BijbelGeloofSpiritualiteit

Van a naar beter: Je plek vinden, je thuis bereiken: dat is voor iedereen een reis

In het zomernummer (thema: Waar ben je?) van het tijdschrift Open Deur verschijnt onderstaand artikel van Beate Rose.

 

Van a naar beter

Je plek vinden, je thuis bereiken: dat is voor iedereen een reis.
De Bijbel staat vol verhalen van mensen die op weg gaan. Vaak waren ze al ergens thuis. En toch gaan ze op reis. Wat altijd zo geweest is, is niet altijd het beste.

Dinsdagmorgen, op de afdeling geriatrie. We zitten om de tafel: de patiënten, een begeleidster en ik. Waar ben je thuis? vraag ik. Daar vertellen de meeste deelnemers graag over. De een vertelt trots over het eigen huis waar ze woont met haar man en nog elke dag zelf het eten klaarmaakt. Een ander vertelt tevreden dat ze sinds een paar maanden in een zorgappartement woont. Daar had ze enorm tegenop gezien, maar het bevalt zo goed! Ze voelt zich er echt thuis. Een meneer vindt het maar een vreemde vraag. Hij heeft daar nooit bij stilgestaan. Thuis is vanzelfsprekend de boerderij waar zijn familie al generaties woont. Aan het einde van het rondje is de oudste patiënte aan de beurt. Bijna honderd is ze. Ze heeft altijd zelfstandig gewoond. Nooit getrouwd geweest, een goede baan gehad. Of ze nog terug kan naar haar huis is onduidelijk, vertelde de verpleegkundige me eerder. Zij maakt zich zorgen, want mevrouw uit zich niet, niemand weet wat er in haar omgaat. Maar nu zegt ze het opeens: ‘Ik heb geen thuis meer.’ We houden onze adem in. ‘Ik ben op reis’, zegt ze dan. En daar gaat het gesprek verder over. Je plek vinden, je thuis bereiken, dat is voor iedereen een reis.

Ik ben nergens meer
Ergens zijn waar je kunt blijven, is in de Bijbel een gave van God. De verhalen uit de eerste bijbelboeken zijn ontstaan in een periode en een gebied waarin volkeren rondtrokken met hun families, hun vee, hun hele hebben en houden. Land dat je in bezit kunt hebben, waar je kunt blijven, was iets nieuws, een luxe. ‘Een lang leven in het land dat God u geven zal’ belooft God aan wie zich houden aan zijn geboden. Er zijn nog steeds nomaden, mensen die leven zonder vaste verblijfplaats en dat naar volle tevredenheid.

In onze cultuur is het al honderden jaren de norm om een vaste plek te hebben. Hoezeer wij daarop rekenen, zie je terug in onze taal. ‘Ik ben nergens meer’, ‘ik weet niet waar ik moet blijven’, daarmee drukken we grote wanhoop uit. Als er een ramp gebeurde in ons leven, zeggen we later als we weer woorden hebben, ‘het leek of de grond onder mijn voeten wegzakte’.

Je ergens thuis voelen, ergens aarden, is niet alleen iets praktisch, dat je kunt regelen. Het is vooral een geestelijke opgave. Ook wie nooit het ouderlijk huis verlaat, kan ver weg raken door wat hem of haar in het leven overkomt. Al is ons hele leven ingericht op een vaste plek, toch is het leven ook voor ons een zoektocht; je thuis en zeker voelen gaat niet vanzelf.

Opbreken
De Bijbel is vol verhalen van mensen op reis. Vaak waren ze al ergens thuis. En toch gaan ze op weg. De plek die God voor ons bestemd heeft, is vaak een andere dan die we zelf kiezen. Abram woonde waar zijn familie altijd gewoond had. Maar wat altijd zo geweest is, is niet altijd het beste. Het volk Israël had zich allang geschikt in het slavenbestaan in Egypte. Mensen passen zich aan, ook aan de meest afschuwelijke omstandigheden. Soms is dat makkelijker dan opbreken en weggaan. Maar in de Bijbel is het niet de bedoeling dat we ons schikken in wat nu eenmaal zo is. Het moet van a naar beter. Zo is ook in de Bijbel het leven een reis, naar het beloofde land ver weg of juist terug naar huis. Een reis met pijn en moeite. Op weg gaan is één ding, maar doorzetten als het moeilijk wordt iets anders. En ergens aankomen is niet vanzelfsprekend.

Thuis en zeker
Over de pijn en moeite van de reis zingen de pelgrimspsalmen. Wat kan je allemaal niet overkomen onderweg! Je kunt verdwalen en honger lijden, levend verslonden worden door wilde dieren, door mensen bespot en beroofd worden, je kunt vallen en verdrinken. De bekende  Psalm 121 vangt dit in een beeld: ‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp?’ Ook al leven wij in een vlak land, we weten allemaal wat het is om ergens als een berg tegenop te zien. Wat als je reis stokt? Als er geen begaanbare weg is? Als je het niet redt alleen? ‘Mijn hulp komt van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft’, weet de dichter prompt. Heel de aarde is door God gemaakt, zou er dan ergens geen begaanbare weg zijn, geen grond voor je voeten? En ook de hemel is van Hem. De eindeloze ruimte is een schuilplaats voor wie niet weten waar te blijven.

Ook wie onderweg is, kan zich thuis en zeker voelen. Thuis in de schaduw die God is, zeker in het weten dat Hij bij je is. Zelfs als de grond wegzakt, zoals het oude lied zingt:

Die wolken, lucht en winden
wijst spoor en loop en baan,
zal ook wel wegen vinden
waarlangs uw voet kan gaan.
Beate Rose is geestelijk verzorger in het Jeroen Boschziekenhuis te ‘s-Hertogenbosch en redactielid van Open Deur.
Opmaak 1