IsraëlKerk

Voor gerechtigheid en tegen geweld

Jan Willem StamDonderdag 1 november vond in de Thomaskerk te Amsterdam de presentatie plaats van het boek Meervoudig verbonden. Nieuwe perspectieven op vragen rond kerk, Israël en Palestijnen. Deze bundel, onder redactie van dr. A. J. Plaisier en prof. dr. K. Spronk, is bedoeld om de „soms vastgeroeste discussie” over Israël nieuw leven in te blazen. Tijdens de presentatie reageerde ds. Jan Willem Stam uit Alkmaar op het boek. U kunt de integrale tekst van zijn lezing hieronder lezen. 

1. Inleiding
Tot voor kort was ik voorzitter van Vrienden van Sabeel Nederland. Begin vorige maand legde ik mijn taken neer. Ik constateerde dat mij de tijd en energie ontbrak om het bestuurswerk te blijven doen. Dat had te maken met mijn verantwoordelijkheden in mijn gemeente in Alkmaar, maar ook met het bestuurswerk zelf. Ik kom daar zo op terug.

Wat ik eerst wil zeggen is dat ik hier met enige onzekerheid sta. Als vriend van Sabeel ben ik van de sprekers van vanmiddag de linksbuiten, om met een voetbalmetafoor te spreken. Ik kan – met een andere voetbalmetafoor – gemakkelijk buitenspel komen staan. Dat is wat mij betreft nog tot daar aan toe. Maar ik begin er over, omdat er naar mijn gevoel belangrijke spelers in de bundel en onder ons sprekers ontbreken. Ik mis vooral Kairos Palestina Nederland.

Maar mijn onzekerheid gaat zeker niet alleen over de sprekers deze middag. Ook de bundel heeft mijn onzekerheid gevoed. Dat komt door de manier waarop de bundel het kerkelijke gesprek over het Israëlisch-Palestijns conflict kwalificeert. Het gesprek wordt meermalen ‘gepolariseerd’ genoemd. En als ik het goed begrijp, behoor ik tot één van die polen, de pool Sabeel en Kairos. De bundel verwijt ons dat wij de Bijbel onrecht doen en dat we ‘gewetensdwang’ uitoefenen. Ik ben er daarom onzeker over of ik vanmiddag kan zeggen wat ik denk te moeten zeggen, zonder dat het al bij voorbaat gediskwalificeerd wordt.
Meteen al bij de inleiding ontstaat die onzekerheid. Wordt ook tegen mij gezegd: “Silly old Bear, what were you doing?” Word ook ik gezien als een van die domme oude beren die in kringetjes van eigen gelijk ronddwaalt? Wat kan ik dan vanmiddag nog zeggen, zonder dat de conclusie wordt getrokken: kijk daar heb je hem weer?

Wat mij verder onzeker maakt, is het diffuse karakter van de bundel. Na lezing en herlezing blijft de vraag waar de bundel nu eigenlijk over gaat. Het is zo veel wat wordt aangeroerd. Misschien, denk ik dan, hebben we al veel te veel gezegd en geschreven. Als ik nu mijn woorden voeg bij de bundel en bij alles waar de bundel naar verwijst, weet ik niet of ik daar goed aan doe.

2. Terugblik op vier jaar kerkelijk gesprek
Ik kom terug op mijn eerste woorden. Ik ben sinds kort niet langer als bestuurslid en voorzitter van Vrienden van Sabeel betrokken bij het kerkelijke gesprek over het Israëlisch-Palestijns conflict. Ik ben op dit moment de balans aan het opmaken van de afgelopen vier jaar. Ik wil u daar iets over vertellen.

Ruim vier jaar geleden raakte ik betrokken bij het kerkelijke gesprek over het Israëlisch-Palestijns conflict. In de tijd dat de synode sprak over de IP-nota rondde ik mijn masterthesis af. Het ging over de visie op Jodendom van Marquardt en Van de Beek. Ik leerde van Marquardt dat de westerse christelijke theologie slachtoffers maakte en dat zij daarom veranderen moest.
Terwijl de synode verder sprak werd ik leervicaris in Culemborg. Mijn begeleider zat toen in de synode, Henri Veldhuis. Zijn betrokkenheid zal u bekend zijn. Afgelopen zaterdag nog presenteerden Vrienden van Sabeel en Kairos Palestina een door hem geschreven brochure waarin hij stelt dat ook voor christenen en kerken het internationaal recht het primaire normatieve kader is voor maatschappelijk en politiek handelen.

Na het vicariaat zocht ik een bijbaan en toevallig kwam ik terecht bij IKV Pax Christi, ICCO en Cordaid. Ik werd verantwoordelijk voor de organisatie van een bezoek van Palestijnse kerkleiders aan Nederland. Later werd ik adviseur kerkelijke relaties bij de genoemde organisaties.

Eind 2008 was ik in het kader van mijn bijbaan voor het eerst in Israël en de Palestijns gebieden. De avondmaalsviering op het kantoor van Sabeel heeft me verbonden met de Palestijnse christenen. Het bloedbad in Gaza een paar dagen voordat ik weer naar Nederland ging, blijft me ook bij. Een paar weken na mijn terugkeer eindigde mijn bijbaan en werd ik bestuurslid van Vrienden van Sabeel Nederland. Zo werd ik gesprekspartner in het kerkelijk gesprek over het Israëlisch-Palestijns conflict. We zijn nu vier jaar verder. Ik ben vier jaar verder. Vier jaar praten, confereren, schrijven. Vier jaar deelname aan het kerkelijke gesprek ook. Zijn we wat opgeschoten? Ben ik wat opgeschoten?
Het antwoord is ja. Meer en meer mensen zijn de ogen geopend. Meer en meer mensen zijn daar geweest en zijn veranderd door wat ze hebben gezien, gehoord en meegemaakt. Het aantal vrienden van Sabeel groeit.

Als ik kijk naar het kerkelijk gesprek, is het antwoord op de vraag of ik iets ben opgeschoten geen ja. Ik stapte in het gesprek toen de Protestantse Kerk in de IP-nota haar beleid t.a.v. het Israëlisch-Palestijns conflict op twee pijlers grondvestte. De ‘onopgeefbare verbondenheid’ en het internationaal recht. Natuurlijk kon de nota scherper en helderder, maar die twee pijlers, daar kon ik wel wat mee.

Als ik kijk naar de afgelopen jaren zijn we niet verder gekomen. Ook de vandaag gepresenteerde bundel is wat mij betreft geen stap vooruit ten opzichte van toen. Nog altijd gaat achter de woorden ‘onopgeefbaar verbonden’ de onheldere discussie schuil met wie we nu verbonden zijn en wat die verbondenheid nu betekent.

En het internationaal recht? Het wordt in het kerkelijke gesprek bijna altijd genegeerd. Daardoor zijn we eerder minder ver dan de IP-nota dan verder. We hebben dringend behoefte aan een ‘theologie van het internationaal recht’. Daar hebben we het te weinig over gehad. De brochure van Veldhuis is hopelijk een begin.

Ik heb de afgelopen maanden bij mijzelf een zeker radicalisering opgemerkt. Zeker als ik vergelijk hoe ik nu in het kerkelijke gesprek sta en hoe ik er vier jaar geleden instond, zie ik dat ik veranderd ben. Vier jaar geleden had ik behoorlijke reserves bij uitspraken van sommige bestuursleden van Sabeel. Ik vond het soms gedram en bovendien niet strategisch om te zeggen dat de kerk maar niet in de goede richting opschoof. ‘Je vangt meer vliegen met stroop dan met azijn’, was toen één van mijn vaste kreten.
Inmiddels zit er ook behoorlijk wat azijn in mijn aderen. Ik merk cynisme bij mezelf op. Als de bundel dan zo sterk inzet op het kerkelijk gesprek, dan komt bij mij de gedacht op: wat kan mij het kerkelijk gesprek schelen? Wat heeft nu prioriteit? Dat wij een fijn, veilig en niet-gepolariseerd kerkelijk gesprek voeren, óf recht en gerechtigheid?

Cynisme, zo weet ik, is teleurgestelde liefde. Mijn liefde voor de kerk is teleurgesteld. Mijn liefde voor Israël is teleurgesteld. Mijn liefde voor waarheid en recht is teleurgesteld. Het neerleggen van mijn bestuurstaken biedt mij vooral de gelegenheid om mijn cynisme onder ogen te zien en het te onderzoeken.
Vier jaar hard werkend leverden me behalve een paar mooie momenten, vooral cynisme, angst en frustratie op. Ik ben er aan toe nieuwe bronnen aan te boren en nieuwe vormen van betrokkenheid te vinden. Het kerkelijk gesprek, ik zal er aan mee blijven doen, dat is gegeven met mijn ambt, maar het feit dat ik geen official meer ben, geeft ruimte om ook afstand te nemen.

3. Het kerkelijk gesprek
Als ik vanuit deze terugblik nadenk over de vraag wat het kerkelijk gesprek volgens mij nodig heeft, kom ik tot drie punten. Bij die punten horen drie trefwoorden: anti-normalisatie, urgentie en internationaal recht.
Allereerst anti-normalisatie. Anti-normalisatie betekent als het over het kerkelijk gesprek gaat dat zo’n gesprek simpelweg als uitgangspunt moet nemen dat de situatie in Israël en de Palestijnse gebieden niet normaal is. We kunnen eindeloos praten over van alles en nog wat, maar het valt toch niet te ontkennen dat de situatie in Israël en de Palestijns gebieden abnormaal is? Het abnormale bestaat in het grote onrecht wat daar geschiedt. Er is sprake van bezetting en discriminatie. Het kerkelijk gesprek komt niet verder als we daar telkens achter terug gaan. Hoe moet je met elkaar in gesprek als dit soort dingen niet als uitgangspunt gedeeld worden? Of zelfs niet benoemd mogen worden?

Is dit polarisatie? Maak ik hiermee het kerkelijk gesprek onmogelijk? Misschien wel. Is het kerkelijk gesprek zo belangrijk dat we onrecht tussen haakjes moeten zetten? Moet ik mijn geraaktheid door wat Palestijnen wordt aangedaan én mijn geraaktheid door de verkeerde kant die het opgaat met de Israëlische samenleving, relativeren, zodat we in gesprek kunnen?
Ik ben meer en meer geneigd het kerkelijk gesprek te relativeren. Waarom zou ik moeten praten? Is het kerkelijke gesprek werkelijk zo belangrijk? Waarom zou het er in de kerk gematigd en genuanceerd aan toe moeten gaan? Het onrecht waar we het hier over hebben kent geen maat en geen nuance. Ik kan in gesprek met ieder die dat in wil zien.
Het kerkelijk gesprek wordt al decennia gevoerd. En er zijn signalen die er op wijzen dat we het nog decennia zullen voeren. Zo veel tijd heeft men in Israël en de Palestijnse gebieden niet. De Palestijnse christelijke gemeenschap slinkt, zestig procent van de joodse Israëliërs meent dat er in de staat Israël sprake is van apartheid, het aantal nederzettingen groeit… Moeten wij in het aangezicht daarvan het kerkelijk gesprek voortzetten?
Ik kom zo op mijn tweede trefwoord: urgentie. Het kerkelijk gesprek kan alleen vruchtbaar gevoerd worden als de gesprekspartners doordrongen zijn van de urgentie van de problemen in Israël en de Palestijnse gebieden. We praten niet om te praten. We kunnen alleen praten om concreet solidair te zijn met alle joodse Israëliërs en Palestijnen die werken aan vrede en recht. Wie praat om te praten houdt de huidige situatie in stand.
Het derde trefwoord was internationaal recht. De tijd is gekomen dat de kerk zich gaat bezinnen op het internationaal recht. Het kerkelijk gesprek zal daar over moeten gaan. De tijd is gekomen dat de kerk een ‘theologie van het internationaal recht’ ontwikkelt. Alleen dan kan de kerk deel gaan uitmaken van de oplossing in plaats van van het probleem.

Als straks onze nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, Frans Timmermans, die als Tweede Kamerlid altijd is opgekomen voor het internationaal recht straks daarover in Nederland het gesprek aan wil gaan, heeft hij aan ons geen gesprekspartner. We hebben simpelweg niets te zeggen. Ik redeneer ten aanzien van het internationaal recht langs de volgende lijnen. Als de dood en opstanding van Jezus Christus werkelijk alle menselijke definities doorbreekt en de grondslag is voor Gods universele en onvoorwaardelijke liefde, dan is er alle reden om te zoeken naar gedeelde overtuigingen die helpen de wereld in te richten. Als ieder mens deelt in Gods liefde, dan is het onze opdracht te handelen vanuit gedeelde overtuigingen. Universele mensenrechten en volkerenrecht zijn voor mij op die manier theologische gefundeerde uitgangspunten voor politiek en ethiek. Ze zijn uitdrukking van de universele en onvoorwaardelijke liefde van God die wij leerden kennen in Jezus Christus.

Een onvolmaakte uitdrukking, zeker. Maar moet dat ons weerhouden? De kerk is toch zeker ook een zeer onvolmaakte uitdrukking van Gods bedoeling, en daar laten we ons ook niet door tegenhouden?

4. Meervoudig verbonden
Ik heb geschetst waar het kerkelijk gesprek wat mij betreft behoefte aan heeft, vanuit mijn persoonlijke gevoelens bij dat gesprek de afgelopen vier jaar. Hier en daar heb ik daarin Meervoudig verbonden al betrokken. Ik rond af door de bundel tegen het licht van het voorafgaande te houden.
Mijn conclusie is dat de bundel door de hoge prioriteit die wordt gegeven aan het kerkelijke gesprek te kort schiet in anti-normalisatie en in besef van urgentie. Bovendien is de reflectie op het internationaal recht te mager om het kerkelijk gesprek verder te helpen. Ik mis de nieuwe perspectieven waar de ondertitel het over heeft.

Mijn tweede conclusie, en die geldt met name deel I, is dat de bundel zelf doet waar ze anderen van beschuldigt, namelijk polariseren. De manier waarop Palestijnse bevrijdingstheologie en christenzionisme, antisemitisme en filosemitisme, vervangingstheologie en ‘theologie van het Jodendom’, het Kairosdocument en Onopgeefbaar verbonden, tegenover elkaar worden gezet, is op zichzelf polariserend.
De redactie neemt ondertussen een neutrale positie in boven de partijen, althans in haar eigen optiek. Neutraliteit is echter de fictie van de moderniteit. De werkelijkheid is nooit neutraal. En kiezen is nooit neutraal. Wie kiest voor neutraliteit, kiest ook.

Ik kies ook. Niet voor de Palestijnen of tegen Israël. Ik kies voor gerechtigheid en tegen geweld. Ik ben verbonden met ieder die dat ook doet. Meervoudig of niet.

ds. Jan Willem Stam
Alkmaar, Hervormingsdag 2012