Kerkelijk jaar

Van Advent naar Kerst – Zondag III van Advent

Kerstoverweging als leerschool of poging daartoe. God wordt mens. Hoe anders Pasen te verstaan. Jesus geboren in Bethlehem, zo lang verwacht en zo lang voorspeld, wijst naar kruisdood en overwinning van de dood in graflegging en opstanding.
Kersttijd is mede tijd van Maria. Met haar verwacht de Christusgemeenschap elk jaar weer de geboorte van Jesus. De Kerk brengt in herinnering terug de geschiedenis van toen, ziet uit naar de tweede komst van de Heer en bidt dat het Kind in ons aller hart wordt wedergeboren.

Dit opstel wordt begeleid door prenten van Rembrandt, de beeldend kunstenaar uit Holland in de zeventiende eeuw. Zijn acht voorstellingen met onderschrift laten zich los van de lopende tekst bekijken en begrijpen. Tevens is getracht de algemene beschouwing enerzijds en Rembrandt’s prenten met onderschrift anderzijds niet met elkaar te doen overeenkomen maar veeleer op elkaar te laten aansluiten.

I
‘God groet u, zuivre bloeme, Maria maged fijn.’ Zo begint een lied ter ere van de moeder Gods: De Heer groet de maagd Maria en noemt haar zuivere bloem. Zij is als de bloem, fris en jong en zuiver. Zuiverheid is ongereptheid, onschuld.
Waarom wordt met Maria terstond zuiverheid verbonden? Zij is blank als de lelie en draagt als naam mystieke roos.  Haar schoonheid is omkransd door rozeknoppen (cf. W 2,8), een rozenkrans. Haar tederheid straalt reinheid van een lelie. Zij is lelie onder doornen (cf. Hl 2,2) en als roos kent zij doornen van smart. Zij is de lelie bij het levende water en de roos van de nieuw geboren schepping (cf. Sir 50,8).

We leren Maria kennen, wanneer de engel Gabriel – van Godswege gestuurd – haar onderkomen in Nazareth betreedt en haar begroet (cf. Lc 1,26-28): ‘Verheug u, begenadigde, de Heer zij met u.’ Maar waarom zou zij zich verheugen en waarom spreekt de engel haar aan als begenadigde? De engel haalt de profeet Sefanja (3,14) aan: ‘Jubel, dochter Sion en verheug  en verblijd u van ganser harte, dochter Jerusalem.’ Hij plaatst Maria in de traditie van haar eigen volk. Zij is de uitverkoren dochter van Israel, het kind uit het Joodse volk dat door God bij uitnemendheid wordt begenadigd.
Maria schrikt van dit onverwachte bezoek – niet omdat ze bang zou zijn, maar omdat ze de vreze Gods kent. En ze vraagt zich af wat deze begroeting kan betekenen. Maar de engel stelt haar gerust en zegt (cf. Lc 1,29-32): ‘Vrees niet, Maria, gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden en een Zoon ter wereld brengen. Gij zult Hem Jesus noemen. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste heten. God, de Heer, zal Hem de troon van Zijn vader David schenken.’ Zo herinnert Gabriel aan de voorzegging door Jesaja (7,14): ‘Zie, de maagd zal ontvangen en een Zoon baren. Zij zal Hem noemen Immanuel (God-met-ons).’ Tevens roept de engel in het geheugen terug de belofte van de profeet Natan aan koning David (2 S 7,12-13): ‘Als uw dagen voltooid zijn en gij bij uw vaderen rust, zal Ik de nazaat die gij verwekt hoog verheffen en zijn koningschap bestendig doen zijn. Hij zal voor Mijn naam een huis bouwen en Ik zal zijn koningstroon in stand houden voor altijd.’

Laten we terugkeren naar de stad in Galilea en het vervolg van het gesprek daar beluisteren (cf. Lc 1, 34-35): Op de precies begrepen aankondiging van de engel reageert Maria even beheerst als nuchter: ‘Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?’ Want hoe zou een vrouw in verwachting kunnen geraken zonder gemeenschap met een man? Maria was ongehuwd en daarom haar schoot ongeschonden. Zij was slechts verloofd ‘met een man die Joseph heette uit het geslacht van David’ (Lc 1,27).
Nu antwoordt Gabriel: ‘De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen. Daarom zal wat uit u geboren wordt heilig zijn en de Zoon van God worden genoemd.’ In de woordkeuze verwijst de engel zowel naar het begin van de schepping als naar Gods verblijf bij Zijn uitverkoren volk: Zoals de Geest van God Schepper eertijds over de wateren voer (cf. Gn 1,2), zo komt Hij nu over Maria bij de nieuwe schepping die Christus beduidt. En zoals Gods kracht (in de vorm van een wolk) de tent van de Verbondsark overdekte (cf. Ex 40,35), zo overschaduwt Zijn kracht nu Maria als de nieuwe Verbondsark. Want de Ark van het Verbond als plaats van Gods aanwezigheid zal wijken voor de nieuwe Ark van het Verbond. Die Ark is Maria die de Zoon van God zal dragen en baren.
Tweeërlei leert deze belofte van de engel verder – de eerste les over Maria’s Kind, de tweede over de ontvangenis in algemeen menselijke zin: Jesus is alleen door de kracht van de Heilige Geest in de schoot van de maagd Maria ontvangen – zonder tussenkomst van een man, zonder mannelijk zaad; want ‘voor God is niets onmogelijk’ (Lc 1,37). Jesus is geboren ‘niet uit bloed, noch uit begeerte van het vlees of de wil van een man, maar uit God’ (Jo 1,13).
Voorts blijkt de gezegende vrucht in Maria’s schoot terstond mens. Zulks behoeft in onze tijd verkondiging. De ontvangen vrucht in de moederlijke schoot is onmiddellijk al mens – dus niet pas later, zoals heden ten dage wanneer het zo uitkomt wordt bepleit. Welke mens is weerlozer dan hij in zijn ontkieming? Is weerloosheid niet altijd eerbied waardig? Volledig afhankelijk is de mens als vrucht van zijn moeder in wie hij groeit totdat zijn weerloosheid genoeg weerstand heeft uit haar te voorschijn te worden gehaald.

Bron: Antoine Bodar | Rembrandt van Rijn, God wordt mens. Jesus geboren in Bethlehem