GeschiedenisKerkgeschiedenisMaatschappij

De kwestie Indonesië

Tot op het bot verdeeld - Dr. Hans van der WalOnderstaande tekst is uitgesproken tijdens het symposium rond de presentatie van het boek  Tot op het bot verdeeld van dr. Hans van de WalWij danken dr. Alle Hoekema hartelijk voor het verlenen van toestemming deze (voorlopige) tekst te publiceren. Het is niet toegestaan de tekst zonder toestemming van de auteur voor andere doeleinden in te zetten. 

Het boek van Hans van de Wal verschaft ons ongelofelijk veel inzicht in de kwestie-Indonesië gedurende de jaren 1945-1949, met een focus op de zending, het zendingsconsulaat en de Indonesische kerken. Zijn nadruk ligt daarbij op de interne discussie binnen de Hervormde kerk, maar ook aan de discussie in gereformeerde kringen besteedt hij ruim aandacht. Gereformeerden lazen, neem ik aan, in overgrote meerderheid de anti-revolutionaire dagbladen Trouw of De Rotterdammer (met verschillende kopbladen). De politieke koers van die kranten stond behoorlijk vast. Voor Hervormden lag dat complexer. Het van oorsprong christelijk-historische dagblad De Nederlander werd in 1945 al heel gauw ‘gekaapt’ (zoals de CHU onder leiding van Tilanus vond) door de doorbraak-christenen en al in 1947 opgeheven. Hervormden zullen, net als remonstranten en doopsgezinden, dus dagbladen zonder een specifieke christelijke signatuur hebben gelezen: De Nieuwe Rotterdamse Courant, het Handelsblad, of – als ze linkser stonden – het Vrije Volk. Of een van de vele plaatselijke of regionale dagbladen met gezag, zoals de Leeuwarder Courant of het Haarlems Dagblad.

Hoger opgeleide vooruitstrevende christenen waren abonnee van periodieken als: Tijd en Taak (blad van de religieus-socialisten van de Woodbrookers, onder redactie van Willem Banning, Jan Buskes en anderen, met een oplage van ruim 3000 abonnees); Militia Christi (het blad van Kerk en Vrede dat toen nog een behoorlijk grote aanhang had), In de Waagschaal (1953: 5000 abonnees) en vanaf 1946 Wending (in 1949: 4000 abonnees, fuseerde in 1991 met Tijd en Taak). Conservatieve christenen hadden ook hun lijfbladen. Zo lazen Vrijgemaakten de Reformatiestemmen, later Gereformeerd Gezinsblad geheten, dat vanaf 1967 het Nederlands Dagblad werd.

Ondanks de beperkte oplages (3000-5000 abonnees) hoeft de invloed van zulke periodieken niet te worden onderschat. Artikelen en opvattingen eruit werden becommentarieerd door de redacties van dagbladen en vonden zo hun weg naar een groter lezerspubliek.

Daarnaast bestonden natuurlijk officiële of semi-officiële kerkelijke weekbladen. Veel gewone gemeenteleden waren voor hun oriëntatie daarvan afhankelijk. Hoe informeerden ze hun lezers over de kwestie-Indonesië (door sommigen hardnekkig de kwestie-Indië of de Indische kwestie genoemd). Dat is de vraag waarop  ik hier nader wil ingaan. Vijf weekbladen heb ik nageslagen over de jaren 1945-1949: Het Gereformeerd Weekblad; De Hervormde Kerk (zo’n 80.000 abonnees); het Algemeen Doopsgezind Weekblad; het Remonstrantsch Weekblad en tenslotte Het Luthers Weekblad ‘De Wartburg’, vanaf 1949 Evangelisch-Luthers Weekblad geheten. Aan de hand van enkele thema’s probeer ik te schetsen hoe in deze kerkbladen over de Indonesië kwestie werd gedacht. Tijd en Taak, natuurlijk geen kerkblad in de strikte zin van het woord, leg ik af en toe wel naast bovengenoemde periodieken. Allereerst een algemene opmerking.

1) Er speelde in de jaren 1945-1950 natuurlijk veel meer dat aandacht vroeg. Om maar enkele zaken te noemen: de toenemende invloed van het communisme en in verband daarmee in 1948 de inlijving van Hongarije binnen de communistische invloedssfeer; de vraag (vooral binnen gereformeerde kringen) of christenen wel lid van de PvdA konden worden; de verkiezingen medio 1946 en 1948 en daarna opeenvolgende kabinetten 1946-48, 48-51, waarbij de ARP buitenspel stond. De vraag of de doodstraf mocht worden uitgevoerd bij oorlogsmisdadigers, en ook de reïntegratie van voormalige NSBers in de samenleving. Voorts de troonsafstand van Wilhelmina en de opvolging door Juliana en de oprichtingsvergadering van de Wereldraad van Kerken in Amsterdam, beide in de zomer 1948; En dan kerkelijk: de invloed van Karl Barths dialectische theologie; de nieuwe Hervormde Kerkorde in 1948; de plaats van de vrouw in het ambt; in gereformeerde kringen het verzet tegen oecumene en WCC  (terwijl hun zendingskerken in Indonesië wel oecumenisch meededen!); het wel en wee van zusterkerken elders in de wereld. Kortom, de Indonesië kwestie kreeg wel aandacht, maar was zeker niet het enige belangrijke item in die jaren.

2) In Het Gereformeerd Weekblad kreeg de verklaring van 13 zendelingen uit december 1945 al gauw aandacht en kort daarna ook de brochure van zendeling H.van den Brink; beide worden bij Van de Wal uitvoerig genoemd. Van den Brink kreeg in vier artikelen (van jan.-maart 1946) de gelegenheid om de verklaring toe te lichten en verwees o.a. naar Abraham Kuyper die in 1879 had verklaard: we zoeken in Indië ‘geen exploitatie, geen kolonisatie, maar voogdij’. De tijd van voogdij was nu voorbij. De verklaring had ook verwezen naar een toezegging van Wilhelmina van 7.12.1942. Die uitspraak van Wilhelmina zou ook in deze kerkbladen herhaalde malen worden gebruikt als argument voor de rechtmatigheid én de begrenzingen van het onafhankelijkheidsstreven. Kritiek op Van den Brink kon niet uitblijven. Zo was J. Hoogervorst (5.4.1946) bang voor afbraak van Indië als het helemaal zelfstandig zou worden. Soekarno met z’n revolutionaire en goddeloze streven vormde een groot gevaar. Soekarno werd in kringen van deze kerkbladen regelmatig als een gevaar gezien. Soekarno is ‘een aartscollaborateur en draaitol’ aldus M.G.S. in De Hervormde Kerk (2.2.1946).  Van den Brink zou in latere jaargangen van Het Gereformeerd Weekblad niet opnieuw de kans krijgen zijn positie te verdedigen. Trouwens, ook Verkuyl kreeg (of nam) daartoe geen kans; hij schreef in maart 1946 alleen twee keer iets over geestelijke arbeid in Japanse kampen en over de Javaanse kerken tijdens de bezetting. Verkuyls stem was alleen te horen in het Remonstrants Weekblad : de tekst van zijn radiotoespraak vanuit Jakarta op de avond van de ondertekening van het Linggajati akkoord (Rem. Weekblad 18.4.1947) De werkelijke woordvoerder van de visie van deze 13 zendelingen werd J.H. Bavinck, die natuurlijk als hoogleraar aan de VU en in Kampen een groot gezag had. Vanaf juli 1946 maakte hij in minstens vijftien weloverwogen artikelen de noodzaak van onafhankelijkheid duidelijk. Zijn verslagen over de Kwitangconferentie in mei 1947 toonden aan, dat er een diep wantrouwen heerste bij de Indonesische christenen: ‘men is bang voor ons’. Het lijkt erop, dat Bavinck de wens tot zelfstandigheid van de Indonesische (specifiek: Javaanse) kerken en meer in het algemeen in Azië als een breekijzer gebruikte om telkens opnieuw te kunnen zeggen: we moeten de politieke onafhankelijkheid van Indonesië aanvaarden.

3) Natuurlijk speelde in Het Gereformeerd Weekblad één principiële theologische kwestie voortdurend een rol: de gehoorzaamheid aan de overheid. Soekarno’s streven ging lijnrecht in tegen dit belangrijke, anti-revolutionaire punt; aan de gevestigde interpretatie van Romeinen 13 viel niet te tornen. Ook daar was Bavinck soepeler. Over de houding van veel christelijke jongeren in Indonesië schrijft hij (17.9.1948): ‘[Het] ontging hun als regel, dat er in deze beweging om de volledige vrijheid ineens te grijpen, een revolutionair element lag, een element, waartegen zij als Christenen stellig hadden moeten protesteren.’. ‘Men zat [ook als kerk] te veel midden in de maalstroom van het gebeuren dan dat het mogelijk was, om rustig en bezonnen daarover een oordeel uit te spreken.’ Anderen bleven feller op dit punt. Deze discussie tussen voor- en tegenstanders ging door tot het eind van 1949. Zo protesteerde een zekere Knibbe uit Leiden fel tegen Bavincks positie (23.12.1949): Wij moeten de Ind. Christenen blijven waarschuwen tegen bolsjewistisch gevaar en islam. ‘Wat zou er een golf van ontroering en van diepe vreugde door ons Christenvolk gaan als de eenheid tussen de Nederlandse christenen, de zending en de Indonesische christenen weer hersteld zou worden’. Bavinck reageerde waardig (30.12.1949):  ‘nu deze dingen tot een afsluiting gekomen zijn  [heb ik] gemeend me de vraag te moeten stellen, of in dit hele gebeuren ook niet iets van Gods wil zichtbaar is, die dwars door onze fouten en misdaden heen zijn heilig plan volvoert.’ Dat was wel degelijk een relativering van het starre anti-revolutionaire standpunt. Dat anti-revolutionaire geluid klonk natuurlijk mede zo zwaar, omdat de ARP voortdurend in de oppositie zat in de Tweede Kamer!

4) Twee andere zaken zijn aan bovenstaand thema gerelateerd. Het eerste is de vraag, of christelijke jonge mannen dienst mochten weigeren, nu ze de kans liepen naar Indonesië te worden gestuurd. In gereformeerde kring was dat nauwelijks een punt van discussie. Ik vond het punt slechts eenmaal terug in Het Gereformeerd Weekblad in een bijdrage van G. Brillenburg Wurth (19.8.1949): je moet niet vóór dienstweigeren zijn! Dienstweigeren om religieuze redenen is mogelijk, maar niet, ‘omdat men het met bepaalde gestes van z’n overheid niet eens is.’ Gezag is gezag, en belijdende jongeren en hun ouders zullen dat moeten verstaan. Bij hervormden en natuurlijk vooral bij doopsgezinden lag dat genuanceerder. Opvallend is de overheidsgetrouwe opvatting van Hendrik Kraemer (6.7.1946) ‘Als militair naar Indië?’ Moet dat wel? Allereerst moet gezegd worden ‘dat een lid der Kerk en een belijdend Christen als zoodanig tegenover zulk een maatregel als zijnde een wettig tot stand gekomen maatregel der overheid in een verhouding van gehoorzaamheid staat’ Tenzij hij dat omwille van zijn geweten niet kan verantwoorden. Ten tweede: ‘Ten einde het stoffelijken geestelijk grondig-gedesorienteerde Indië weer op te bouwen, is de samenwerking van Nederlanders en Indonesiërs op alle terreinen des levens volstrekt onmisbaar. ‘ Daarvoor zijn ook voldoende troepen nodig, Aldus Kraemer. Dit artikel werd hem door velen uit de progressieve hoek niet in dank afgenomen. In latere bijdragen (zoals in Wending) liet hij een kritischer geluid horen. Een ander, velen van ons eveneens bekend, liet in april 1947 een soortgelijk geluid horen: E.J. Jansen Schoonhoven ‘De Christen en de militaire dienstplicht’  Onze regering, aldus Jansen Schoonhoven, koos terecht voor een staatsverband gebaseerd op een vrijwillig samengaan van Indonesië en Nederland. Maar om dat te bereiken, is een gewapende macht nodig, omdat zonder deze een overheidsgezag niet meetelt. En daarom kunnen christen-jongeren en predikanten zich met een goed geweten in het verband van leger en vloot naar Indonesië begeven. ‘Dat onze regering niet van plan is een koloniale oorlog te gaan voeren [….] heeft zij duidelijk genoeg getoond.’ Op zijn artikel kwamen, blijkens een redactionele mededeling, een aantal kritische reacties, die echter geen van alle geplaatst werden. Het niet-plaatsen van kritische lezersbrieven was trouwens meestal een manco in deze kerkbladen! Het zal niet verbazen, dat de kwestie van dienstweigeren het vaakst voorkomt in het Algemeen Doopsgezind Weekblad. Daar bestond een eigen Doopsgezinde Vredesgroep en de voorzitter daarvan, F. van der Wissel, pleitte verschillende keren voor dienstweigeren. Maar toen ds. Harm Gaaikema zich in april 1947 kritisch uitliet over een collecte voor doopsgezinde militairen (want die hield de ADS wel!) reageerde een moeder met een dienstplichtige zoon in Indonesië nogal onthutst: ze ervoer het artikel van Gaaikema als een bajonetsteek met de pen en citeerde uitvoerig uit een brief van haar zoon: ergste vijand zijn de afzichtelijke ziektes, w.o. geslachtsziektes. Daarom is een handreiking aan deze jongens wel nodig. ‘Wij moeten respect hebben voor idealisten als Ds. G. ongetwijfeld is. Laten zij echter oppassen, anderen in hun idealisme niet te verwonden.’ (ADW 7.6.1947). Ook bij remonstranten en lutheranen werd het thema dienstweigeren genoemd, zij het incidenteel. Voor de lutheranen bood de twee-rijkenleer van Luther natuurlijk een uitweg uit zo’n dilemma; maar de latere seminariehoogleraar C. Riemers (7.11.1947) erkende wel: ‘Een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.  De laatste beslissing valt in het geweten, dat zich stelt in het Licht van Gods Woord en van de Belijdenis, maar dat daarna dan ook als hoogste eis aan zichzelf stelt: de gehoorzaamheid aan God. Het is niet geraden iets tegen het geweten te doen.’

5) De tweede zaak die verband houdt met de gehoorzaamheid aan de als legitiem beschouwde koloniale overheid, is: de stem van legerpredikanten. Tientallen predikanten gaven zich in die jaren vrijwillig op om een of twee jaar in Indonesië te dienen, de meeste komend van de rechterflank van de kerk. Het blad De Hervormde Kerk meldt nog op 29.4.1949 dat 27 legerpredikanten naar Indonesië vertrekken. Bovendien waren er ook enkele remonstrantse, doopsgezinde en lutherse legerpredikanten. Een aantal van hen stuurde regelmatig berichten, die in deze kerkbladen werden gepubliceerd. Ik heb de indruk, dat de ruimte die daarvoor beschikbaar was, in het algemeen zeker opwoog  tegen de ruimte voor kritische stemmen! Predikanten als Le Cointre (gereformeerd), Stelma en Konigsberger (hervormd), Van Hille (remonstrant), Jense en Steinhart (luthers). Ze schetsten vaak een positief beeld van onze troepen, ook als soort ontwikkelingswerkers! Alleen Gorter (ADW 16.8.1947) en Bavinck (1.10.48 Gereformeerd Weekblad) kraakten een harde noot over de wreedheden in Zuid-Celebes, het gevangenentransport van Bondowoso dat vele dodelijke slachtoffers eiste e.d., ‘waarover de kranten in NL weinig schrijven, maar de Indon. pers des te meer.’ Hier, zoals in veel opzichten, was Tijd en Taak terecht veel scherper van toon (v Schouwenburg TeT 45/37, 14.6.1947, Buskes, 46?49 12.9.48, tegenstem van H.H. Meijer 16.10.48) Wellicht vertrouwden de kerken te gemakkelijk op de eenzijdige berichtgeving vanuit Nederland.

6) Het verbaast niet dat de kwestie Indonesië met name genoemd werd in deze kerkbladen bij het begin van de twee politionele acties en tenslotte bij het uiteindelijke akkoord en de soevereiniteitsoverdracht per 1.1.1950. Op zulke momenten kwam de synode van de NHK soms met verklaringen; dat was niet de stijl van remonstranten en doopsgezinden; die lieten zoiets over aan een hoofdredactioneel commentaar. Een kanselboodschap van de Oecumenische Raad van 21.8.1949 (begin van de Ronde Tafelconferentie) werd echter alleen in de remonstrantse en doopsgezinde kerkbladen afgedrukt. Ruitenberg liet zich in Tijd en Taak (48/15 14.1.1950) uiterst teleurgesteld uit over deze misser van de hervormde synode. Over het algemeen waren zulke publieke uitspraken toch al voorzichtig van toon. Op een verklaring van de synode van de NHK van 14.1.1949 (ook bij v.d. Wal te vinden als bijlage 13) kwamen opnieuw kritische reacties, die ook nu niet werden weergegeven. De latere algemeen secretaris F.H.Landman reageerde er wel op; de verklaring wilde een getuigenis zijn, maar volgens de hervormde confessie draagt de regering wel een eigen verantwoordelijkheid (Hervormde Kerk 29.1.1949).

7) Een paar korte slotnotities.

a) Het kijkt erop, dat men aan hervormde kant eigenlijk meer aandacht had voor wat omging in de Protestantse Kerk in Indonesië (die natuurlijk t.a.v. het streven van de Republiek eigen afwegingen kende), dan voor de positie van de missionaire kerken op Java. En tot bijna het eind toe opteerde men voor een federatieve staat. Het Lutherse Weekblad bekeek de hele situatie vooral vanuit de positie van de zending op Nias, Mentawai en andere gebieden van Sumatra. Dat stond ver weg van de problemen op Java. Een integere criticus was hier de Lutherse hoogleraar P. Boendermaker.

b) Opvallend is, dat Indonesiërs zelf niet of nauwelijks aan het woord komen. Alfred Simandjuntak schreef eenmaal een bijdrage (t.t.v. de oecumenische assemblee van jongeren in Oslo); maar van het bezoek dat Probowinoto aan ons land bracht in september 1948 is nergens een verslag te vinden. Ook de zendingsconsuls De Niet, van Beijma en Bakker kregen of namen zelden of niet het woord [Van Beijma alleen enkele malen een ‘zendbrief’ in Luthers Weekblad; De Niet: verwijzing naar artikel in Wending, 1949; Bakker: enkele artikelen najaar 1947 inGereformeerd Weekblad]. Telde hun gezag soms niet?

c) Tenslotte, ook de linkse critici van de regering kwamen niet aan het woord: Banning, Buskes, van Walsum, Ruitenberg en anderen. Buskes’ 25 jarig ambtsjubileum werd uitbundig genoemd, maar niet zijn kritiek! Blijkbaar dacht men: daarvoor heeft hij zijn eigen blad. In Tijd en Taak was Buskes de absolute kampioen wat aantallen artikelen over de Indonesië kwestie betreft: minstens 15, allemaal even fel. Verdoorns brochure wordt in een paar kerkbladen besproken en ook enkele andere publicaties. Maar dat is eigenlijk alles. Overigens: vrijwel geen van die critici uit de kring van Tijd en Taak brak met de PvdA al hadden sommigen geen goed woord over voor de partij (het failliet van de PvdA). Banning die weinig naar voren kwam, erkende vlak na de Tweede politionele actie dat hij de politiek van de regering absoluut niet kon volgen, maar hij weigerde Drees als persoon zedelijk te veroordelen (TeT 47/16, 15.1.1949). In een soort slotbeschouwing viel Banning zowel Trouw als Elsevier frontaal aan: ‘Er is hier geen sprake van tegengestelde inzichten, maar van een vergiftigende, soms tierende haat’ (48/7, 12.11.1949). Er zou, vanaf 1950, nog heel veel gedaan moeten worden om verzoening te bewerkstelligen, niet alleen tussen Nederland en Indonesië maar ook tussen de verschillende botsende stromingen in eigen land. Begin 1950 was men nog tot op het bot verdeeld.

Dr. Alle Hoekema is universitair hoofddocent Missiologie aan de Vrije Universiteit.

2 reacties

  1. Arend Altena
    11 december 2012 om 12:11

    Met dank voor het goede overzichtsartikel van prof. Hoekema een korte reactie.
    Hij eindigt met dat men begin 1950 nog tot op het bot verdeeld was. Vanuit totaal andere gezichtshoek kan ik dat alleen maar bevestigen.
    Rond die tijd kwamen vele duizenden militairen terug uit Indonesië. Bij het vertrek wisten zij (m.n. rooms-katholieken en gereformeerden) de kerk achter hun uitzending stond. Voor God, koningin en vaderland waren ze gegaan, voorgespiegeld dat ze er heen gingen om te bevrijden en te beschermen, zo zeggen ze mij veelal in hun gesprekken met hen. Maar daar waren ze terechtgekomen in een smerige guerrillaoorlog, waarin je geen schone handen houdt. En langzamerhand kwam een aantal er achter dat ze misbruikt werden in een koloniale oorlog. Toen ze terugkwamen hebben ze zich door zowel de vertegenwoordigers van God, als koningin en vaderland in de steek gelaten gevoeld.
    Zoals prof. Hoekema ook schrijft, voor dienstweigeraars was weinig begrip en ruimte. (Vergeten is ook vaak dat de positie van dienstweigeraars niet best was, drie jaar in werkkampen, die meer op strafkampen leken en ook zij ondervonden later weinig steun.)
    Dat er van de kant van het ministerie van oorlog weinig nazorg was, behalve voor lichamelijk gewonden in het militair revalidatiecentrum, weten we wel. Maar dat er van de kant van de kerken weinig aandacht was voor deze vaak eenvoudige, met de door prof. Hoekema beschreven discussies onwetende, jonge jongens, hebben de kerken gemakshalve vaak vergeten.
    Veel van deze jongens hebben zich bij thuiskomst in de steek gelaten gevoeld en hebben, voor zover hun geloof in de oorlog in Indonesië al niet op de proef gesteld was, hun kerkelijkheid alsnog hier aan de wilgen gehangen.
    Kort door de bocht zeg ik na vele gesprekken wel eens, sommige predikanten – ik denk vooral hervormde kritische predikanten – vroegen hooguit of ze niet iemand gedood hadden, de pastoor vroeg meer naar het behoud van de kuisheid. Andere geestelijken dankten in de kerk voor hun thuiskomst, maar daarna werd er verder het zwijgen toegedaan. Bij zoveel onbegrip en gebrek aan aandacht voor hun ingrijpende, verwarrende ervaringen en worsteling met vragen als schuld en schaamte, haakten velen af en hielden kerk en helaas ook nogal eens geloof voor gezien. Hoewel bij het stijgen van de leeftijd er velen toch weer over wilden praten. De kerk zou op dit punt ook nog wel wat aan zelfonderzoek kunnen doen en enige bescheidenheid, schaamte en schuldgevoel zou passend zijn.

    Arend Altena, sinds 1995 predikant/geestelijk verzorger bij het voormalige nazorgcentrum van de Bond voor Militaire Oorlogs- en dienstslachtoffers (BNMO), sinds 2006 De Basis te Doorn

  2. […] Onderstaande tekst is uitgesproken tijdens het symposium rond de presentatie van het boek Tot op het bot verdeeld  theoblogie.nl/ […]