KerkgeschiedenisTheologie

Van providentia tot praedestinatio

In verband met de recente verschijning van het boek Vier anti-pelagiaanse geschriften (en eerder: Aan Simplicianus) publiceren we een lezing van Klaas van der Zwaag met als thema: Gods algemene en bijzondere zorg: Van providentia tot praedestinatio.

God zorgt voor deze wereld. Hij draagt zorg voor ieder mens. Maar tot hoe ver strekt die zorg zich uit? Uit de preek die we vandaag onderzoeken, zien we gradaties in deze zorg, een opklimming van het algemene tot het bijzondere. Daarover gaat mijn verhaal. Gods “intense” zorg voor deze wereld kreeg gestalte in Christus. “Maar nergens blijkt Gods liefde voor de mens zozeer als hier: Hem door wie Hij de mens maakte, maakte Hij tot mens.”

Uit dit citaat (aan het eind van de preek) blijkt dat God niet alleen zorg draagt voor de mens, maar deze ook liefheeft. Deze liefde is een extra toespitsing van de algemene zorg die God draagt voor deze wereld. Er is een opklimmende lijn van zorg naar liefde, en wel specifiek voor de gelovigen. Vandaar mijn wat prikkelende ondertitel: van providentia naar praedestinatio. God brengt de mensen tot hun eeuwige bestemming. Augustinus schetst in deze preek de wereld in termen van orde en structuur. Er zit altijd lijn en structuur in het leven, al lijkt dat vanuit de mens chaotisch, rommelig, willekeurig en zelfs zinloos. Maar juist het feit dat de mens denkt dat er geen lijn te bekennen is in het menselijk bestaan, komt omdat hij van nature weet dat orde boven wanorde gaat. De mens is van oordeel dat orde beter past bij Gods werken dan wanorde. God heeft een gevoel voor orde geschapen in ieder mens afzonderlijk, aldus Augustinus.

Hij heeft dat onder meer verwoord in zijn boek Over de orde (De ordine)(386), waarin hij ingaat op Gods voorzienig bestel over mens en wereld en de plaats van het kwaad (malum). De orde is alomvattend, in die zin dat niets “buiten de orde” kan gebeuren. De orde is niet alleen de harmonieuze beschikking van de gelijke en ongelijke dingen in het wereldbestel, maar ook de richtlijn voor ons leven, het middel om het gelukzalige leven te bereiken. Als er niets buiten de orde valt, dringt zich echter onontkoombaar de vraag op hoe dan het bestaan van dwaling en vooral van het kwaad mogelijk is. Óf de goddelijke voorzienigheid heeft geen betrekking op deze terreinen, óf het kwaad is het gevolg van Gods wil. Augustinus verwerpt beide mogelijkheden en komt tot een wijsheidsideaal, dat door al het kwade en lelijke heen de schoonheid van de kosmische orde aanschouwt. Augustinus gaat in deze preek als een echte pedagoog mensen opvoeden om te zien hoe het leven in elkaar steekt en hoe God in alles op deze wereld betrokken is. Hij gebruikt daarvoor de methode van opklimming. Kijk eerst eens welk geweldig natuurlijk systeem er in de mens en zijn lichaam schuilt. Augustinus hangt de voor hem typerende antropologie aan, waarin de (onzichtbare) ziel het leidende en superieure element is ten opzichte van het lichaam. Het is de rangorde die we voortdurend bij Augustinus tegenkomen: lichaam (materiële), ziel (geest, rede), God. Op dit punt is hij platonisch beïnvloed in zijn spreken over het lagere en hogere. Hij schrijft: Wat is beter: je in blinde begeerte storten of je laten leiden door de rede en het verstand? Zo ook in deze preek als hij de lezer (hoorder) opwekt om op te klimmen tot het hogere,
uiteindelijk God, als Schepper, en –aan het eind van de preek– als Verlosser.

Na het beschrijven van het vernuftige systeem van het lichaam, waarbij hij het samenspel van ziel en lichaam ook ontwaart bij het dier, komt hij tot de relatie van mens en Schepper. Hoe kan men het rijke uitbundige leven van de schepping begrijpen zonder de Schepper? Al het zichtbare is een weerspiegeling van onveranderlijke, onzichtbare ideeën. En al die ideeën liggen besloten in Gods almachtige wijsheid. Wie ziet hier niet platonische gedachtegangen?

Gods zorg neemt bij Augustinus in deze preek gestalte aan in de vorm van gerechtigheid. God beloont de goeden, straft de slechten. “Hoezo geen zorg van God voor de mensheid? Hij beloont ieder mens naar zijn daden!” Het is er God niet alleen om te doen dat we zijn, maar hoe wij moeten zijn. De mens moet zijn leven beoordelen vanuit het einde. De mens kan op
het eerste gezicht een goed leven hebben, maar dat is een schijngeluk. En een goed mens kan het slecht vergaan, maar hij wordt uiteindelijk beloond. Zagen de ongelovige atheïsten dat maar! Maar ze gaan koppig in tegen het licht, zo stelt Augustinus. Het is dus een kwestie van iets niet willen zien. Het inzicht in Gods zorg en betrokkenheid tot het kleinste van dit leven (bijv. onze haren), in “een hoger plan” en “goddelijk systeem”, is een zaak van geloof. Zie daar waar Augustinus op uit komt. De beslissende doorbraak of wending om Gods verborgen orde en zorg te zien is ons geloof. Daarin, stelt Augustinus, vinden we een heel zeker bewijs dat de mensheid God ter harte gaat. Juist om haar is Gods Zoon mens geworden!

Voor de mens heeft Gods Zoon de dood doorstaan! En zo komen we tot die “intense” zorg waar ik in het begin van sprak. “Het allergrootste en zekerste bewijs (namelijk van Gods zorg, vdZ) daarvoor is de mens Christus: de realiteit van zijn geboorte, het geduld bij zijn lijden, de macht van zijn verrijzenis.” De komst van Zijn Zoon is niet een op het allerlaatst genomen besluit, zo stelt Augustinus, maar is vanaf het begin van de mensheid door Zijn Geest voorzegd: dit gaat gebeuren! En dan komt de cruciale passage waar Augustinus Ef. 2,3 citeert, namelijk dat wij van nature kinderen van Gods toorn zijn maar dankzij Gods gave, dat wil zeggen Zijn genade, kinderen van barmhartigheid zijn geworden. “Het is zeker niet van nature dat wij zijn gescheiden van de rest (onze natuur die later is geschonden door eigen slechtheid), nee, niet door de natuur, niet door de wet, maar door de genade!”

Dit is een cruciale passage in de preek. Hier zinspeelt Augustinus op dat wat met name in de anti-pelagiaanse geschriften verwoord wordt, namelijk dat de menselijke natuur geschonden (vitiata) is (tegenover de ongeschonden en gezonde natuur (natura integra et sana), We moeten die genade Gods zoeken waardoor de natuur hersteld (restituatur) wordt. De menselijke wil is na de zondeval niet meer vrij en moet bevrijd worden, zodat hij uit liefde weer God en de medemens kan dienen. Vandaar dat Augustinus in tal van zijn werken benadrukt dat het Gods voorkomende genade is die de menselijke wil geneest, levend maakt en bevrijdt.

Nog eens terug naar Gods zorg voor de wereld. Hoe ver reikt deze zorg? Weet God alleen alle dingen, of bestuurt Hij ook actief alles wat op deze wereld plaatsvindt? We zouden Gods algemene zorg ook kunnen verwoorden in termen van voorwetenschap (praescientia), die Augustinus in zijn werk steeds meer vereenzelvigt met of laat opgaan in Gods verkiezing.
God weet niet alleen alle dingen, maar handelt ook actief in de wereld en in het leven van ieder mens. Het is geen passieve maar actieve zorg. En daarmee komen we bij de latere Augustinus die zich keert tegen de denkbeelden van Pelagius, Caelestius en andere (semi)pelagiaanse volgelingen. Het is een strijd die hem dwingt om bepaalde overtuigingen scherp te formuleren, zoals erfzonde en verkiezing. Vandaar mijn ondertitel: van providentia naar praedestinatio.

Klik hier om de hele tekst te lezen.