Tijdens de boekpresentatie van Gouden Oogst reageerde Gijsbert van den Brink (auteur van En de aarde bracht voort) op de loopbaan en het laatste boek van Prof. Dr. Wim Verboom, die o.a. bijzonder hoogleraar in de Faculteit der Godgeleerdheid op het gebied van de geschiedenis van het gereformeerd protestantisme aan de universiteit van Leiden was.

Willem Verboom heeft een prachtig boek (Gouden Oogst, red.) geschreven. Ik hoop van harte dat het niet zijn laatste boek zal zijn, maar het heeft wel iets in zich van een geestelijk testament. De balans wordt opgemaakt over vijftig jaar ambtelijke werkzaamheid in Gods Koninkrijk. Dat gebeurt breed en diep. Breed omdat welhaast alle aspecten van het staan en werken in de kerk aan de orde komen; diep omdat telkens ook afgestoken wordt naar de onderliggende theologie van waaruit Verboom invulling gegeven heeft aan zijn roeping. Telkens merk je dat die onderliggende theologie voor hem richtinggevend is geweest, en dat door de jaren heen zelfs steeds meer geworden is.

Terecht tekent hij ergens aan, dat je onmogelijk predikant kunt zijn zonder theoloog te zijn – dat wil zeggen zonder een doordachte visie te hebben, en die ook te blijven ontwikkelen, op hoe je je werk plaatst in het perspectief van God en Zijn handelen.

In de predikantsopleiding komen we nog wel eens studenten tegen die in hun studie met magere voldoendes tevreden zijn, omdat ze zo snel mogelijk predikant  willen worden. Zij vergeten dat ze het predikantschap alleen maar verantwoord kunnen uitoefenen als ze ook en eerst theoloog zijn. Dat kunnen ze bij Verboom dus leren. Zoals niet alleen zij, maar íeder die predikant is of dat wil worden veel vruchten kan plukken in deze Gouden oogst.

Verboom heeft zijn boek geschreven ‘voor allen die in het kerkelijk leven en het predikantschap geïnteresseerd zijn’, in het bijzonder voor ‘de nieuwe generatie predikanten, studenten theologie, proponenten en kerkelijk werkers’ (12). Hij denkt ook aan andere ambtsdragers en de vele vrijwilligers in de kerk, maar het lijkt erop dat hij, in het verlengde van het werk dat hij aan de universiteit gedaan heeft, toch vooral (a.s.) predikanten zowel theologisch als praktisch het een en ander mee wil geven. Daarbij kan het líjken of hij wat eentonig is, door voortdurend maar de éne snaar van het verbond te bespelen. Het verbaast denk ik niemand dat, zoals op p.230 staat, iemand op een envelop Verboom per ongeluk ooit aanschreef als ‘dr. W. Verbond’.

Toch is die eentonigheid schijn. Want met de notie van het verbond komt enorm veel mee. Verboom laat helder zien dat hoe je over het verbond denkt gevolgen heeft voor hoe je de kerk ziet, de prediking, het geloof, maar ook de mensen, en uiteindelijk zelfs hoe je God. Het omgekeerde is natuurlijk ook waar (hoe je God ziet, bepaalt hoe je het verbond ziet), maar de notie van het verbond is bij Verboom dus het prisma waarin alle stralen van de theologie om zo te zeggen samenkomen.

Verboom en de academie

Mij is gevraagd in het bijzonder te reageren op Verbooms functioneren aan de academie. Ik kan als het daarover gaat eigenlijk alleen maar bevestigen wat Verboom daar zelf in hoofdstuk 8 over schrijft. Verboom heeft in zijn Leidse tijd enorm verbindend gewerkt. Ook dat had natuurlijk alles met zijn visie op het verbond te maken – tot in de etymologie toe hangen ‘verbond’ en ‘verbinding’ met elkaar samen. Verboom schrijft zelfs dat pas in Leiden de verschillende aspecten van het verbond zoals die in zijn boek beschreven zijn bijeenkwamen (217). Het was voor het eerst sinds vele jaren dat in het Leidse, waar zo streng de hand gehouden werd aan de duplex ordo, weer een Bonder als docent aantrad. Ik was er op dat moment nog niet bij, maar ik stel me voor dat de houding van sommigen enigszins wantrouwend en misschien zelfs wat neerbuigend zal zijn geweest.

Maar Verboom deed met zijn warme hartelijkheid, zijn ontwapenende openheid, zijn enorme werklust en coöperatieve instelling het ijs meteen smelten.

Ik denk dat de Geref. Bond hem nog altijd dankbaar zal zijn voor de manier waarop hij zich in Leiden heeft laten kennen, want dat straalde natuurlijk toch ook wel af op het imago van de Bond als geheel. Als dít een beeldbepalende figuur uit de Bond was, dan vielen die bonders nog wel mee…

Dat wil niet zeggen dat Verboom zijn mannetje niet stond, of theologisch gezien water bij de wijn deed, zeker niet – het was ieder duidelijk, dat Verboom voluit gereformeerd wilde zijn en ook prima kon verwoorden wat dat inhield. Maar hij deed dat wel, zoals hij zelf ook schrijft, op irenische wijze, met respect voor zijn gesprekspartners en met bereidheid om oprecht naar hen te luisteren en van hen te leren. Ook dat kan eigenlijk niemand zijn ontgaan. Toen Verboom dan ook in 2007 afscheid nam als bijzonder hoogleraar in Leiden, heeft de universiteit bij mijn weten nauwelijks geaarzeld over de vraag of er nog wel weer naar een opvolger omgezien moest worden. De weg was om zo te zeggen gebaand, en het was mij een grote eer om al betrekkelijk snel tot Verbooms opvolger benoemd te worden. Terugkijkend kunnen we alleen maar zeggen dat het jammer is dat aan de Leidse kerkelijke opleiding een einde is gekomen. Gelukkig gebeurde dat overigens, anders dan Verboom aanvankelijk verwacht had, pas ná zijn emeritaat, zodat hij zelf de gang richting de Vrije Universiteit niet meer heeft hoeven maken. Dat zou hem vermoedelijk ook niet gemakkelijk zijn gevallen. Sinds hij, zoals hij in het eerste hoofdstuk schrijft, op de middelbare school ooit een kuyperiaanse klasgenoot met succes te lijf ging in verband met diens visie op de veronderstelde wedergeboorte, is het tussen hem en de synodaal gereformeerden nooit meer helemaal goed gekomen.

Te mooi?

Het boek van Verboom riep ook wel een paar vragen bij me op. Misschien mag ik daar in alle beknoptheid even één van aanroeren. Het is namelijk ook wel een wat merkwaardig boek dat hij geschreven heeft. Ik denk niet dat er eerder een boek verschenen is van de hand van een theoloog uit de Gereformeerde Bond waar zó vaak de woorden ‘ik’ en ‘mij’ in voorkomen. In termen van literair genre zouden we kunnen spreken over een ego-document.[1] Het is eigenlijk fascinerend dat iemand voor wie de noties van verbond, kerk en gemeenschap theologisch zozeer leidend zijn, tegelijkertijd zo’n allerindividueelst boek kan schrijven. Het wonderlijke is echter: bij vrijwel ieder ander zouden we ons vermoedelijk enigszins irriteren aan de behoefte om allerlei dingen over zichzelf wereldkundig te maken – bij Verboom stoort het geenszins. Van hem kunnen we het hebben. Sterker nog: het is juist het persoonlijke dat mensen raakt en hen dóór doet lezen. Dat op de voorkant van het boek een afbeelding van hemzelf prijkt, is geheel in overeenstemming met hoe dat vandaag bij autobiografieën gebruikelijk is.

Verboom (of zijn uitgever) voelt de geest van de tijd goed aan.

Toch is die persoonlijke stijl ook wel kwetsbaar, en daar is Verboom zich ook goed van bewust (p.12). Dan gaat het wat mij betreft niet zozeer om wat er staat, maar vooral om wat er niet staat. Want is het verhaal als geheel toch niet net iets te mooi? De Utrechtse theoloog Van Ruler zei ooit dat het ambt een mens verfomfaait. Het doet iets met je, het maakt dat je er wat verkreukeld uit ziet, ‘met verwarde kleren en haren’ (zegt het woordenboek). Je wordt er om zo te zeggen niet direct een mooier mens van. Daar valt in dit boek echter niet zoveel van te merken. Het lijkt alsof het ambt Verboom alleen maar deed floreren. Maar was er ook geen keerzijde?

Schuurde het echt nergens, deed het nooit pijn?

[2] Ik maak twee concretiseringen.

Op p. 171 beschrijft Verboom hoe een bejaarde Hongaarse predikant hem ooit een foto van zijn vijf dochters liet zien. ‘Weet u wat het wonder van mijn leven is’, zegt de man dan onder tranen tegen Verboom, ‘ze zijn alle vijf predikant geworden!’ Verboom tekent dan aan dat hij “mede door zulke ervaringen” wel wat genuanceerder over de vrouw in het ambt is gaan denken”. Daarna gaat het onmiddellijk weer verder over iets anders. Maar wat betekent dat ene zinnetje precies? Dat het niet zo erg is wanneer vrouwen in Hongarije predikant zijn maar wel wanneer dat in Nederland het geval is? Nee, dat kan Verbooms denklijn niet zijn. Natuurlijk is er culturele variatie, maar het verbond kent geen geografische grenzen. En Verboom is geen ervaringstheoloog. Het kan niet anders of hij moet zijn visie op ambt en geslacht ook bijbels-theologisch doordacht hebben.

Uit onze gezamenlijke Leidse tijd herinner ik me dat hij vrouwelijke kandidaten die kerkelijk examen hadden gedaan en zodoende toegelaten konden worden tot de Evangeliebediening, daarmee feliciteerde. En als Verboom je ergens mee feliciteert, dan méént hij dat ook. Hij is een Israëliet in wie geen bedrog is. Verboom is er ook niet onduidelijk over geweest dat hij geen theologische bezwaren heeft tegen vrouwelijke ambtsdragers, ook niet in Nederland. Maar waarom valt dat dan slechts in één wat omfloerst zinnetje in dit boek terug te vinden? Voelde het misschien toch wat ongemakkelijk om daar wat dieper op in te gaan? Want wat vond zijn werkgever, het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, daar eigenlijk van? Dat laat er tot op vandaag geen misverstand over bestaan, dat het nog altijd tegen vrouwelijke ambtsdragers is…

U voelt: hier schuurt het, en het lijkt erop dat Verboom hier iets uit zijn levensgeschiedenis weggelaten heeft wat voor ons toch ook wel heel leerzaam zou kunnen zijn.

Misschien zou Verboom deze handschoen nog eens op kunnen pakken door in een volgende publicatie wat verder uit te werken, hoe hij nu eigenlijk vanuit de Bijbel aankijkt tegen vrouwelijke ambtsdragers. Valt daar vanuit de notie van het verbond misschien ook iets over te zeggen (denk bijv. aan Hand. 2 – “Uw zonen en dochters zullen profeteren”)? Hij zou er velen van ons een grote dienst mee bewijzen, en ook op dit punt mede leiding kunnen geven aan de hervormd-gereformeerde beweging.

Het tweede voorbeeld. Op p. 136 laat Verboom zich ontvallen dat hij in Benschop meestal “de hele zondagmiddag nog in de studeerkamer” zat om de laatste hand aan de preek voor die avond te leggen. Als lezer zou je dan eigenlijk wel graag willen weten hoe mevrouw Verboom dat eigenlijk vond. Is hier misschien ook iets weggelaten? Het is natuurlijk mogelijk dat zij dat niet zo erg vond (Verboom roemt terecht de bijzondere gaven van zijn vrouw Gerdien, 172), al vermoed ik dat er maar weinig predikantsvrouwen zijn die zulke dingen fijn vinden. Stel nu eens dat zij duidelijk gezegd zou hebben: “Wim, kun je er nu echt niet voor zorgen dat die preken wat eerder klaar zijn zodat je ’s zondagsmiddags even tijd hebt voor mij en voor ons jonge gezin?” “Maar lieve Gerdien, dan moet ik twee of drie pastorale bezoeken per week minder doen!”. “Inderdaad Wim – je weet zelf toch ook wel dat aan pastoraat nooit een eind komt?”.  Of deden dit soort gesprekken en dilemma’s zich nooit voor in huize Verboom? Schuurde het nooit eens in de afbakening van de vele taken? Men kan het zich bijna niet voorstellen. En als het toch zo was, is het maar de vraag of dat goed was en voor een jongere generatie predikanten tot voorbeeld kan dienen. Het zal Verboom niet overkomen zijn, maar van sommige predikanten uit de vorige generatie is zelfs bekend dat ze niet aanwezig waren bij de geboorte van hun eigen kind omdat ze ergens “moesten” preken. Past op dat punt niet een boetekleed?

In elk geval lijkt het me goed dat predikanten vandaag (net als anderen) streven naar balans in het goed verdelen van hun tijd en aandacht over de vijf kamers die ons levenshuis (volgens psycholoog René Diekstra) heeft: werk (c.q. ambt), relaties (c.q. gezin), vrije tijd, gezondheid, en zingeving (c.q. zelf gevoed worden in het geloof).

In de Inleiding (p.11) schrijft Verboom, dat zijn boek het verslag is van een soort functioneringsgesprek dat hij coram Deo met zichzelf gevoerd heeft. Misschien werd ik door dat woord wat op het verkeerde been gezet, want in functioneringsgesprekken komt natuurlijk ook aan de orde wat niet helemaal goed ging, wat beter had gekund en misschien ook wel gemoeten. Dat geldt uiteraard eens te meer wanneer zo’n gesprek ‘voor Gods aangezicht’ wordt gehouden. Ik moet u zeggen: als ik zo’n functioneringsgesprek met mezelf zou moeten houden, dan zou ik ook moeten opbiechten dat mijn vrouw wel eens tekort heb gedaan in mijn werk als predikant. Ik herinner me uit onze eerste gemeente nog een avond die zij mij vroeg vrij te houden omdat die voor haar belangrijk was, maar die samenviel met de vaste avond in de maand waarop ik een Bijbelkring leidde. Ik koos er toen toch voor om die avond mijn Bijbelkring te leiden. Ik was namelijk bang dat ik als ik die ging verzetten de (voornamelijk oudere) deelnemers in de war zouden raken. Dat zou wel eens ten koste kunnen gaan van de opkomst, en ik wilde juist dat die Bijbelkring een succes (mijn succes?) werd. Dat was misschien niet helemaal onbegrijpelijk voor een predikant die net begonnen is in zijn eerste gemeente, maar het was wel gewoon fout, punt.

Het ambt verfomfaait een mens, zei Van Ruler. En ik vroeg me af: zou dat bij Verboom nu helemaal niet het geval geweest zijn? Zou hij er werkelijk alleen maar bij gefloreerd hebben?

Zijn boek wekt de indruk een soort exempel te willen zijn, bijna zou je zeggen: een heiligenleven. Daar valt op zichzelf trouwens heel goed een lans voor te breken, want goede identificatiefiguren zijn er veel te weinig, ook als het om het ambt gaat. Verboom heeft dat denk ik heel goed aangevoeld, en misschien ook wel daarom voor deze heel persoonlijke stijl gekozen. Alleen: zou het dan niet realistisch zijn om in zo’n functioneringsgesprek ook iets van de keerzijde concreet te maken die er toch altijd is in onze fouten en gebreken? Ik voeg hier meteen aan toe dat er één plaats is waarop Verboom dit dan toch een keer doet – en dat levert onmiddellijk een ontroerende en leerzame passage op, op p. 160. Daar gaat het over de manier waarop hij destijds in Benschop tijdens doopgesprekken wel eens tégen ouders sprak in plaats van met hen.

Ik was toen bezig een principe te verdedigen, namelijk de noodzaak van de kerkgang, zonder dat ik in relatie trad met de doopouders over de vraag waarom zij niet gewend waren naar de kerk te gaan (…) Dat ging toen pastoraal bekeken niet goed.

Kijk – hier vind ik Verboom dus op z’n best. Het is herkenbaar wat hij hier schrijft, en tegelijkertijd ook zo leerzaam. En ik denk: als we het niet aandurven om wanneer we dan tóch openhartig over onszelf spreken ook over dit soort dingen eerlijk te zijn, dan wordt ons spreken over zonde en genade gemakkelijk wat hol. Dan belijden we wel dat we in het verbond juist als zondaren en goddelozen gerechtvaardigd worden, zoals Verboom meermalen schrijft, maar dan komt zo’n belijdenis toch wat clichématig over in plaats van dat ze echt gaat leven en de ernst ervan tot de lezers doordringt. Daarom was ik dankbaar voor juist deze passage. Onze tijd vraagt er immers om dat we ook open durven zijn over wat misschien toch niet helemaal goed ging. (Juist deze week zagen we daar trouwens een indrukwekkend voorbeeld van in de openheid van SGP-Kamerlid E. Dijkgraaf over de achtergronden van zijn aftreden als parlementariër).

De pastorale kracht van Verbooms theologie

Ik sluit af met iets anders. Ik meen namelijk dat niet alleen de hervormd-gereformeerde beweging, maar ook de gereformeerde gezindte in bredere zin bijzonder veel aan Wim Verboom te danken heeft voor de wijze waarop hij de jaren door theologisch (mede) leiding gegeven heeft aan het kerkelijk leven. En dan denk ik toch weer aan de niet aflatende ijver waarmee hij aandacht gevraagd heeft voor de betekenis van het verbond. Verboom geeft ook openlijk aan, dat hij op dat punt lijnen heeft willen doortrekken van met name J.G. Woelderink, over wie hij dan ook met veel respect schrijft (p.113-115). Ik zou willen zeggen dat hij dit op voortreffelijke wijze gedaan heeft, en dat hij daarmee ook diepe en brede sporen getrokken heeft die veel verder reiken dan de drie gemeenten die hij gediend heeft. Zelf kreeg ik als puber in Nijkerk bijvoorbeeld catechisatie vanuit de methode die Verboom samen met zijn vriend en collega ds. Veldhuizen (die op dezelfde dag als Verboom zijn 50-jarig ambtsjubileum mag vieren) vervaardigd had.

Ik ben nog steeds dankbaar voor de milde toon, de heldere uitleg, en de verbondsmatige warmte die  dat rode, groene en blauwe boekje kenmerkten.

Het idee dat we angst zouden moeten hebben voor de Here God omdat we nooit helemaal zeker zouden kunnen weten waar me met Hem aan toe zijn, zit diep in onze bevindelijke traditie verankerd; maar Veldhuizen en Verboom gaven er geen ruimte aan, integendeel.

Niet dat ze er op af gaven; ze beseften veel te goed dat dat slechts averechts zou werken. Zij gingen er juist heel pastoraal mee om. Juist op dit punt bleek en blijkt nog altijd de grote pastorale kracht van Verbooms verbondstheologie. Hij beschrijft ook in Gouden oogst weer met hoeveel geloofsonzekerheid en vruchteloos speuren naar kenmerken in de eigen ziel het geestelijk leven aan de rechterflank van de gereformeerde gezindte gepaard kon en kan gaan. Het was niet vreemd geweest wanneer ook in de hervormd-gereformeerde traditie juist deze lijn verder was doorgetrokken. Want in het verleden riep de lijn van Woelderink altijd ook tegenkanting en partijstrijd op. Het zal menselijkerwijs gesproken aan Verbooms irenische instelling te danken zijn geweest dat dat hem niet overkomen is. Daardoor heeft zijn evenwichtige visie op het verbond zich als ik het goed zie door de jaren heen heel breed kunnen verspreiden en diep kunnen nestelen in de harten van heel veel hervormd-gereformeerde predikanten en gemeenteleden. Voor velen moet het als een bevrijding gekomen zijn dat ze niet eerst van alles moeten voelen en beleven voordat ze zich een kind van God mogen weten, maar dat de Here God allang naar hen toe gekomen is, de eerste was in het verbond zoals dat bij de doop betekend en verzegeld wordt.[3] Dat serieus nemen van de Heilige Doop is natuurlijk ook zo’n belangrijke kern in Verbooms theologie, waarvan we dankbaar mogen zijn dat die zo heilzaam onder ons heeft doorgewerkt.

Tegelijk zijn er op dit punt natuurlijk ook wel zorgen. Wie Gouden oogst leest, ademt weer even helemaal in de sfeer van de volkskerk en dat doet goed. Maar tegelijk voelt die ook aan, en Verboom laat merken dat hij dit terdege meevoelt: is dit op een bepaalde manier geen vergane glorie? Staan we momenteel niet bijna bij de restanten van die volkskerk? En als dat zo is, hoe moeten we dan verder – kan dat nog met diezelfde theologie die zozeer daarop geënt en toegespitst is? Verboom blijft hoopvol; en terecht, want van God uit gezien is er altijd hoop. Maar als ik om me heen kijk, zie ik ook hoe de dingen langzaam maar zeker echt veranderen. En dan doel ik niet alleen op de secularisatie die ook in orthodox-gereformeerde kring plaatsvindt. Het wegvallen van de volkskerk[4] leidt nl. ook nog tot iets anders.

In tal van hervormd-gereformeerde gemeenten – en als ik het goed zie juist in die gemeentes die getalsmatig min of meer op sterkte blijven juist doordat ze wat buiten de volkskerk staan, bijv. als buitengewone wijkgemeente – lijkt zich nl. een zekere verstrakking voor te doen onder invloed van de ‘refoïsering’.

Niet voor niets groeit de Gereformeerde Bond alleen nog in plaatsen waar zich ook een Gereformeerde Gemeente bevindt, of andere kerken aan zijn rechterzijde. Dat doet natuurlijk iets. Waren gemeentes die zich tot de Bond rekenden vroeger tegelijkertijd echt hervormde gemeentes, vandaag lijken ze vaak meer gereformeerde gemeentes light. Het besef van de betekenis van verbond en doop is aan slijtage onderhevig, de volkskerk is vrijwel verdwenen, en wat overblijft isoleert zich meer en meer in de eigen zuil. Je merkt het, om maar iets te noemen, bijvoorbeeld aan het wantrouwen dat er heerst jegens de gangbare wetenschapsbeoefening, een wantrouwen dat er in hervormde kring toch eigenlijk nooit op die manier is geweest.

Wat mij betreft, ik blijf liever ademen in de atmosfeer van dit boek, met zijn hoge waardering voor de brede, katholieke kerk en voor het verbond dat God door alles heen doorzet. Daarover moeten we niet te gering en geringschattend denken, ook niet in tijden van secularisatie. Of er theologisch vandaag ook niet meer gezegd moet worden, juist vanwege die veranderde situatie, lijkt me intussen wel een goede en terechte vraag.[5]

Maar hoe dan ook mogen we Wim Verboom dankbaar zijn voor de zegenrijke manier waarop hij decennia lang juist deze theologische tonen heeft aangeslagen – tonen die in dit boek in een indrukwekkend getuigenis samenkomen.

 

Dr. Gijsbert van den Brink

[1] Vgl. de definitie op Wikipedia: ‘Een egodocument is een schriftelijke bron (…), waarin iemand een persoonlijke getuigenis aflegt’ (april 2018).

[2] Ik doel nu niet op de kerkelijke pijn die bijv. de scheuring van 2004 met zich meebracht; die komt in het boek duidelijk naar voren. Maar die hangt toch niet rechtstreeks samen met het ambtelijk werk.

[3] Vgl. Gouden oogst, hfdst. 3: “God is de Eerste”.

[4] Hoe snel dit proces gaat, kan wellicht blijken uit een opmerking van de huidige predikant van Hierden, ds. M. van Leeuwen, gemaakt tijdens de presentatie van Gouden oogst (Hierden, 12 april 2018). Van Leeuwen vertelde dat hij nu nog maar een tiende deel van het aantal catechisanten heeft dat ds. Verboom destijds (1982-1988) had. Ook als we verdisconteren dat de gemeente inmiddels in twee wijken verdeeld is, blijft dit een tot nadenken stemmend gegeven.

[5] Vgl. de m.i. waardevolle opmerkingen die ds. Bert Karel Foppen daarover maakt in zijn reactie op Gouden oogst.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *