ExegeseHomiletiek

In vertrouwen opstaan en gaan

Viermaal per jaar verschijnt tijdschrift De Eerste Dag dat op grote schaal wordt gebruikt voor de voorbereiding op de wekelijkse eredienst. Zo verscheen onlangs het herfstnummer van De Eerste Dag. Waardevol voor de voorgangers en kerkmusici in parochies en gemeenten die het Oecumenisch Leesrooster dan wel het Gemeenschappelijk leesrooster volgen, maar ook ideaal voor wie het r.k.- lectionarium volgt.

De inhoud bestaat uit suggesties voor de liturgie, aantekeningen bij de schriftlezingen, inspirerende illustraties, meditatieve teksten en gebeden, liederen, toelichtingen bij de tijden van het jaar en materiaal voor ‘met kinderen in de kerk’. De Eerste Dag wordt samengesteld door een breed, oecumenisch scala aan schrijvers.

Het nieuwste nummer bevat voor iedere zondag een exegetische schets bij het oecumenisch leesrooster, liturgische suggesties, handvatten voor een gesprek met de kinderen in de kerk, ideeën voor liederen, kansen voor gebed, een overzicht van de wereldkalender, raakvlakken met hedendaagse cultuuruitingen en steeds een bijzonder gedicht, ter verdieping.
Naast de lezingen uit het driejaarlijkse ABC-leesrooster wordt materiaal geboden voor een alternatief spoor uit Genesis: Abraham, vader tussen de volken. Hieronder kunt u ter kennismaking de exegetische schets voor zondag 10 augustus 2014 lezen.

Bij Jona 2,2-11, Psalm 29 en Matteüs 14,22-33

10 augustus 2014

Volgens sommige geleerden is ‘Het lied van Jona’ een fremdkörper binnen het grote geheel van het boek. Binnen de joodse traditie wordt daar anders over gedacht. Ieder jaar wordt op Jom Kippoer, de Grote Verzoendag, in Israël en wereldwijd in de synagoge het hele profetenverhaal in één adem verteld. Het heeft een diepe betekenis om juist op
de Grote Verzoendag, door Franz Rosenzweig benoemd als ‘hét feest van de verlossing midden in de tijd’, het hele Jonaverhaal te vertellen.

Jona – ‘duif’ betekent zijn naam – weet zich door God, de Ene, de Heilige Israëls geroepen om op te staan en naar Nineve te gaan in Assyrië, om over haar uit te roepen dat haar kwaad is
opgestegen voor Gods aangezicht. Maar Jona onttrekt zich aan zijn opdracht. Hij gaat in tegengestelde richting. Hij begint af te dalen, steeds dieper en dieper. Uiteindelijk komt hij terecht in de diepste diepten van de zee. Het niet antwoorden op de opdracht van Godswege heeft dit tot uiteindelijk resultaat. Jona is een dode, want dat ben je als je van deze God, de Levende, bent afgesneden. Wij zien in Jona 2 de dood zelf in het gezicht.

Jona’s redding: hij bidt
Toch wordt ons in Jona 2 over dat ‘verblijf’ van de profeet Jona in de ingewanden van de vis gedurende drie dagen en drie nachten gezegd, dat dit ‘verblijf’ een huis van een levende is,
van iemand die bidt en zingt. De verteller neemt je mee naar de plaats waar jij je als hoorder bevindt: in de synagoge, in je huis, in de kerk, in de tempel, ja overal waar wordt geleefd, gebeden en gezongen.
‘Het lied van Jona’ begint zo: Jona bidt! Eindelijk doet Jona wat hij moet doen: bidden, roepen, smeken, schreeuwen vanuit zijn benauwenis. Zoals het volk Israël deed vanuit de benauwenis van het slavenbestaan vol doodsdreiging in Mitsrajim, in het land Egypte. Jona wordt God indachtig, de God van de uittocht door de doodswateren van de Schelfzee heen. Dat is zijn redding. Hier is het omslagpunt te vinden.

Bóven de vloed is de Ene gezeteld als koning 
We gaan in één beweging door naar de tekst van het verbindende lied, naar Psalm 29, een sabbatspsalm. Vooral ook om via deze Psalm 29 bepaald te worden bij de stem van God, die
over het water klinkt. Het is deze stem, die in dit lied zevenmaal klinkt, vol kracht. ‘Bóven de vloed is de Ene gezeteld! Bóven de machten van duisternis en dood! Daar zetelt Hij als
koning voor eeuwig’ (29,10).

Jezus leert zijn leerlingen de scharen te voeden
In Matteüs 14 en 15 staan twee verhalen waarin brood wordt vermenigvuldigd (14,13-21; 15,32-39). Voor de uitleg van ons tussenliggende beeldverhaal (14,22-33) over de storm op het meer en de redding van Petrus zijn de beide verhalen over de broodtekenen van fundamentele betekenis. Het gaat in die verhalen over Jezus die zijn leven uitdeelt als brood.

Opvallend bij de beide broodtekenen is het voortdurende samenspel tussen Jezus en zijn leerlingen. Hier speelt zich een leerproces af. De leerlingen worden gevormd tot apostelen.
De broodtekenen worden omschreven als een eucharistie, als maaltijd der dankzegging. Praktijkonderwijs dus met als opdracht: ‘Geven jullie, leerlingen, de hongerige scharen te eten’ (14,16). In het eerste verhaal blijven twaalf korven brood over, terwijl er vijfduizend man verzadigd zijn. De twaalf korven verwijzen naar geheel Israël. In het tweede verhaal (15,32-39) gaan de leerlingen weer rond en blijven er zeven volle manden over, terwijl er vierduizend man verzadigd zijn. Belangrijk is de symboliek van de getallen. De schrijver drukt in het eerste verhaal uit dat het hele volk Israël gevoed kan worden en in het
tweede de gehele volkerenwereld. Het gebroken en uitgedeelde brood – dat is Jezus zelf – is bestemd voor Israël en voor alle volkeren wereldwijd.
Je treft de zojuist geschetste beweging van Israël naar de volkeren ook aan wanneer je let op het woord ‘uitwijken’ (14,13; 15,21). In 14,13 wijkt Jezus uit naar een plaats in de woestijn en
in 15,21 naar de gebiedsdelen van Tyrus en Sidon. Jezus gaat met zijn leerlingen de grens over naar de volkerenwereld. Het is een grote doorbraak. Voor de leerlingen is het een belangrijke fase in het leerproces naar het apostelschap.

Petrus’ redding uit de doodswateren
In het beeldverhaal over het wandelen van Jezus over de zee, brengt Hij allereerst een scheiding aan tussen zichzelf en zijn leerlingen. Hij dwingt zijn leerlingen in de boot te stappen en voor Hem uit naar de overkant te varen. Jezus maakt zich van de scharen los en gaat het bergland in om daar te bidden. Het is avond en Hij is daar alleen.
Op het meer worden zijn leerlingen geteisterd door een hevige storm. Ze zijn in doodsnood en dreigen ten onder te gaan in de golven. Maar dan komt Jezus. Hij vertrouwt op de macht die als koning heerst over de doodswateren. Hij bemoedigt zijn leerlingen met zijn aanwezigheid: ‘Houd moed, Ik ben het, vrees niet!’ (14,27).

Als Petrus op Jezus’ bevel overboord stapt en over het water wandelt en bij Hem komt, zinkt de moed hem in de schoenen en zakt hij weg de diepte in. Maar Jezus grijpt hem bij de hand, redt hem en benoemt zijn gebrek aan vertrouwen. Dat hebben alle leerlingen nodig als brood: vertrouwen in de messiaanse macht van Jezus. Die macht wordt nog eens onderstreept in dat kleine zinnetje: ‘De wind ging liggen.’ Hier leren de leerlingen wat opstanding, wat opstaan inhoudt. Zijn leerlingen worden gevormd tot apostelen met een opdracht die vermeld staat aan het einde van het evangelie van Matteüs

Henk van Olst, De Rijp

Naar aanleiding van De Eerste Dag, herfst 2014.