AdventstijdGeloof

Vierde advent: Met een feestelijk geloof Kerst vieren

Met Kerst vieren we dat God bevrijdend naar ons toe komt. God werd mens zonder op te houden God te zijn. Op de Vierde Adventszondag de gedachten van At Polhuis over de menswording van God.

 

Werd knecht

God overbrugt de voor mensen onoverbrugbare kloof tussen Hem en ons. Dat vieren we met Kerst. Kerst is het feest van de menswording. Deze daad van God hebben we nader beschreven. Hij werd mens zonder op te houden God te zijn. Nog één kwalificatie is nodig om de betekenis van Kerst aan te geven. Mooier dan de dichter van Gezang 474 van het nieuwe Liedboek kan ik het niet zeggen: ‘Hij wordt een knecht en ik een heer: / wat win ik veel daarbij! / Waar vindt men zoveel gulheid weer / als Jezus heeft voor mij.’ In deze regels wordt aangegeven wat de drijfveer van God is om mens te worden: om de onoverbrugbare kloof te overbruggen. Waarom is dat? Hij werd mens opdat wij heer worden. Mens worden alleen is niet voldoende. Hij werd knecht. Hij werd dienaar. Hij werd onze dienaar. Hij werd mens, Hij overbrugde de kloof tussen ons en Hem, om ons te dienen. Die dienst is gericht op onze verheffing. Over onze verheffing spreken we later, bij het Paasfeest. Nu eerst over het knecht-zijn van God. Een bepaald niet vanzelfsprekende combinatie.

God die mens wordt, is al bijzonder. Daarin is het christelijk geloof uniek. De hoge God die zich als mens te midden van mensen begeeft en zich bekendmaakt. Wat ligt er meer voor de hand dan dat de weg die Hij gaat een triomftocht is? Zijn komst naar en zijn gaan met de mensen is met de toeters, bellen en fanfare van de grootvorst omgeven. Het zal duidelijk worden dat Hij de baas is. De geboorte in de voederbak laat al zien dat daar bij deze menswording echter geen sprake van is. De nederige geboorte drukt uit dat het er bij deze God die mens wordt anders aan toe gaat. Hij zal mens zijn en dat mens-zijn wordt gekenmerkt door dienen. Hij is mens in de gestalte van een knecht. God als knecht. God als dienaar.

Dat is wennen voor ons. We zijn gewend op te kijken naar God. Hij is machtig en wij weten dat wij van Hem afhankelijk zijn. Voetzolentheologie noem ik dat. Als we opkijken, zien we als eerste de voetenzolen van degenen die boven ons gesteld zijn. Door dit soort theologisch denken gaat met Kerst een dikke streep. De God die zich daar bekendmaakt, roept geen ontzag op omdat Hij macht heeft. We kijken niet naar Hem op, we kijken op Hem neer. Hij is dienaar van ons, onze knecht.

Hij heeft met zijn menswording dus niet zijn eigen eer op het oog. Het gaat Hem om de mens, om ons. Ons wil Hij dienen. De mens is er niet omwille van God, maar God is er omwille van de mens. Daarom wordt Hij mens. Daarom leeft Hij als mens te midden van ons. Het draait bij deze God niet om zichzelf. Hij maakt mensen niet afhankelijk van Hem. Die afhankelijkheid vraagt Hij ook niet. Menselijke onderdanigheid, onderworpenheid vraagt deze God niet. Het tegendeel is eerder waar. Bij deze God draait het om de mens en de wording van de mens. Bij deze God staan mensen in het middelpunt. Hij is erop gericht dat mensen mensen worden. Daaraan wil Hij dienstbaar zijn. Zijn komen naar ons is gericht op het opheffen van de mens, het verheffen van de mens. Het is zijn eer te na als dat niet gebeurt.

Het christelijk geloof is dan ook geen menselijke godsdienst zoals er meerdere zijn. Het christelijk geloof viert de mensendienst van God. Het gaat om de dienst van God aan mensen en niet om de dienst van mensen aan God. Het is deze omkering die voor het christelijk geloof kenmerkend en bepalend is. ‘Hij ruilt met ons op vreemde wijs,’, zingt de dichter van Gezang 474. ‘Hij neemt ons vlees en bloed / en geeft ons in zijns Vaders huis / zijn eigen overvloed.’ Om dat te benadrukken wordt dat laatste herhaald. Precies om deze ruil gaat het. Als we bij het Vaderhuis maar niet aan de hemel denken, maar aan de aarde.

Net als bij de menswording moet er nu bij het dienaar-zijn van God nog iets gezegd worden: Hij werd mens zonder op te houden God te zijn. Datzelfde geldt ook voor zijn knecht-zijn. Hij werd knecht zonder op te houden heer te zijn. De volgorde waarin we in het geloof over deze verhoudingen moeten spreken is wel duidelijk. Voorop gaan het mens-zijn en het knecht-zijn van deze God. Dit mens-zijn en dit knecht-zijn is bepalend voor zijn God- en Heer-zijn. Juist omdat dat zo is, moet er aandacht zijn voor het God- en Heer-zijn. Wie Jezus alleen als mens en als knecht ziet, ziet te weinig. En wat ligt er meer voor de hand dan om Hem als zodanig te zien? Zo wordt Hij ons immers in de Evangeliën getekend. In het geloof zien we in Hem als mens en als knecht tegelijk God en Heer. Of beter: juist als mens is Hij God en juist als knecht is Hij Heer. Wie God is en hoe Hij Heer is, wordt op deze wijze bekend.

Zijn Heer-zijn wordt dus openbaar in de vorm van zijn knecht-zijn, zoals zijn God-zijn openbaar wordt in zijn mens-zijn. Om het enigszins gevaarlijk te zeggen: de verpakking is zijn knecht-zijn, de inhoud is zijn Heer-zijn. Gevaarlijk omdat het de suggestie in zich heeft dat we na het uitpakken de verpakking wel kunnen weggooien. Als we God hebben leren kennen, hebben we de mens Jezus niet meer nodig. Als we in zijn knecht-zijn de Heer hebben leren zien, hebben we daar voldoende aan. Zo is het niet. Wie over zijn Heer-zijn spreekt, kan niet buiten zijn knecht-zijn om. Alleen in dat knecht-zijn is Hij Heer. Alleen in dit mens-zijn van Jezus is Hij God. Op een andere manier is Hij als God en Heer voor ons niet te kennen.

Als dat duidelijk is, kunnen we ook over zijn Heer-zijn spreken. In zijn menswording ging het niet om zijn eigen eer, stelde ik. Dat kan nu iets specifieker ingevuld worden. In zijn menswording gaat het om het groot worden van de mens. Dat is zijn eer! Het is de eer en glorie van deze God om mensen te dienen en te verheffen. Daarin licht zijn God-zijn op. Deze God dwingt geen ontzag af door zijn macht, Hij dwingt ontzag af door zijn dienstbaarheid aan mensen. Geloven is geen onderwerping, maar vreugdevolle herkenning, omdat we in Hem en door Hem zicht krijgen op wie wij voor God zijn. Wij zijn heer! Dat zal in de weg die Hij als knecht gaat openbaar worden. Dat is het vele wat ik win als Hij knecht wordt. Omdat Hij als God ons op het oog heeft, is Hij onze eer en aanbidding waard.

Uit: Een feestelijk geloof van At Polhuis