Geen categorie

Verlangen

Tijdens de presentatie van het boek Verlangen. Een theologische peiling van dr. Bernd Wannenwetsch hield ds. Louis Wüllschleger van de IZB een lezing.  U kunt hieronder de tekst nalezen.

***


Verlangen

‘Mijn werk deugt, maar mijn leven is niet echt gelukt.’  Aldus de kop boven een interview met Joep Dohmen, hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek. ‘Levenskunst’ is zijn specialisme. [1] In het interview vertelt hij hoe hij het gevecht met het leven leverde; hoe het levensverhaal van zijn moeder en vader zich in zijn eigen leven voortzette; en hoe het een voortdurende worsteling bleef om zijn plek in het leven te vinden. Het is een volstrekt geseculariseerd verhaal, maar hij beschrijft het ziels-echt. Citaat: ‘Ik heb lang gedacht dat wilskracht de motor was om dingen te bereiken, terwijl het veel belangrijker is om je te identificeren met een bepaald verlangen’. Niet wilskracht, maar verlangen. Het citaat komt uit een interview in de NRC ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar. Hij citeert moeiteloos de grote filosofen uit de geschiedenis, alsof hij ze dagelijks spreekt. Nietzsche en Montaigne komen voorbij, maar ook de Stoïcijnen en Epicuristen. Ze hebben hem allemaal geholpen om tot levenskunst te komen, want hij wist niet hoe hij leven moest. De slotsom is: ‘niet de wilskracht, maar het verlangen’.

In een heel andere stijl (maar overigens niet minder erudiet) schrijft de monnik Anselm Grün zijn ‘Boek van verlangen’. ‘Verlangen is de basis van levenskunst’, luidt zijn stelling.

Wannenwetsch

Vandaag zijn wij bij elkaar rond het boek van Bernd Wannenwetsch. ‘Verlangen’ luidt de titel kort en krachtig. In een vijftal hoofdstukken neemt Wannenwetsch ons mee langs dit kernwoord. Ik ben geneigd om te zeggen: hij is niet aan het definiëren wat verlangen is. Gaat het vooral om een affect? Is ‘verlangen’ een theologische en vooral een eschatologische categorie? Aanvankelijk heb ik die definitie ook wel wat gemist en dacht ik: ik zou wel een scherpe definitie willen hebben om het gesprek te kunnen aangaan. Later realiseerde ik me: wat er gebeurt, is meer dat ik rondgeleid wordt. Soms in het verleden, in de grote traditie. Dan weer in de actualiteit. En steeds ontstaan er verrassingen. En er zijn allerlei momenten geweest waarop ik merkte: er klinkt een uitnodiging om de dingen mee te beleven. Precies zoals Wannenwetsch schrijft over de meester en de gezel in het laatste hoofdstuk van het boek.

Zonder overdrijving kan ik zeggen dat ik dat razend boeiend heb gevonden. Een heel summiere impressie:

  • Het eerste hoofdstuk gaat specifiek over het verlangen; hoe zit het met de tegenpolen ‘verlangen’ en ‘begeerte’? Het verlangen dat hoort bij de goede schepping en de begeerte als geperverteerd verlangen? De climax ligt in dit hoofdstuk bij Augustinus. Zijn beroemde uitspraak: ‘Ongerust is ons hart in ons, totdat het rust vindt in U, o God’, is de kern. Want God moet het enige object van het menselijke verlangen zijn. Die rust ontstaat waar de vrees wordt uitgebannen in de nabijheid van God. Ik ben zeer getroffen geweest door de laatste alinea van dit hoofdstuk waarin het gaat over deze rust. Waardoor wordt de vrees uitgebannen? Door een wonderbaarlijke omkering. Niet ons gezuiverde verlangen brengt vrede, maar ‘Gods eigen gepassioneerde verlangen naar zijn schepselen. Dat Hij hen zoekt, dat Hij zichzelf ontledigde door mens te worden, maakt dat het menselijk verlangen uiteindelijk tot zijn vervulling kan worden gebracht, dat het uiteindelijk een thuis kan vinden’.
  • Deze omkering is meteen het geheimenis van het evangelie. Rond deze kern zou ik heel graag Bernd Wannenwetsch en Joep Dohmen met elkaar in gesprek zien gaan. Er zou zonder twijfel een ontmoeting plaatsvinden waarin de ultieme missionaire vragen van vandaag aan de orde zouden komen. Ik zie Dohmen niet verder komen dan het verlangen van beneden. Ook hij heeft oog voor het verschil tussen scientia en sapientia. Ook hij zoekt naar een geïntegreerde en niet gefragmenteerde levenskunst. Ook hij ziet in dat levenskunst nodig is en dat dat oneindig veel meer is dan ongebreideld toegeven aan je eigen verlangen. Maar het blijft ‘van beneden’. Wat zou er gebeuren, als het gesprek zou kunnen gaan over het ‘van boven’? Over het augustiniaanse ‘…totdat het rust vindt in U’?
  •  Het is heel verleidelijk om vergelijkbare dingen te gaan zeggen over de andere hoofdstukken. Over de prachtige teksten rond Luther en de Psalmen bijvoorbeeld! Alleen al om die teksten ga ik dit boek bij allerlei mensen aanbevelen.
  • Hetzelfde geldt van de hoofdstukken over het lichaam als eigendom (of juist niet als eigendom) en over de theologie als ambacht.
  • Nogmaals: het voert te ver om daarop in te gaan. Ik wil graag op één hoofdstuk en nader op een bepaald onderdeel daarvan inzoomen. Dat betreft hoofdstuk 2 over ‘Innerlijkheid en commercialisering’.

Hoofdstuk 2 Innerlijkheid en commercialisering.

In dit hoofdstuk beschrijft Wannenwetsch de invloed van de commercialisering op de kerk; van het management-denken op het functioneren van de gemeente. Hij gebruikt krasse termen: ‘De ideologie van het management is in staat het eigenlijke wezen van de kerk te ondermijnen’ (p.49) is een typerende zin. Rond deze gedachte zou ik graag willen dat er een breed en diep gesprek op gang zou komen in de kerk (niet één bepaalde kerk, maar de kerken). Overal is merkbaar hoezeer dit denken binnengedrongen is zonder dat er veel kritische reflectie op gepleegd is. Toen ik vijf jaar geleden geroepen werd om leiding te gaan geven aan een semi-kerkelijke organisatie wilde ik graag wat oriëntatie op het terrein van organisatie en management vanuit christelijke optiek. Wat me van die oriëntatie het meest bijgebleven is, is de onkritische manier waarop volstrekt seculiere visies op management en organisatie gebruikt worden; soms overgoten met een christelijk jasje, soms op een allegoriserende manier voorzien van enkele bijbelwoorden, maar zonder fundamentele bezinning op de vraag wat een principieel christelijke visie op organisatie en management zou kunnen zijn. Het viel me trouwens niet voor het eerst bij kerkelijke organisaties op; ik ervaar het al jarenlang als een probleem dat in de kerk seculiere managementtheorieën binnengehaald worden zonder dat die kerkelijk geijkt worden.

Het meest viel me dat op rond de volgende kernzaak. Het begrip ‘leiderschap’ is een grote rol gaan spelen in ons kerkelijke bedrijf. Het is wat mij betreft verbazend hoe makkelijk de slogan overgenomen wordt dat onze tijd vraagt om ‘leiders’, zelfs om ‘geestelijke leiders’. De termen ‘leider’ en ‘leiderschap’ vallen ook binnen de kerk en kerkelijke organisaties vrijwel direct, als het over management en organisatie gaat. Voor het gemak wordt dat dan soms ook nog verbonden met de roep om een bisschop. Bij mijn weten is C.P. Boele in zijn dissertatie over Noordmans tot nu toe de enige die het begrip ‘leiderschap’ aan een kritische analyse onderworpen heeft. Ik vind dit woord een van de voorbeelden waaraan je ziet wat er gebeurt, als de kerk haar eigenheid kwijtraakt en loslaat wat ze in een traditie van eeuwen ontvangen heeft. Die traditie heeft haar waarachtig veel geleerd over organisatie en leiding geven. Vooral dat in het hart van een christelijke gemeenschap niet de leider, maar de herder staat; niet de manager maar de episkopos. Heel extreem tegenover elkaar gezet vanwege het contrast: typerend voor de leider is dat hij het zwakke en kreupele uitrangeert, want dat houdt de gemeenschap op. Typerend voor de herder is dat hij het zwakke erbij houdt, want zonder dat is geen enkele menselijke gemeenschap meer een echte gemeenschap. Kenmerkend voor de manager is dat de machine moet draaien en resultaat moet opleveren. Kenmerkend voor de episkopos is dat hij zicht heeft op de verscheidenheid aan gaven, op zwakken en sterken, en dat hij ze ertoe nodigt om samen de lofzang op de genade te zingen.

Het is hoog tijd dat er ook op dit terrein een ‘ecclesial turn’ (Herman Paul en Bart Wallet, Oefenplaatsen, p. 7vv) plaatsvindt. In de kerk zelf allereerst, maar ook vanuit de kerk naar buiten.

Ten slotte

Ik eindig met een citaat uit Verzet en overgave van Bonhoeffer. Aanvankelijk was ik van plan om te besluiten met een paar summiere opmerkingen in verband met de biografische notities die Herman Paul in de inleiding van het boek maakt over Wannenwetsch. Ik vergeet nooit dat mijn moeder de apostel Paulus citeerde, toen er iemand binnen de gereformeerde gezindte ‘in zonde gevallen was’. Ze zei: ‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle’.

Liever eindig ik vanmiddag met een citaat van Bonhoeffer. Wat mij betreft een van de mooiste passages uit ‘Verzet en overgave’. Het gaat erover hoe gefragmentariseerd ons leven is. In ons achterhoofd zit het pleidooi van Wannenwetsch voor een geïntegreerd leven, voor een leven als een geheel; niet uiteengebroken in kleine fragmenten, niet kleine koninkrijken waarin wij onszelf verschansen en verweren. Een geheel. Toch komen wij niet veel verder dan het fragment, schrijft Bonhoeffer. Luistert u mee naar deze woorden, geschreven een kleine tachtig jaar vóór Wannenwetsch.

LEVENSFRAGMENT

‘Hoe langer we gedwongen zijn te leven buiten onze eigen persoonlijke sfeer en buiten ons beroep, hoe sterker we ervaren dat ons leven – in tegenstelling tot dat van onze ouders – fragmentarisch is. (…) Waar vind je tegenwoordig nog een geestelijk ‘levenswerk’? Waar vind je nog dat verzamelen, verwerken en uitbouwen, waaruit zo’n levenswerk groeit? Waar vind je nog die prachtige doelloosheid en die brede opzet, typerend voor een dergelijk leven? Ik geloof dat dit zelfs bij technici en mensen van de positieve wetenschap – de enigen die nog vrij kunnen werken – niet meer voorkomt. (…) Bij dit alles blijft onze geestelijke existentie een torso. Het gaat er maar om of aan het fragment van ons leven nog te zien is, hoe het geheel ontworpen en bedoeld was en uit welk materiaal het bestaat. Er zijn immers fragmenten die alleen op de vuilnisbelt thuishoren (ze verdienen zelfs geen behoorlijke brandstapel) en andere die eeuwen hun waarde behouden, omdat hun voltooiing alleen een zaak van God kan zijn; fragmenten dus die noodzakelijk fragmenten moeten zijn; ik denk bijvoorbeeld aan ‘Die Kunst der Fuge’.

Als ons leven maar in de verte lijkt op zo’n fragment, als daarin ten minste één kort ogenblik de verscheidenheid, de groeiende veelheid van thema’s samensmelt tot harmonie, als maar van het begin tot einde het grote contrapunt wordt vastgehouden, zodat aan het slot hoogstens nog het koraal ‘Vor deinen Thron tret’ ich hiermit’  kan worden ingezet, dan willen wij niet klagen over ons fragmentarisch leven, maar er blij om zijn.’

(Uit: Dietrich Bonhoeffer, Verzet en Overgave.)

Amersfoort, 11 september 2014.

Louis Wüllschleger.

[1] NRC 2014-07-12 p.27.

1 reactie

  1. Henry Coyette
    26 september 2014 om 16:12

    Het onderscheid tussen leiderschap en herderschap lijkt me een hele vruchtbare. Volgens mij kunnen alle kerken daar nog wat van leren. Het leert je het Oude Testament ook anders lezen. Het herderschap van Mozes, bijvoorbeeld. Want dat volk Israël in de woestijn, dat volk trekt toch nog altijd voort, door de woestijn? En waar zijn onze mozessen?