GeloofKerkMaatschappij

Van voorganger tot voorbijganger – door Marjolijn de Waal

Marjolijn de WaalDit artikel is met toestemming overgenomen uit opiniërend magazine voor de Protestants Nederland Woord & Dienst, december 2012.

Wat gebeurt er als predikanten met emeritaat gaan of hun ambt neerleggen? Kunnen ze blijven wonen in hun laatste gemeente? Of moeten ze verhuizen om hun opvolger ruimte te geven?

Voor bijna alle mensen is een thuis heel vanzelfsprekend. Thuis is de plek waar je kunt blijven. De meeste mensen zoeken een huis in de buurt van hun werk, of werk in de buurt van hun huis. Voor predikanten ligt dat anders. Zij vertrekken naar een plaats om voor minstens vier jaar te verblijven, niet wetend waarheen ze daarna zullen gaan. Zij zijn daarmee eigenlijk voorbijgangers. Altijd op doorreis. Maar aan het einde van hun loopbaan?

‘Thuis’ blijven
Bijna iedereen kent wel een verhaal waarin de aanwezigheid van een voormalig voorganger in de gemeente negatief uitgepakte. Deze verhalen vormden de aanleiding tot een klein onderzoek dat ik voor een bachelorscriptie aan de Vrije Universiteit deed, getiteld Van voorganger tot voorbijganger. Een oproep van dr. Sake Stoppels, docent gemeenteopbouw aan de VU, in Predikant en Samenleving (orgaan van de Bond van Nederlandse Predikanten) leverde een kleine vijftig reacties op. De gebleven voorgangers hadden voornamelijk de positieve verhalen. Hun opvolgers oordeelden gereserveerder. Weliswaar domineerden de positieve geluiden, maar de negatieve reacties waren erg donker.

Voorgangers die blijven wonen, geven hiervoor redenen aan die te maken hebben met ‘thuis’. Sommigen hebben een huis gekocht tijdens hun actieve periode. Men is gehecht geraakt aan de opgebouwde sociale contacten en wil deze niet kwijt. Eén respondent geeft aan op deze manier nooit eenzaam te zijn geworden, in tegenstelling tot vrienden die met emeritaat gingen en elders gingen wonen: ‘Zij hadden de mogelijkheden niet meer om nieuwe relaties op te bouwen.’ Ook de partner speelt in deze keuze een rol. Zo schreef een predikant: ‘Ik wilde wel weg, maar, zei mijn vrouw: “dat is dan jammer, dan moet je wel alleen”.’ De partners die steeds meeverhuisden, willen aan het eind van de arbeidsperiode ook eens iets te zeggen hebben.

Allemaal begrijpelijke redenen. Maar het lastige is dat er naast positieve verhalen ook veel verhalen zijn waarin pijn en moeite voelbaar zijn. Het gaat hier om een complex proces, waarin niet alleen de voorganger die blijft, maar ook zijn/haar opvolger en de gemeente een rol spelen.

 Spanning
De meeste voorgangers die in hun oude gemeente bleven wonen, kijken voornamelijk positief terug op deze keuze. In veel gevallen gaan de predikanten nog voor in zondagse diensten en worden zij gevraagd voor trouw- en  rouwdiensten. Sommigen zijn actief in beleidsmatige commissies. Een respondent gaf aan dat een mooie taak te vinden: ‘Niet zo opvallend in beeld, maar ik kan wel mezelf erin kwijt, ook als theoloog.’ Een aantal voorgangers geeft aan het moeilijk te vinden om de gemeente en hun werk los te laten. Iemand schreef: ‘Ik miste de warmte van de kudde.’

Vaak worden deze voorgangers gevraagd een rouwdienst te leiden van iemand die ze kenden. Als zij hierop ingaan, wordt aan de wens van de omgeving of van de overledene voldaan, maar wordt voorbijgegaan aan de opvolger die zijn of haar weg moet vinden in de nieuwe gemeente. Gemeenteleden nemen het deze voorbijgangers soms niet in dank af als deze een dergelijk verzoek weigeren. Bij de voorganger kan het een schuldgevoel opleveren en, zoals een voorbijganger het aangaf: ‘Je voelt je wel gevleid als mensen een beroep op je doen.’ Dit gevoel herkende een ander, die het blijven wonen in de oude gemeente niemand zou aanraden. De vraag wat je als emeritus nog wel kan doen en wat niet meer, leverde bij hemzelf veel spanning op. Na vijf jaar ‘weet ik nog steeds niet goed hoe ik gewoon gemeentelid kan zijn. Dat word je nooit als vroegere dominee.’

Als een huwelijk
Positie en status vormen de kern van de spanning. Als predikant geniet je een zekere status. Het predikantschap is een zijnsberoep; je bent het helemaal en voor altijd. Zeker ook voor de gemeenteleden. Ook zij moeten eraan wennen dat hun voorganger hun voorganger niet meer is. Ze blijven de emeriti zien als predikant. Als deze in de buurt blijft wonen en de kerk bezoekt, zal het afscheidsproces langer duren.

Jacques Schenderling, auteur van Beroepsethiek voor pastores, vindt dat men te veel van de gemeente vraagt als men aan meerdere pastores vertrouwen moet geven. Het is een moeizaam proces voor pastoranten die een goede band hebben opgebouwd met de voorganger. Dit proces wordt positief versneld als de voorbijganger duidelijk maakt dat hij niet meer beschikbaar is.

Een ander geluid komt van Edwin Friedman, een Amerikaanse rabbijn en gezinstherapeut. Hij benadert de gemeente als gezin. Hij ziet de band tussen voorganger en gemeente als een huwelijk, en het afscheid nemen van een gemeente door emeritaat dan wel andere werkzaamheden ziet hij als een scheiding. Vanuit dit gezichtspunt zegt hij: ‘Alle vertrekkende voorgangers krijgen het advies zich terug te trekken, te accepteren dat ze niets meer kunnen doen, en “de navelstreng door te knippen”.’ Maar welke pastor zou datzelfde advies geven aan een gemeentelid dat gaat scheiden en zich intensief bezig heeft gehouden met de opvoeding? Dat is volgens Friedman simpelweg onmogelijk en zo geldt dat ook voor de gemeente.

Bikkelhard
Door de opvolgers wordt de situatie van een blijvende voorbijganger zeer verschillend gewaardeerd. Sommigen zijn positief en erg blij met wat extra hulp in de gemeente. Eén opvolger vindt het feit dat zijn voorganger ook begrafenissen doet, juist fijn: ‘Ik ben met een vergrijzende gemeente toch al heel vaak op de dodenakker.’ Sommigen bouwen een goede band op met elkaar. Zo schreef iemand: ‘Ik beschouw het als een eer deze wijze collega onder mijn gehoor te zien!’

Er zijn ook zeer negatieve verhalen. Spanning ontstaat voornamelijk als de voorbijganger activiteiten onderneemt zonder overleg met de opvolger. Dit kan gaan om het leiden van rouwdiensten, pastorale contacten of beleidsmatige activiteiten. In één geval liep de spanning zo hoog op, dat de opvolger over de emeritus schrijft: ‘Ik heb zijn aanwezigheid gedurende de hele periode vervloekt.’ In een ander geval was er sprake van ‘bikkelharde’ confrontaties die leidden tot het vertrek van de emeritus, overspannenheid bij zijn opvolger, het vertrek van de beheersvoorzitter en leegloop van de kerkenraad. Uiteindelijk vertrok ook de dienstdoend predikant zelf – na zes jaar. Deze en andere reacties zijn dusdanig ernstig dat ze serieus genomen moeten worden. De verhalen wekken ook de suggestie dat karakters een grote rol spelen in het proces. Zo schreef iemand: ‘Alleen de onderlinge collegialiteit voorkomt problemen, maar ik vermoed dat dat doorgaans niet de sterkst ontwikkelde kwaliteit is van predikanten.’

Is het mogelijk een goed advies te geven? Wat in ieder geval uit de reacties blijkt, is dat elke situatie anders is. Hoe het gaat, hangt af van de voor(bij)ganger zelf, van zijn/haar opvolger en van de gemeente. Het verrichte onderzoek stimuleert tot meer onderzoek en tot het zoeken naar passend beleid en richtlijnen. Suggesties in de scriptie zijn een actievere rol van de werkbegeleiding, bezinning op de eindigheid van het ambt en een liturgie van overgang van dienstdoend predikant naar emeritus.

Marjolijn de Waal is masterstudent Gemeentepredikant aan de PThU. De besproken bachelorscriptie is op te vragen via: mjldewaal@pthu.nl.