Geen categorieOverige

Verwarring en herkenning. Causerie door Frans Willem Verbaas

Heilig vuurFrans Willem Verbaas sprak zaterdag voor de ongeveer tachtig bezoekers van de jaarlijkse dag van het Christelijk Literair Overleg in Utrecht. U kunt hieronder de integrale tekst van zijn lezing (na)lezen.

 

De lezer
Als 15, 16-jarige vond ik dat ik maar een oppervlakkig, halfslachtig leven leidde. Wanneer had ik nu eens en echt gesprek, wanneer beleefde ik een echt avontuur, wanneer zou de echte geloofsbeslissing nu eens vallen,  om over de komst grote, overrompelende Liefde maar te zwijgen. Al dat moois  vond ik zeer mondjesmaat in het echte leven, maar opvallend royaal in gedichten, romans, verhalen, dagboeken, memoires, brievenbundels en  biografieën. Literatuur bleek de kortste weg, de beste shortcut om in het hoofd of het hart van een ander te komen.

Zo beleefde ik mijn eigen onvervulde verliefdheden opnieuw, maar nu pas echt goed, in Terug tot Ina Daman van Vestdijk. Zo deelde ik in de stoerheid en erotische avonturen van de personages van Jan Wolkers. Zo ontsnapte ik aan de gewoonheid van mijn eigen leven via de even krankzinnige als duizelingwekkende geschriften van Salvador Dali. Zo probeerde ik Gerard Reve en later ook Etty Hillesum te volgen in hun gedachten over God, ook al bleven die ook bij de zoveelste lezing voor mij uiteindelijk onnavolgbaar. En bij Chaim Potok ontdekte ik dan weer dat ook er ook moderne schrijvers waren die het dagelijkse religieuze leven niet belachelijk maakten, maar op een integere en indringende wijze beschreven.

In de loop der jaren begon ik mij ook voor de stijl en de toon van bepaalde auteurs te interesseren, en voor de gehanteerde techniek. Maar als u mij vraagt waarom ik nog altijd een gretige lezer ben van literatuur, dan zou het eerste deel van mijn antwoord luiden, net als pakweg 35 jaar geleden: om te ontsnappen aan de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Goede literatuur is  zoveel echter dan het echte leven. Voor de ware lezer is een boek dan ook geen middel maar een doel op zich. De ware lezer leeft pas echt als hij leest.  

Ida Gerhardt schreef in het gedicht Onvervreemdbaar:

Dit wordt ons niet ontnomen: lezen,
En ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen. 

Ze waren het van kind af aan.

De schrijver
Als middelbare scholier had ik een krantenwijk, en toen ik zestien was bracht ik op een dag kranten rond waarin een paar gedichten van mijzelf stonden afgedrukt. Het ging om een wedstrijd op de jeugdpagina. Onvolgroeide pubergedichten waren het, maar ze stonden wel in het NRC Handelsblad.

Dat krijg je ervan. Want wie graag leest loopt het gevaar ook graag te willen schrijven. Aan dit lot ontkwam ik niet. Het verlangen om te schrijven is sinds mijn dagen als krantenbezorger nooit geluwd. Ik denk, omdat schrijven een zeer intensieve vorm van lezen is. En als lezen al neerkomt op dubbel leven, dan is schrijven een vorm van driedubbel leven.

Ik ben sinds die paar gedichten in de NRC blijven schrijven: al snel geen gedichten meer, wel dagboeken, verhalen, stukjes, artikelen, eerste hoofdstukken van romans, een heel kinderboek, en toen ik eenmaal predikant was: wekelijks een preek. Ja, ook die preek schreef ik graag. Ik kan nu eenmaal niet goed nadenken, en misschien ook wel niet goed geloven, zonder een pen in mijn hand of een toetsenbord voor mijn neus.

Vanaf mijn twintigste heb ik altijd gevonden dat ik voor mijn dood toch minstens één boek moest schrijven. Op mijn 43e debuteerde ik dan eindelijk met de roman Sneeuw in Afrika. Sindsdien kan ik dus met een gerust hart sterven, maar om in afwachting van de eeuwigheid toch wat om handen te hebben, ben ik romans en verhalen blijven schrijven. Zij het in deeltijd. Volgens Jeroen Brouwers zijn deeltijdschrijvers geen echte schrijvers. Het moet alles of niets zijn. Ik sluit niet uit dat hij gelijk heeft, al ben ik niet te beroerd om voor mijzelf drie verzachtende omstandigheden aan te voeren. 1. Ook wanneer de schrijver niet schrijft, werkt hij vaak hard aan zijn boek (op de fiets, in de auto, tijdens het hardrennen, tijdens het peinzen over een preek, soms zelfs tijdens het stil gebed aan het eind van de dienst). 2. Een predikant is een dienaar van het Woord, en het schrijven van een roman of verhaal is te beschouwen als het voortzetten van dit dienaarschap met andere middelen. 3. En verder wil ik in deze kring wel kwijt, dat ik nooit in de avonduren schrijf, als het beste al van mij af is, maar in de ochtend, als het beste nog in mij zit. Men kan veel kritiek hebben op de Protestante Kerk in Nederland, maar haar er niet van betichten dat zij haar predikanten geestdodende kantooruren oplegt.

De gelover
Graham Greene zegt ergens: geloof krijg je als de mazelen, zie maar dat je er weer vanaf komt. Abel Herzberg zegt het iets fijnzinniger: Zoals er mensen zijn die zingen, niet omdat zij willen, maar omdat een stem in hen oprijst, zo zijn er ook mensen die geloven, niet uit angst en niet uit hoop op beloning, maar omdat zij krachtens hun wezen niet anders kunnen.

Ik herken mij in beide uitspraken. Ik heb het geloof nooit gezocht, ik ben ermee besmet geraakt, het is er gewoon altijd geweest. Het is me met de paplepel ingegoten en het smaakt nog altijd prima. En nooit heb ik de behoefte gevoeld me ervan te bevrijden, want waarom zou je je bevrijden van een geloof dat je juist als bevrijdend ervaart? Daarnaast besef ik heus wel dat ik deel uitmaak van een samenleving die het tamelijk onverschillig laat dat haar eeuwenoude religieuze traditie, haar ziel, ongeveer net zo snel wegsmelt als de ijskap van de Noordpool. Over klimaatverandering gesproken. Wat over zal blijven, dat zijn her en der wat  christelijke kunstijsbanen. Althans, alle tekenen wijzen daarop. En ik? Ik sta erbij. Ik sta er midden in. Ik kijk om me heen. Ik troost mezelf met het geloof dat God zichzelf wel kan redden. Ik houd mijn hart vast en met mijn andere hand pak ik mijn pen. Als ik naar mijn tweede roman Engelenwoede kijk, maar ook naar mijn Calvijnboek, en vooral naar het boek over Karl Barth dat ik momenteel onder handen heb, dan ben ik een schrijver die van binnenuit, betrokken, niet objectief maar subjectief, het wegsmelten van de christelijke traditie beschrijft. Waarbij ik me verbonden voel met het redelijke middensegment van die traditie. Ik wil de D’66-er zijn onder de schrijvende christenen. Ik ben, zeg maar, een klein gelovig broertje van manneke Pechtold.

Een schrijvende christen
In mijn romans en verhalen verwerk ik expliciet bijbelse en christelijke thema’s en motieven. Ben ik dus een christelijke schrijver, produceer ik christelijke literatuur? Niet dat iemand mij ooit deze vraag heeft gesteld (ook degene niet die mij voor deze lezing heeft uitgenodigd), maar als hij mij gesteld zou worden, zou ik deze ontkennend beantwoorden. Er is over dit onderwerp van alles te zeggen, maar ik beperk mij nu tot één praktisch en één principieel bezwaar tegen de term ‘christelijke literatuur’.

Mijn praktische bezwaar: wie zichzelf in Nederland expliciet als christelijke schrijver afficheert, weet zeker dat hij een heel grote kans loopt dat de overgrote meerderheid van het lezerspubliek hem a priori al niet meer serieus zal nemen. Als men dan ook nog eens bij een uitgeverij zit die als christelijk te boek staat, is men dubbel gehandicapt. Als christelijke schrijver heeft men meer kan op succes bij het aanvragen van een Persoons Gebonden Budget dan bij het aanvragen van een werkbeurs van het Fonds der Letteren.

Interessanter is, lijkt me, mijn principiële bezwaar. Ik ben van de school die van mening is dat men voorzichtig, zelfs terughoudend dient te zijn met het bijvoeglijk naamwoord christelijk. Het is nogal wat of men een uitgeverij christelijk noemt, of een boerenbond, of een werkgeversorganisatie, of een politieke partij, of een omroep, of een Literair Overleg, of een boek. Is een dergelijke benaming niet veel te pretentieus? Grijpt men met een dergelijke naam niet ver boven zijn macht? Of iets christelijk is, of iets verwijst naar Christus, getuigt van Christus, is namelijk nooit van te voren vast te leggen, hooguit achteraf; en nooit door onszelf, maar, om er voor de verandering maar eens niet omheen te draaien, alleen ‘door Hem die komen zal om te oordelen de levenden en de doden.’

Nu weet ik wel dat de meeste organisaties en partijen en omroepen en overleggen die zichzelf christelijk noemen, nu zullen zeggen dat zij met dat bijvoeglijke naamwoord alleen maar duidelijk willen maken dat zij vanuit bepaalde christelijke normen en waarden willen werken. Daar breng ik dan tegenin dat de naam van Christus mij gewoon te heilig is om die naam hetzij voor een bepaald belangengroep te annexeren, hetzij als uithangbord te gebruiken. Dat is gewoon te link. Een enkel voorbeeldje: de Nederlandse Christelijke Radio Vereniging probeert tegenwoordig leden te winnen met de leus: Wij geloven in mensen. U hoort het goed. De verloochening van Petrus geschiedde tenminste nog na een lange, angstige, uitputtende nacht, en niet na rijp beraad en met inschakeling van een duurbetaald reclamebureau.

En dan zijn er met beroep op Christus natuurlijk nog veel en veel ergere dingen gebeurd.

Het zou mij een lief ding waard zijn, wanneer we het adjectief christelijk reserveren voor personen en kerken en theologen en, vooruit, scholen, die men tenminste rechtstreeks aan kunt spreken op het vierde gebod: ‘Gij zult de naam van de Heer uw God niet ijdel gebruiken.’

Als ik mijzelf voor deze ene keer een stempel geef, dan noem ik mezelf geen christelijke schrijver maar een schrijvende christen. Ik oriënteer mij in mijn leven op Christus, en daarmee houd ik niet op zodra ik een pen ter hand neem of achter een computer ga zitten. En verder kan ik alleen maar hopen datin mijn verhalen iets op zal lichten  van het geloof, de hoop en de liefde van het evangelie.

Voor eens en voor al: ik ben dus geen christelijke schrijver maar een schrijvende christen. En alleen als u bereid bent om de naam van uw stichting te veranderen van Christelijk Literair Overleg in Literair Overleg van Christenen, ben ik bereid om een lidmaatschap te overwegen.

Verwarring en herkenning
Een goede roman zaait verwarring. Vanuit verwarring kan een mens tot nieuwe inzichten komen, of tot inkeer, of vooruit: misschien zelfs tot een  wedergeboorte. Maar wil een boek aankomen of binnenkomen, dan is het ook nodig dat de lezer zich er op de een of andere wijze in herkent. Dat maakt het er voor de literair geïnteresseerde christen in het Nederlandse taalgebied niet makkelijker op. Want voor de spraakmakende Nederlandse letterkunde vormen kerk en christendom al een paar decennia een no-go area die men mijdt, tenzij men er nog een paar openstaande rekeningen heeft te vereffenen.

Toch leef ik als lezer nog altijd op, wanneer ik in een literair werk iets herken van mijn eigen innerlijke of uiterlijke geloofsleven. Vergelijkt u mij maar met de jonge homo of lesbienne die in een overwegend heteroseksuele wereld via boeken ontdekt dat hij of zij niet de enige is. Herkenning kan dan overgaan in troost – een onmodieus woord dat mij nog altijd erg dierbaar is. Het is dan ook geen toeval dat ik de titel van deze causerie, Verwarring en Herkenning, heb geleend van de gelijknamige en nog altijd erg leesbare pastorale handreiking over homoseksualiteit en geloof dat de Ned. Herv. Kerk in de jaren ’80 van de vorige eeuw heeft uitgegeven.

In mijn romans en verhalen probeer ik allereerst om een verhaal zo goed te vertellen, dat ik de lezer meeneem en hem of haar tegen wil en dank in verwarring weet te brengen. Dat is één. Maar als ik schrijf, leest over mijn schouder altijd mee de jonge lezer die ik eens zelf was, de jonge lezer die geraakt werd, wanneer hij zijn eigen innerlijke of uiterlijke leven, ook zijn geloofsleven, herkende in een scene, een sfeer of een personage.

Literatuurdag van het CLO
Utrecht, 3 november 2012

Frans Willem Verbaas