Bijbel

Wat moet een ongelovige met de Bijbel?

Interpretatie | mei 2013 - Diverse auteurs‘Ik heb niets met de kerk, maar mijn kind gaat straks wel naar een christelijke school. Want ik wil dat het al die verhalen leert kennen’, aldus de 35-jarige vader van een peuter. De Bijbel als een boek vol verhalen. Meestal gaan we als gelovigen verder dan dat. Maar als je nu eens bij die verhalen blijft, mis je dan zo veel?

De Bijbel is een boek over Gods weg met mensen, en de weg van mensen met God. Dat levert prachtige poëzie, schrijnende verhalen en nagenoeg onbegrijpelijke visioenen op. En vele, vele prachtige verhalen. Met al die teksten komen ook de vragen. Want wat is ervan waar? En hoe koppel je die mooie verhalen aan de archeologische vondsten, of de hedendaagse normen en waarden? En dan natuurlijk de vraag naar de theologie van al die verhalen. Een centraal idee, of een doorgaande lijn wordt vaak gezocht. Zo ook in de recent verschenen Theologie van het Oude Testament van Koorevaar en Paul (Zoetermeer 2013). Zij nemen Genesis als uitgangspunt voor hun beschouwing van de rest van de Bijbel. Thema’s als zonde en belofte bepalen vanuit Genesis de rest van de Bijbel1.

Het is een totaal andere visie dan die Kuijer ontvouwt op Genesis. Hij hoeft natuurlijk ook geen bijbelse theologie te schrijven, en kijkt als een verhalenverteller naar het werk van de bijbelschrijvers. Kuijer maakt daar zijn eigen verhaal van. Hij beperkt zich daarbij niet tot de teksten van de Bijbel. In de discussie van Adam en Eva over de slang klinkt voor de kenner van de kerkelijke geschiedenis de kwestie-Geelkerken door. De moderne theologie is blijkbaar een hobby van Kuijer, want ook op andere plaatsen kom je deze tegen. En zo ook bijbelteksten en liederen, die hij met spitsvondigheid en humor gebruikt. Dit soort verwijzingen maken het boek voor theologische fijnproevers interessant. Juist daarom is het jammer dat er geen literatuurlijst en noten zijn.

Feuerbach
In een bijbelse theologie is het geen vraag of God bestaat. Discussie kan er nog wel zijn over het aandeel dat God heeft in het ontstaan van de tekst. Kuijer, die als literair auteur zich los van allerlei theologische concepten kan bewegen, speelt in dit boek wel voortdurend met de vraag of God bestaat.

God was een tijdje sprakeloos.
Toen zei hij: ‘Jij bent Adam, want dat betekent mens. Je bent op aarde omdat iemand op de boel moet passen. En als je even niks te doen hebt, moet je mij bejubelen.’
‘O,’ zei ik, want die Adam, dat was ik natuurlijk. ‘En waarom kan ik u niet zien?’
‘Omdat ik een woord ben.’
Toen wist ik het weer: toen ik wakker werd, was dat het woord dat ik het eerst bedacht: god. (pag. 14)

Adam raakt er in Kuijers tekst langzaam toch van overtuigd dat God echt bestaat. Eva blijft de houding vertegenwoordigen van God als bedenksel, aan het menselijk brein ontsproten. Zij is een volger van Ludwig Feuerbach, de negentiende-eeuwse Duitse filosoof die ervan uitging dat God een gedachte is van de mens, en dat die gedachte ook door de mens weer kan worden teruggenomen. Voor Eva hoeft dat terugnemen niet zo, maar ze ziet wel hoe Adam te overtuigen is om iets wel of niet te doen, doordat ze zegt dat God iets gezegd of gedaan heeft. De macht van God, en het spreken van hem gebruikt ze zoals het haar en – in de toekomst – haar gezin uitkomt. In een ander deel van het boek, waar Sara de hoofdpersoon is, gebruikt Sara die macht op dezelfde manier om Abraham te bewegen op weg te gaan naar Kanaän. Ze laat het idee aan haar eigen brein ontspruiten, maar laat het God zeggen tegen Abraham.

Interessant is in dit verband de gedachte die Arjan Plaisier, scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, uitsprak in een interview:

Maar als we het nu eens omdraaien, ervan uitgaan dat God ons heeft bedacht. Dan zijn we niet in onszelf opgesloten. Dan zijn we niet zelfgenoegzaam, ligt het zwaartepunt niet in de mens zelf. Dat is een prachtige gedachte over het menszijn: we zijn niet een ontwikkeling die maar voortrolt, maar een gedachte van God2.

In die lijn vinden de tegenspelers van Eva en Sara, Adam en Abraham zich. Voor hen is hun leven er niet zomaar, maar zijn ze gewild en geleid door God. En daarmee tekent zich in de manier waarop Kuijer de gesprekken tussen Adam en Eva, tussen Abraham en Sara weergeeft, haarfijn de lijn van de discussie af zoals die op veel plaatsen vandaag gevoerd wordt. Wat is van God, wat is van ons? De titel Bijbel voor ongelovigen3 zet daar dus eigenlijk al bij in.

Twijfel
Het hervertellen van de verhalen, en invullen van wat de karakters denken is iets wat wekelijks op vele preekstoelen gebeurt. In die zin kan Kuijer zo de preekstoel op. Voeg daarbij de twijfel die vaak over het bestaan van God wordt geuit door de personages, tegenover het vertrouwen in God dat andere personages juist uitspreken, en deze hervertelling weerspiegelt de stand van zaken bij vele gelovigen. De personages kampen met herkenbare vragen. Zoals Cham, die uitgebreid overdenkt wat voor God dat eigenlijk is die kinderen laat doodgaan in een zondvloed. Net zo herkenbaar is de verzuchting van Ben-Oni (Benjamin) tegen God:

U bent te ingewikkeld voor ons. Ik ken Kanaänitische en Egyptische goden die eenvoudiger zijn dan u. Daarom vraag ik u: wees duidelijk, verklaar u nader, maak uw bedoelingen bekend, want anders gaan de mensen voor u verloren.

Een menselijke God
Aan het eind van het boek verdwijnt God langzaam uit beeld. De Jozef-geschiedenis is vooral een resultaat van onwijze en wijze beslissingen, van slim bestuur en inzicht. Maar niet van Gods handelen. Zo weerspiegelt het boek, dat begon met een heel aanwezig besef van God bij Adam, de gang van Kuijers eigen geloof. Want zelf schrijft Kuijer dat hij vanaf zijn tiende al niet meer geloofde. ‘De bijbelverhalen bleven me niettemin fascineren, niet om hun vrome inhoud, maar om hun verbazende vertelkracht’ (pag. 285).

Het verhaal van Jozef wordt door Kuijer gereduceerd tot een historisch en ethisch verhaal, zonder daadwerkelijke rol voor God. Het verhaal wordt zo platter dan de bijbelse versie, want met God verdwijnt de mysterieuze, diepere laag van het verhaal. Als niet alles door mensen beslist en bedacht kan worden, blijft er de mogelijkheid tot onverwachte en ongedachte verandering. Die grote mogelijkheid van God wordt door Kuijer in dit verhaal te klein gemaakt. De spanning verdwijnt ook uit het verhaal doordat Kuijer erg veel in het verhaal ontmythologiseert en wegverklaart, zoals de omstandigheden in de Egyptische gevangenissen en de manier waarop Jozef de dromen een betekenis kon geven. Het verhaal is meer historie geworden, en veel minder onderdeel van de oosterse verteltraditie, waar het verhaal van Jozef zo’n mooi voorbeeld van is.

Kerk en wereld
Kuijer is wars van gelovigen die God voor hun karretje spannen. Of het nu is in een ‘heilige oorlog’ zoals die zich rond de toren van Babel ontvouwt, of in de strijd tussen Kaïn en Abel. God gebruiken om een ander kwaad te berokkenen wil er niet in bij Kuijer. Wat dat betreft is de lezer die zijn boek Hoe een klein rotgodje God vermoordde (2006) kent, natuurlijk niet verrast. De politieke partijen in Nederland die proberen religie uit het publieke domein te laten verdwijnen, ageren ook juist tegen een dergelijk gebruik van religie. En ik denk de meeste kerkgangers ook. Sterker nog: de Bijbel zelf is hier duidelijk tegen. ‘Misbruik de naam van de Heer uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan’ (Ex. 20:7). Dit gebod is mede bekend geworden door de Bond tegen vloeken, maar gaat over veel meer dan wat je zegt als je met de hamer op je duim slaat. De Tien Woorden zijn richtingaanwijzers voor goed samenleven als volk van God. Dat samenleven is met medemensen, en met God. En in dat kader wordt aangegeven dat de naam van God niet bij zaken genoemd moet worden waar hij niets mee te maken wil hebben. Interessant is natuurlijk dat Kuijer dit principe toepast op de bijbelse verhalen zelf. Zo laat hij de torenbouw van Babel en de nare gevolgen hiervan zoals onenigheid en rivaliteit, iets zijn waarbij de mensen onterecht de naam van God in het geweer brengen om zichzelf te rechtvaardigen. Uiteindelijk is alle begrip voor elkaar verdwenen, en is hun taal niet meer toereikend om elkaar te zeggen wat ze willen. Selach, de hoofdpersoon in het verhaal over de torenbouw van Babel, zegt dat ook als hij van zijn vriend Jobab hoort wat er gaande is rond de torenbouw. Jobab probeert hem duidelijk te maken dat de toren niet gewenst is door God, en zal leiden tot godslasterlijke activiteiten in de toekomst:

Elk van deze woorden is zo leeg als een rammelende maag, ze betekenen niets, de taal die deze mensen uitslaan komt uit een andere wereld, ze is onbegrijpelijk voor mensen met verstand.

Een citaat dat uit de mond kan komen van iemand die vandaag een willekeurige kerk binnenstapt. Het legt ook precies  de vinger op de zere plek voor het missionaire werk van kerken: de taal in de kerk staat vaak ver af van de taal buiten de kerk, en het idee dat geloven niet past bij een verstandelijke benadering van het leven. Een mooi uitgangspunt voor een missionaire preek biedt deze tekst dus. En ook als op Pinksteren het verhaal van de torenbouw en Handelingen 2 verbonden worden, is dit een mooi citaat.

Verteller
Kuijer kiest steeds het perspectief van de underdog: degene die in het oorspronkelijke verhaal niet echt aan bod kwam, vertelt nu het verhaal. En dat weer in een raamvertelling, zo blijkt wanneer op de laatste pagina Jochebed, de moeder van Mozes, aan het woord blijkt te zijn geweest, die al deze verhalen uit haar geheugen heeft opgediept.

(…) verhalen worden meestal na het vallen van de duisternis verteld, waardoor je niet altijd weet wie er nu precies aan het woord is. Het kan zijn dat iemand mijn naam gebruikt om zijn verhaal van meer gezag te voorzien dan het verdient. Blijf dus zelf bedenken wat u gelooft en wat niet. (pag. 284)

Oorkondenhypothesen, bronnen of redacties worden niet benoemd. Maar de kwestie dat Genesis een boek is dat ontstaan is in en door de traditie is hiermee wel aangeroerd4. Het boek Genesis is immers de kern van veel theorieën over het ontstaan van de Bijbel, en inzet van vele discussies over het waarheidsgehalte van de inhoud ervan. Kuijer bekommert zich om al deze vragen niet, en focust zich op de verhalen zoals hij die in de Bijbel aantreft. Wat dat betreft past hij in de lijn van Robert Alter en zijn focus op de narrativiteit van de teksten. Kuijer gaat liefdevol met de teksten om, en ontmythologiseert deze maar gedeeltelijk. Iets te veel doet hij dat in het verhaal over Jozef, maar de zondvloed en de torenbouw van Babel laat hij wel gebeuren en verklaart hij niet weg. Dat kan hij, omdat hij consequent via de mond van zijn personages spreekt. Het zijn mensen die het verhaal van hun weg en ervaring met God vertellen.  Kern Het bijbelboek Genesis gaat over Gods weg met mensen, en de weg van mensen met God. De complicerende factor van mensen die daar anders over denken, en tegenover wie je in de minderheid bent, komt helder naar voren in Genesis. Theologisch gaat de cirkel van de mensen die bij het verhaal van God betrokken worden van klein naar groot. Van twee mensen naar een gezin, naar een stam, naar een volk. Van een paradijs naar een nomadenbestaan, naar een tijdelijk wonen in een land, tot gast zijn in een vreemd land. Genesis is in een notendop de historie van de mensheid, en het palet van mogelijke fasen voor gelovigen. Het thema monotheïsme-polytheïsme speelt ook door het boek heen. Al die thema’s komen in het boek van Kuijer ook weer aan de orde. Wat dat betreft is het een mooie moderne theologie van het bijbelse boek, zeer geschikt voor gelovigen. En ongelovigen.

M.E.J. den Braber is predikant, oudtestamentica en voorzitter van de redactie van Interpretatie. Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Interpretatie – tijdschrift voor bijbelse theologie, jaargang 21-3, mei 2013.

 

Noten

1. Zie de recensie van Theologie van het Oude Testament, op pag. 46. van Interpretatie 21/3.
2. Trouw, Letter & Geest 19 januari 2013, 13.
3. Guus Kuijer, De bijbel voor ongelovigen. Het begin. Genesis, Amsterdam: Athenaeum 2012, € 18,95 ISBN 978 90 253 7005 3, 276 pag.
4. Zie W. Hilbrands, ‘Het boek Genesis in recent onderzoek’ in: K. Spronk (red.), Genesis (ACEBT 27), Bergambacht: 2VM 2012, 1-22.