dan ook niet toe dat de wetenschap er nu met het ongeloof vandoor gaat, al heeft het daar oppervlakkig bezien – als we Maks maatstaf van kerkbezoek hanteren – wel veel van. In werkelijkheid komt uit De Knijffs ‘overzicht over onze denkgeschiedenis’ (9) een totaal ander, omgekeerd beeld naar voren: de wetenschap speelt vandaag de teloorgang van het bewust vormgeven van het leven, van de samenleving en van de politiek in de kaart, en blijkt dus per saldo de barbarij zoal niet in de hand te werken, dan toch in het kielzog mee te trekken. Immers, als de menselijke geest niets is dan een product van biologisch-fysiologische en biochemische processen, dan is het bewust en gericht reflecteren op het leven een schijnvertoning. Over ‘uitdaging’ gesproken!
Deze kritieke situatie is voor De Knijff aanleiding om een pittig gesprek aan te gaan met de vigerende opvattingen van wetenschap, waarin vooronderstelling en uitgangspunten op tafel komen. Zijn benadering is niet het christelijk geloof tegenover de wetenschap te plaatsen, maar hij komt met een uitgestoken hand, vanuit het geloof dat de God van de Bijbel ons zijn vriendschap biedt. (10) De situatie is urgent genoeg: wij dienen er alles aan te doen om te komen tot een herstel van een levende, kennende relatie tussen mens en wereld. Ook al heeft die onder invloed van het christelijk geloof vorm gekregen, toch is die niet een vorm van fideïsme.

‘De mens vindt in het geloof waarheid – dat te ontkennen, zou de ontkenning zijn van het feit dat de God van de bijbel zich aan de mens openbaart – maar die waarheid is altijd een begin van kennis en nooit een definitieve slotsom; zij blijft fragment.’ (11)

Het geloof zoekt het verstaan, heeft een intrinsieke gerichtheid op het kennend binnenhalen van de werkelijkheid buiten mij. In de woorden van De Knijff:

‘rationele verantwoording (…) behoort (…) tot de wezenskenmerken van het christelijk geloof’.’ (12)

Daarom hebben de cultuur en de wetenschap zoals die gestalte hebben gekregen ook een vrijheid ten opzichte van het geloof. Met een woord van H.J. Iwand: door het geloof binden we ons, door het denken bevrijden we ons. (13) Het geloof zoekt immers kennen en begrijpen en zal zich dus ook in de discussie met anderen laten uitdagen en opscherpen.

4. Doet De Knijff Mak recht?
Ik ga terug naar De Knijffs bespreking van het boek van Geert Mak. Ik gaf al aan dat ik me afvroeg of hij door zijn kennelijke opwinding over de titel van het boek – ook de titel van een hoofdstuk – hem wel helemaal recht doet. Nu ga ik een stap verder en vraag hem of hij in zijn gestoken zijn door de titel zelf niet te snel aan de andere kant is gaan hangen en zelfs een spoor op is gegaan dat eigenlijk niet bij de kernovertuiging van zijn boek past. Ik denk met name aan het alternatief dat hij in zijn bespreking van Maks boek formuleert:

‘De gedachte van de maakbaarheid van het leven, de indruk dat wij het leven in de hand hebben, belichaamt een totaal ander levensgevoel dan de afhankelijkheid van een hogere macht, of meer christelijk uitgedrukt: van een in alle wederwaardigheden zorgende God.’ (14)

Om te beginnen: Mak past niet in dit alternatief, zoals ik al aangaf. Zijn positie is niet die van een nadruk op maakbaarheid, die alle tragiek, alle besef dat een mens ook het nodige overkomt en waarop hij of zij heeft reageren, uitsluit. Ik kom erop terug, maar luister er eerst naar hoe De Knijff verder gaat:

‘Hoewel het levensgevoel dat zich in het geloof in de voorzienigheid uitspreekt op zichzelf nog niet christelijk en in veel opzichten zelf heidens is, wordt aan dit punt toch volledig duidelijk dat een levensopvatting die zichzelf als volkomen afhankelijk ervaart (en zo was dat het geval in de oude godsdienstige orde van dingen), volkomen tegengesteld is aan die welke berust op een wetenschappelijk gefundeerde maakbaarheid van het bestaan. Hier wordt zichtbaar dat het ten diepste niet gaat over een verandering van bedrijfsvoering, maar over godsdienstig levensbesef. Het voorzienigheidsgeloof is omgevormd, “geseculariseerd” en in een zaak van menselijke maakbaarheid veranderd. Wat eertijds aan God toebehoorde, is nu onder de zeggenschap van de mens gekomen.’ (15)

Ik meen te begrijpen waarom De Knijff zich hier in algemene zin uit en geloof in maakbaarheid en technische beheersing contrasteert met voorzienigheidsgeloof. Het ‘bijzondere’ geloof in de God die zich in Christus heeft geopenbaard, in kruis en opstanding, in oordeel en genade, is op diverse manieren verbonden met het ‘algemene’ geloof in een God die dwars door alles wat ons overkomt voor ons zorgt. De Knijff is er ook veel aan gelegen die beide bij elkaar te houden. Voor vele mensen is het voorzienigheidsgeloof ook het meest wezenlijke, waar het op aankomt. Een jaar of tien geleden – schat ik – voerde Andries Knevel voor EO-televisie een aantal gesprekken met buitenkerkelijken. Opvallend was dat ze allemaal op de een of andere manier bij Psalm 139 uitkwamen, waarin Gods leiding van het menselijk leven tot uitdrukking wordt gebracht. Het zijn onze heidense wortels – De Knijff verwijst naar de Stoa, Henk Vreekamp zou onze Germaanse afkomst in het veld brengen. Het raakt aan wat onze oosterburen Schicksal noemen, en daarmee ook weer aan de tragiek waar Mak over schrijft.
Nogmaals: ik meen te begrijpen waarom De Knijff hier het voorzienigheidsgeloof als een onvervreemdbaar deel van het christelijk belijden in het veld brengt, maar ik vraag me af hoe gelukkig het is dat hij het op zichzelf neemt en tegenover de maakbaarheidsidee plaatst, zeker gezien wat De Knijff er meteen op laat volgen:

‘Dat hier de term secularisatie, niet van goederen of instituten maar van het geloof op zijn plaats is, wordt nergens zo onthutsend zichtbaar als in het gedeelte waar verhaald wordt over “het eerste alternatieve kerstfeest” op 24 december 1971. Het wordt in de kerk “gevierd” (sic!) onder het motto: “Voor het stervende kind”. Er wordt een protestoptocht gehouden tegen het oorlogsgeweld, er wordt (in de kerk!) een film gedraaid, een popgroep treedt op en het feest wordt besloten met een alternatief kerstdiner met zelfs alternatieve chocola. Hier ziet men voor ogen hoe verregaand “God uit Jorwerd verdween”, namelijk uit het feest van de geboorte van Christus zelf. Eén van de grote christelijke feesten, in theologisch opzicht de viering van de “menswording” van God als verlosser der mensheid, tot een bijeenkomst die de slachtoffers van onze geschiedenis tot middelpunt en de deelnemers tot kleine redders maakt. Het is een kerstviering die wellicht uit oprecht idealisme voortkomt, maar die niet veel meer te maken heeft met het christelijk geloof.
Het is deze uiterste vorm van secularisatie, die van het geloof zelf, welke in deze studie het uitgangspunt is.’ (16)

Die laatste zin laat zien dat het boek van Mak het front vormt, waartegen De Knijff zijn gedachten afzet. Naar mijn gedachte gaat hij hier echter te kort door de bocht. Op één van de laatste bladzijden van zijn boek merkt Mak namelijk op:

‘Maar godsdienst speelde in dit dorp nog altijd een belangrijke rol, net als burenhulp, de andersoortige omgang tussen ouderen en jongeren en een aantal andere dorpse waarden. En het was opvallend hoe snel ook nieuwkomers uit de stad zich daaraan aanpasten – en daar wellicht ook naar zochten.’ (17)

Godsdienst is dus volgens Mak niet verdwenen uit Jorwerd, dit ten eerste. En ten tweede: weet De Knijff zeker dat het ‘alternatieve kerstfeest’ van 24 december 1971 de kerk op 25e december leeg heeft gelaten, dat wil zeggen zonder kerkdienst? Trapt hij misschien in de val van de ‘secularisatieverhalen’, zoals prof. Herman Paul die in zijn inaugurele oratie ‘Ziektegeschiedenissen: de discursieve macht van secularisatieverhalen’ van september 2013 heeft aangewezen, namelijk dat ze de gedachte ingang hebben doen vinden dat de moderne mens zich in een soort autonoom proces bevindt, waarin de religie naar de achtergrond gaat en een seculier zicht op de wereld dominant wordt? De secularisatieverhalen waren volgens Paul in feite een instrument om veranderingen teweeg te brengen in kerk en samenleving. (18) Ze waren dus niet zo objectief en onafhankelijk als men het graag deed voorkomen. Nu, dat we te maken hebben – niet met onveranderlijke, autonome processen, die een vrijwel 100% gehalte van normativiteit hebben, maar met een ontwikkeling, waarin de Europese geest zichzelf beknot en afsluit voor de te kennen werkelijkheid, daar zijn Paul en De Knijff het wel over eens. Ik denk dat De Knijff hier oog had kunnen hebben voor wat er in het geleefde leven nog meer speelt en er goed aan had gedaan over de grenzen die hij zichzelf in zijn boek heeft gesteld heen te kijken naar wat er speelt op het grondvlak van de samenleving. Ik haast me eraan toe te voegen dat hij dat in vele publicaties heeft gedaan en in dit boek óók doet, maar niet waar het gaat over Maks Jorwerd.

5.  God en de humaniteit
Op ditzelfde thema ga ik nog even door, maar nu theologisch en afgedacht van De Knijffs interpretatie van het boek van Mak. De Knijff zet theologisch niet in bij een algemeen voorzienigheidsgeloof, maar bij het binnentreden van het evangelie van Jezus Christus in de Europese cultuur. Dat impliceert dat de

‘“verdwijning” van het godsgeloof in Europa betrekking [heeft] op de God die Europa vanaf de oorspronkelijke apostolische prediking is gevolgd. (…) Het was immers deze God, de God van de bijbel, die aan de Europese mens werd gepredikt en deze God was de centrale noemer van de cultuurgestalte die wij Europa noemen.’ (19)

De lijn die De Knijff hier trekt is ván de God van de Bijbel náár de Europese cultuur. Is die God helemaal dezelfde als de God van de voorzienigheid? Ik valt De Knijff bij als hij stelt dat

‘alle geloof, ook het geloof in de bijzondere God van de bijbel, nooit werkelijkheidskarakter kan hebben zonder vormgeving en uitdrukking in de aardse werkelijkheid’ (20),

en dat dat vraagt om een belijden van Gods zorgvolle betrokkenheid bij zijn schepping. Maar is die niet bijzonder? Valt die los te maken van zijn heel bijzondere zijn en handelen in Jezus Christus, waarin Hij de mens bevrijdt ván zonde en dood en tót een leven in gemeenschap met Hem? In dit christelijk geloof ligt geen beknotting van de menselijke verantwoordelijkheid, hier wordt Gods voorzienigheid niet groot gemaakt ten koste van de mens, maar is God de garantie en bondgenoot van de ware humaniteit.
Zou de weg van het ‘bijzondere’ naar het ‘algemene’ het gesprek met cultuur en wetenschap, het aan de orde stellen van de uitdaging die ‘tegenwoordigheid van geest’ heet, bemoeilijken? Ik denk dat wel eens omgekeerd zou kunnen zijn. We zagen immers dat de manier waarop De Knijff een voorzienigheidsgeloof in algemene zin frontaal tegenover de maakbaarheidsidee plaatst hem in de weg staat om ‘het telkens weer oplaaiende protest van de levende, humaniteit zoekende mens’ (21) op te vangen en te honoreren. Dat protest dienen we te horen, ook en misschien wel juist als het zich articuleert als protest tegen iedere vorm van afhankelijkheid van God. Waar de ‘levende, humaniteit zoekende mens’ protesteert, is het dan niet zaak hem en haar vanuit ‘het geloof in de bijzondere God van de bijbel’ uit te leggen wat echte en onechte onafhankelijkheid en mondigheid is?
Bovendien: vanuit een algemeen opgevat voorzienigheidsgeloof krijgen we slechts een abstractie van de mens in het vizier. We hebben er dan geen antenne voor dat in de moderne literatuur óók een grote verlegenheid met de vragen van schuld en vergeving te beluisteren valt, die zich ook kan uiten in een alternatieve kerstviering. Vanuit de inzet bij ‘het geloof in de bijzondere God van de bijbel’ kunnen we de uitdaging aangaan met de héle mens in gesprek komen, over diens zoeken naar humaniteit en over de onvermoede bevrijding en vernieuwing die ons in het evangelie beloofd wordt. Gezien alleen al de citaten van De Knijff die ik in deze paragraaf heb aangehaald is dat precies zijn oogmerk. Het lijkt me bovendien ook voor onze Europese situatie, waarin de ontwikkelingen in de wetenschap en die in cultuur en samenleving in elkaar grijpen, elkaar versterken en ook wel in een dodelijke houdgreep houden, de echte ‘uitdaging’.

Noten
1. Vgl. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging. Over secularisatie, wetenschap en christelijk geloof, Zoetermeer 2013, 109: ‘Wij staan voor de vraag of het psychi-sche/geestelijke volledig uit het stoffelijke substraat te verklaren en dus daarmee te identificeren is. Ook al zijn er wetenschappelijk nog vele raadsels op te lossen, in de meerderheid neigt de hersenfysiologie (en de daarmee verbonden cognitiewetenschap) er sterk toe, de verklaring van het geestesleven restloos te zoeken in de fysische structuur van ons neurale systeem. Hier vindt dus een volledige identificatie van geest en materie plaats.’
2. Geert Mak, Hoe God verdween uit Jorwerd. Een Nederlands dorp in de twintigste eeuw, Amsterdam / Antwerpen 1998-12.
3. ‘Klemmend pleidooi voor de vernieuwing van de geest van Europa. Focus bespreking van H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging. Over secularisatie, wetenschap en christelijk geloof, Zoetermeer 2013’, Theologia Reformata 56 (2013) 262-269.
4. Geert Mak, Hoe God verdween uit Jorwerd. Een Nederlands dorp in de twintigste eeuw, Amsterdam / Antwerpen 19981¬2, 111.
5. Geert Mak, Hoe God verdween uit Jorwerd, 111.
6. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 18.
7. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 27.
8. Karl Barth heeft gezegd dat de Heilige Geest een intieme vriend van het gezonde mensenverstand is (Christus und wir Christen, Zürich 1947, 9; Die Kirchliche Dogmatik IV.4. Die Taufe als Begründung des christlichen Lebens, Zürich 19671, 31).
9. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 325.
10. Psalm 103:5, Berijming 1773.
11. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 33.
12. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 274.
13. H.J. Iwand, ‘Dogmatik und Ökumene’, Die neue Furche 5 (1951) 9: ‘Durch den Glauben binden wir uns; durch das Denken befreien wir uns.’
14. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 22.
15. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 22.
16. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 22v. De Knijff verwijst naar Geert Mak, Hoe God verdween uit Jorwerd, 283: ‘Op 24 december 1971 werd in de kerk van Jorwerd het eerste alternatieve kerstfeest gevierd, onder het motto: “Voor het stervende kind”. Ik vond een oud kranteknipsel met het programma. Door de straten van het dorp zou een protestoptocht gehouden worden tegen het oorlogsgeweld, in de kerk zou de film Z gedraaid worden, de popgroep Earth People zou optreden, er zou een alternatief kerstdiner gehouden worden en voor de liefhebbers werd er bovendien “alternatieve chocola” verkocht.’
17. De Knijff verwijst naar Geert Mak, Hoe God verdween uit Jorwerd, 283: ‘Op 24 december 1971 werd in de kerk van Jorwerd het eerste alternatieve kerstfeest gevierd, onder het motto: “Voor het stervende kind”. Ik vond een oud kranteknipsel met het programma. Door de straten van het dorp zou een protestoptocht gehouden worden tegen het oorlogsgeweld, in de kerk zou de film Z gedraaid worden, de popgroep Earth People zou optreden, er zou een alternatief kerstdiner gehouden worden en voor de liefhebbers werd er bovendien “alternatieve chocola” verkocht.’
18. Ik heb gebruik gemaakt van de verkorte versie: Herman Paul, ‘De macht van het verhaal. Over de maatschappelijke impact van secularisatieverhalen’, Radix 39 (2013) nr. 4, 282-291.
19. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 30.
20. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 30.
21. H.W. de Knijff, Tegenwoordigheid van geest als Europese uitdaging, 325.