KerkKerkgeschiedenisTheologie

Vreemdelingschap. Historische en hedendaagse stemmen uit kerk en theologie

Onderstaande tekst verscheen in HW Confessioneel ter gelegenheid van de verschijning van het boek Vreemdelingschap van dr. J.D. Th. Wassenaar.

Vreemdelingschap. Historische en hedendaagse stemmen uit kerk en theologie

 

‘Daar is de vreemdlingschap vergeten / en wij, wij zijn in ’t vaderland.’ Zo luidt de slotzin van het tweede, tevens laatste couplet van Gezang 291 uit het Liedboek voor de kerken, getiteld ‘Nooit kan ’t geloof te veel verwachten’. Dat ‘daar’ in die zin heeft betrekking op de zaligheid, waarvoor dus het woord ‘vaderland’ gebruikt wordt. Die aanduiding is niet verkeerd. Het is een bijbelse term. Hij komt voor in de brief aan de Hebreeën, net als ‘de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is’. Dan gaat het om min of meer geografische beelden voor de hemelse toekomst. Maar er is meer over vreemdelingschap te zeggen, en wel op basis van de eerste brief van Petrus. In dat epistel wordt het begrip niet alleen gekleurd door eschatologische gerichtheid – de auteur maakt gewag van een onvergankelijke, ongerepte erfenis in de hemel, die nooit verwelkt – maar vooral ook door beleving van ‘anders-zijn’, in deze wereld. De auteur kwalificeert de geadresseerden als ‘vreemdelingen en bijwoners’. Ze zijn een volk in de diaspora, ze verkeren te midden van de ongelovigen. Het gaat dan om een aangevochten, een bedreigde positie.

Vreemdelingen en pelgrims
Vrijwel altijd zijn de teksten ‘op één hoop gegooid’. Prof.dr. A. van de Beek is iemand bij wie het onderscheid wel te vinden is. Hij merkt op dat het beeld van de vreemdeling en bijwoner anders is dan dat van de pelgrim. Bij het eerste, de vreemdeling en bijwoner, ligt de nadruk op ontheemd-zijn: vreemdelingen horen er niet bij, bijwoners hebben geen vaderland. Het leven van pelgrims daarentegen wordt in de eerste plaats gekenmerkt door doelgerichtheid.
Die kant van de zaak van de vreemdelingschap, waarbij het om de plaats van de gelovigen in deze wereld gaat, wordt vandaag de dag meer dan lange tijd het geval geweest is, onder de aandacht gebracht. Dat heeft, denk ik, alles te maken met het feit dat de christenheid in de westerse wereld meer en meer een minoriteit, een minderheid wordt, in de marge van de samenleving. Wat dat betreft is een parallel te trekken met de situatie ten tijde van de Vroege Kerk, in de eerste eeuwen na Christus. Overigens ben ik zeker niet de enige die op de
gedachte van de vreemdelingschap wijst. Er zijn meer theologen die dat doen, soms met een zekere radicaliteit. Als zou in de vreemdelingschap sprake zijn van een oordeel van Godswege. Ik denk dan aan publicaties van Van de Beek, van dr. W. Dekker en van dr. W.M. Dekker.

Nu moeten we het verschil in benadering van vreemdelingschap tussen de brief aan de Hebreeën en 1 Petrus niet te zeer tegen elkaar uitspelen. Aan de andere kant: het is er wel degelijk. Het is ook in de geschiedenis van de kerk te ontwaren. Meer dan eens had een hemelgerichte levenshouding tot gevolg dat deze wereld als een plaats van een oneigenlijk bestaan gezien werd. Dat is in de Vroege Kerk en in de middeleeuwen vele malen gebeurd, alsook onder de dopers en de doopsgezinden en in de bewegingen van het puritanisme en het piëtisme. Het komt trouwens nog steeds voor, dat pleidooi voor wereldmijding onder het motto ‘Hier beneden is het niet’, en wel onder de bevindelijk-gereformeerden, aan de rechterflank van het kerkelijke spectrum.
Er zijn in de kerkgeschiedenis ook perioden geweest waarin het aspect van ontheemd-zijn op de voorgrond trad. Ik denk dan in het bijzonder aan de calvinistische vluchtelingengemeenten in de begintijd van de Reformatie. De hervormingsgezinde gemeenschappen waren in de toenmalige diaspora ‘verstroyt’ en ‘vervolgt verdreven’. Overigens is toen wel gebleken dat het calvinisme in de verdrukking op zijn best is – een uitspraak van dr. R. Haan.

Het is wel duidelijk: mijn boek is primair een kerkhistorisch leesverslag. Verwacht u er dus niet meer van. Hoewel mijn onvolprezen bureauredacteur van Boekencentrum Uitgevers, dr. Lydeke van Beek, mijn werkstuk in een telefoongesprek als ‘een wetenschappelijke studie’ kwalificeerde. Ik dacht toen: ‘Is er onderweg iets misgegaan?’ Zoals gezegd, zie ik het zelf primair als een kerkhistorisch leesverslag. Nogmaals: verwacht u er dus niet meer van. Nu goed, iets meer dan. Het heeft ook een actuele spits, twee zelfs.

Kerk en samenleving
Mij is in de eerste plaats gebleken dat de notie van de vreemdelingschap de vraag naar de verhouding tussen kerk en samenleving op tafel legt. Dan gaat het om de identiteit van de kerk. Vandaag de dag wordt daarvoor wel de aanduiding ‘contrastgemeenschap’ gebruikt, terwijl de individuele gelovige dan op zijn discipelschap aangesproken wordt. Een pregnante uitspraak van dr. S. Stoppels: ‘Jezus roept leerlingen, geen kerkmensen.’ Dan is er geen ruimte voor de liberale variant van het cultuurchristendom of voor partiële of graduele kerkelijke betrokkenheid. De kerk moet onomwonden staan voor de zaak van het evangelie en kerkmensen moeten leerlingen zijn ‘die er voor gaan’, om zo te zeggen.
Over vreemdelingschap gesproken: de kerk is een vreemde eend in de bijt van de wereld. Onderscheiding van de wereld is dan dus het devies. Bij inventarisatie van ecclesiologische modellen – ecclesiologie is ‘leer inzake de kerk’ – in die geest komt als kernvraag op: ‘Hoe reëel is dat model van de kerk als contrastgemeenschap?’ Dr. H. de Leede heeft met betrekking tot de positie van een van de aanhangers daarvan op ‘een hoog ‘moeten’-gehalte’ gewezen. Zijns inziens is dat voor ‘een landelijke mainstream-kerk’ (zoals de Protestantse Kerk in Nederland) lastig. Prof.dr. S. Paas heeft geattendeerd op het probleem van de groepsdwang binnen een contrastgemeenschap, die de diversiteit in de gemeente geen goed doet. Dr. W. Dekker heeft gezegd: de kerk als contrastgemeenschap wekt te zeer de indruk dat het contrast steeds zichtbaar gemaakt zou kunnen en moeten worden; alsook dat het een programma zou kunnen zijn. Ik herken de bedenkingen van De Leede, Paas en Dekker: de kerk als contrastgemeenschap is gauw te hoog gegrepen, te veel gevraagd. Aan de andere kant: de aanduiding ‘bijwoners en vreemdelingen’ voor de kerk vanuit de eerste brief van Petrus dringt ertoe daarover na te denken en te proberen daar gestalte aan te geven.

Kerk en staat
Mijn tweede observatie met het oog op de actualiteit is deze: dat de gedachte van de vreemdelingschap niet zonder consequenties voor de visie op de verhouding kerk – staat kan blijven. Ik zou op de vraag ‘Waar is de vreemdelingschap vergeten?’ willen antwoorden: daar waar kerk en staat te dicht op elkaar zaten. Twee voorbeelden. – De ‘Wende’ onder keizer Constantijn in 313, het begin van een ontwikkeling van het christendom van toegestane godsdienst tot staatsgodsdienst, had grote gevolgen voor de positie van de christenen. In de historiografie is sprake van uitersten in visie op de betekenis van die ‘Wende’. Prof.dr. H. Berkhof heeft gesteld dat sinds 313 gelukkig sprake is geweest van zoiets als theocratisch besef: Gods regering van de wereld werd niet alleen door de kerk, maar ook door de staat erkend. Maar prof.dr. G.J. Heering heeft onder de titel ‘De zondeval van het christendom betoogd’ dat de kerk sindsdien door machtswellust gecorrumpeerd werd. Dat is erg, te kras uitgedrukt. Feit is wel dat de vreemdelingschap sindsdien onder druk kwam te staan. Men moest die toen buiten de gevestigde kerk zoeken. Bijvoorbeeld in de late middeleeuwen in het kloosterleven, bijvoorbeeld in het piëtisme ‘met een boekje in een hoekje’. – Het andere voorbeeld: de hervormde apostolaatstheologie van na de Tweede Wereldoorlog. De kerk richtte zich toen zozeer op de samenleving en ze deed destijds zo veel politieke uitspraken dat haar vreemdelingschap op de achtergrond raakte. Terugblikkend zou ik niet met dr.ir. J. van der Graaf over ‘het bankroet van de apostolaatstheologie’ willen spreken, want ze heeft ook veel positieve betekenis voor de samenleving gehad. Wel moet naar mijn mening deze conclusie getrokken worden: het geloof werd toen te zeer ‘gefunctionaliseerd’, om een uitdrukking van dr. B. Plaisier aan te halen. Daardoor kwam de eigen identiteit van de kerk onder druk te staan. Ik voel mij zelf verwant met prof.dr. G.G. de Kruijf, die betoogd heeft dat
theocratische ambities op basis van het Nieuwe Testament onhoudbaar zijn. Onder verwijzing naar de aanduiding ‘vreemdelingen’ voor christenen in Hebreeën 11:13 en 1 Petrus 1:1 en 2:11 laat de auteur van Waakzaam en nuchter, ‘over christelijke ethiek in een democratie’, weten dat maatschappelijke participatie in het Nieuwe Testament aan de rand van het christelijke leven staat. Daar is zijns inziens niet mee gezegd dat passiviteit gepropageerd moet worden. Wel is duidelijk dat de vreemdelingschap een geheel eigen wijze van engagement vergt. Voor De Kruijf is het principiële uitgangspunt dat de christelijke ethiek geen enkele staatsvorm van een exclusieve legitimering voorziet. Het belijden van het koninkrijk van God impliceert de relativering van elke actuele staat en van elk actueel politiek programma. Dat is trouwens ook de opvatting van de Protestantse Kerk in Nederland. Wel aanvaardt die de democratie als staatsvorm met dankbaarheid. Wat in dit verband te denken moet geven: Jezus heeft in Johannes 18:36 in zijn confrontatie met de aardse bewindspersoon Pilatus gezegd dat zijn koningschap niet van deze wereld is…