Kerkelijk jaar

Van Advent naar Kerst – Eerste Kerstdag

Kerstpakket

Ze heeft ze zelf ingetikt, uitgeprint en in de postmap gelegd, de uitnodigingen voor de kerstborrel aanstaande vrijdag. Nu liggen ze dus op alle bureaus. Simone zucht en legt haar envelop ongeopend in de la van haar bureau. Ze gaat niet en dat weet ze zeker. Jochem zal er zijn en die wil ze niet ontmoeten.
Vorig jaar met Kerst leek alles zo goed. Ze hadden trouwplannen, een optie op het huis van hun dromen, rozengeur en maneschijn. Maar het liep anders. In januari begon ze ongerust te worden en eind februari was het dieptepunt. Jochem zat thuis met een burn-out en was onbereikbaar. Er zat een muur om hem heen, waar niemand doorheen kon breken. Ook zij niet. Jochem wilde niet praten, kon niet meer praten, stuurde haar na vijf minuten weg. Huilend van onmacht reed ze dan naar huis. Ellendige telefoontjes had ze voor haar rekening genomen: ‘Nee, de bruiloft gaat niet door, niet op 14 april en later ook niet, helemaal niet, nee.’ ‘Ik heb een afspraak voor het passen van een bruidsjurk, kan ik die cancelen?’ ‘We willen de optie op het huis graag terugdraaien. Nee, u hoeft ons niet op de hoogte te houden van het woningbestand.’
De huisarts en de psycholoog zeiden: rust. En aangezien Jochem heel erg onrustig werd als zij in de buurt kwam, zat er niets anders op dan afstand te creëren.
Tot begin juni had ze nog wekelijks gebeld, al wilde Jochem zelf niet eens aan de telefoon komen. Dus vroeg ze zijn moeder hoe het met hem ging. Maar dat was wel duidelijk: niet best dus.
In juli was Simone alleen op vakantie gegaan en daarna had ze beslist dat het maar over moest zijn.
Tot opluchting van haar ouders. Pa had gezegd dat ze wel dankbaar mocht zijn dat dit vóór hun bruiloft boven tafel gekomen was, en ook dat hij het goed kon begrijpen dat Jochem zich terugtrok: ‘Hij zal zich er bewust van zijn dat hij een zwakke schakel zal blijven. Niet de man die onze dochter gelukkig gaat maken.’
Daar was haar moeder gelukkig erg boos om geworden. ‘Dat is wreed en veel te makkelijk gezegd door iemand die gezegend is met een enorme stressbestendigheid! Je kunt niet zomaar alles zeggen, Kees! Ik had van jou wat meer compassie verwacht.’
Ma snapte het tenminste iets beter, al was het irritant dat ze zoveel leuke jongens tegenkwam de laatste tijd. O, helemaal toevallig natuurlijk! Maar ze laat zich niet opjutten, ze begint nergens meer aan. Ze gaat niet naar de jeugddag van de kerk, niet naar de reünie van school en de kerstborrel kan haar dus ook gestolen worden.
Het gaat wel weer, de laatste tijd. Als ze Jochem maar niet ziet en niet te veel over hem hoort.
Het went wel. Ze heeft de afgelopen maanden haar eigen flatje opgeknapt en wat nieuwe meubels aangeschaft. Iedereen vind het zo gezellig geworden!
In oktober is Jochem weer begonnen met werken, op therapeutische basis, een paar uur per week. Dat is blijkbaar goed bevallen, want nu werkt hij halve dagen en met ingang van januari gaat dat weer fulltime worden. Ze heeft het verslag van de dokter zelf in zijn dossier gedaan. Die dag had ze er weer erg slecht tegen gekund.
Gelukkig werkt hij op het andere kantoor. Hij komt bijna nooit op het hoofdkantoor en al helemaal niet bij personeelszaken.
‘Als je niet komt borrelen, dan mis je je kerstpakket, hoor!’ zegt Marina.
‘Tsjonge, dan verhonger ik met de kerstdagen!’ Luchtig doen gaat haar steeds beter af.

Drie uur, vrijdagmiddag. De computers gaan uit, er wordt achterover geleund en gelachen.
‘Geen thee,’ wordt er geroepen, ‘we krijgen zo meteen iets sterkers!’
Uit het raam kijkend ziet Simone de ene na de andere auto stoppen op de parkeerplaats. Daar komen de collega’s en de buitendienstmedewerkers.
Nu moet zij zo langzamerhand ook maar opstaan en via de achterdeur vertrekken. Ze heeft geen zin in opmerkingen of vragen.
Ze gaat meteen door naar de supermarkt, dan hoeft ze er vanavond niet meer uit. Lekkere dingen kopen, heeft ze zichzelf beloofd. Filet americain met peper, blauwe kaas en een goede fles wijn.
Thuisgekomen ruimt ze de boodschappen op en haalt ze de verpakking van een set kerstlampjes af. Ze heeft dan wel geen kerstboom, maar met wat lampjes in de vensterbank en waxinelichtjes op de tafel komt de kerstsfeer ook wel. Een glas wijn, dat eerst, om dat ellendige gevoel weg te slikken.
Had ze toch maar moeten gaan? Had ze juist moeten laten zien dat ze het prima redt?
De telefoon gaat; het is haar moeder: ‘Ik heb hutspot. Kom je eten of zal ik een portie bewaren?’
Ze kiest voor het laatste. Ja, alles goed verder, een drukke week achter de rug, ze zit lekker met haar benen op de bank de nieuwe kerstverlichting te bewonderen. ‘Goed zo!’ zegt haar moeder tevreden. Het klonk dus overtuigend genoeg.
Wat kan ze nog meer doen? De muziek harder zetten? Of juist zachter? Misschien is het niet erg om even te janken. Dat kan opluchten toch?
Ze moet eigenlijk wat eten ook. Hutspot, ja, dat zou lekker zijn, maar dan had ze toch naar haar ouders moeten gaan. Het wordt een bruine boterham. De blauwe kaas blijft onaangeroerd. Je gaat zoiets niet tegen heug en meug zitten eten.
Het is allang donker buiten. In de flat naast haar wordt met deuren geslagen. Dat belooft niet veel goeds. Als ze maar niet weer gaan schreeuwen vanavond…
Acht uur is het als de bel gaat. Ze schiet overeind. Dat zal pa met de hutspot zijn. Of een van de broers.
Ze drukt op het knopje van de intercom.
‘Jaha?’
Er kucht iemand. Jochem! Haar hart schiet in haar keel.
‘Hoi, ik heb hier je kerstpakket.’
Het blijft lang stil, in haar oren gonst het.
‘Zet maar neer in de hal,’ zegt ze dan, ‘ik haal het morgen wel.’ Meteen verbreekt ze de verbinding.
Naar het raam lopend, houdt ze nog steeds haar hand tegen haar borst gedrukt. ‘Bedaar nou,’ zegt ze een paar keer. Half achter het gordijn kijkt ze naar beneden. Hij heeft nog steeds die blauwe Kia. Daar komt hij. Het licht van de lantaarn valt op zijn blonde haar. Hij kijkt niet omhoog. Hij weet toch dat ze hier staat? Ze begint er niet meer aan. Wat denkt hij nou!
Wat had ze dan moeten zeggen? ‘Kom maar boven’? Had hij dat werkelijk verwacht? Ze is niet gek!
Hij stapt in, de lichten van de auto zijn fel; ze doet nog een stap achteruit.
Langzaam trekt hij op. De verkeersdrempel over, linksaf. Naar zijn moeder natuurlijk. Prima toch? Met een ruk sluit ze de gordijnen. Ze zet de tv aan. Het journaal. Veel narigheid weer; het kan altijd nog erger, schrijnender. Ze kijkt naar haar lege glas, neemt ze nog een glas wijn? Natuurlijk neemt ze nog een glas. Er zal ongetwijfeld in het kerstpakket nog meer wijn zitten. Maar het helpt niet, ze krijgt haar gedachten niet stil. Het is alsof er twee Simones met elkaar in discussie gaan. De ene is boos en gekwetst, alle oude pijn komt weer boven. De andere Simone is degene die is blijven hopen; die als ze bij Jochem op ziekenbezoek ging, smeekte of God haar handen wilde zegenen. En als Jochem haar handen ontweek, vroeg of God haar blik wilde zegenen.
Ze hoort zichzelf weer met haar moeder praten over waar ze de grens moest trekken en flarden van een gesprek met haar vader die haar wilde behoeden voor een moeizaam bestaan in een huwelijk waarin zij altijd de sterkste schouders zou moeten hebben.
Het woord ‘Kyrie-eleis’ zeurt door haar hoofd. Waar haalt ze dat nu weer vandaan? Het zal de kerstsfeer wel zijn. ‘Ontferm u, Heer’ betekent dat toch? Daar hoeft zij zich niet door aangesproken te voelen! Wat heeft Jochem aan ontferming? Als ze hem weer in haar leven toelaat, wordt het alleen maar moeilijker. Ze was al zo goed op weg in de acceptatie van het onvermijdelijke. Maar waarom lijkt het nu weer minder onvermijdelijk? Komt het door zijn ogen, die weer als vroeger zijn, niet meer schichtig van haar wegkijken? Of door zijn mond, waardoor ze ineens weer weet hoe het voelde als hij haar kuste? Hoe lang geleden al! Daar moet ze helemaal niet aan terugdenken.
Ze begint met opruimen, om het gepieker tegen te gaan. Maar als ze de kranten sorteert, komt ze een flyer van de gezamenlijke kerken tegen. ‘Alzo lief had God de wereld.’ Ze veegt een traan weg. Ja, dat was ontferming met een grote O. Wat een waagstuk om Jezus naar de wereld te sturen! God wist immers dat het Hem zijn leven zou kosten! En toch! Uit ontferming, omdat het vaderhart van God vol warme liefde was. En zij laat iets kostbaars liggen uit angst dat het toch weer stukgaat. Is dat egoïsme of zelfbescherming?
‘Ik kan het niet, ik durf het niet!’ zegt ze; de flyer wordt een prop in haar handen.
Zo wordt het half tien. Dan staat ze op. Het zou zonde zijn als iemand anders het kerstpakket meenam, je weet het maar nooit. Ze pakt haar sleutelbos en loopt de trap af. Ze gaat bijna nooit met de lift, alleen als er iets heel zwaars naar boven moet. Zo zwaar zal het kerstpakket wel niet zijn.
Ze knippert met haar ogen. Vanuit het trappenhuis met de spaarverlichting is het licht in de hal ongenadig fel. Een vrolijk felgekleurde doos staat onder de brievenbussen. Haar naam erop, bekend handschrift. Dat heeft Jochem er dus nog snel op geschreven – secuur was hij vroeger ook. Ze tilt het pakket op. Gek, dat haar handen zo trillen. Zal ze toch maar met de lift?
Een koude windvlaag waait langs als de buitendeur opengetrokken wordt. Ze kijkt om en klemt het pakket vaster, zoekt met haar schouder steun tegen de betonnen muur. Zijn gezicht is wit in het felle neonlicht. Zijn ogen zijn echt niet meer emotieloos zoals de laatste keren. Hij kijkt haar nu tenminste aan op een manier alsof hij haar ziet. Hij wil iets zeggen, maar hij komt niet verder dan een gebaar met zijn hand.
Ze trapt er niet in. Niet weer die pijn! De liftdeuren springen open. Ze kijkt nog eens om, hoe hij daar staat, de kruk van de buitendeur in zijn hand. Hij hoeft maar drie stappen te doen. Hij moet weggaan.
Ze gaat naar boven. Nu moet zij hem gewoon laten staan, dan weet hij ook hoe dat voelt. Ze moet gewoon op de knop van de derde verdieping drukken, dan sluit de deur zich vanzelf. Toe dan! Zo moeilijk is die handeling niet. Wat staat ze hier nog met een loodzwaar pakket? Ze zal het maar neerzetten.
Hoe komt ze zo duizelig?
‘Je denkt toch zeker niet…’ begint ze. Haar stem klinkt schril.
Hij schudt zijn hoofd, een snel, kort gebaar. Zijn haar krult een beetje, hij is mager geworden.
Hij laat de buitendeur los en stopt zijn sleutelbos in zijn jaszak. Dan doet hij ze, die drie stappen. Hij schuift met zijn voet het kerstpakket de lift in. Op haar rug voelt ze even zijn hand.
Hij drukt op de knop van de derde; de deur sluit zich.
‘Ik ga niet mee naar binnen als je dat niet wilt. Ik breng je alleen maar boven. Niet zo bang kijken. Ik moet met je praten. Wanneer je maar wilt, jij mag het zeggen. Een andere keer mag ook, is dat goed?’
Hij veegt met de mouw van zijn jas langs haar wang, vangt de traan die daar rolt. Hij houdt die mouw dan even tegen zijn lippen. Precies op de natte plek.
Ze legt haar hand in een onbewust gebaar op haar borst. Dit gevoel waarmee ze volstroomt, komt dat rechtstreeks van God? Ze weet het niet, maar ze gelooft van wel.

Bron: Joke Verweerd, Verdwalen en thuiskomen. Kerst- en winterverhalen