Kerkelijk jaar

Van Advent naar Kerst – dag 9

Welkom – door Guurtje Leguijt

Vlak naast de ingang zit op kinderhoogte een grote rode drukknop. Erboven staan op een platform metershoge met smokingjasjes aangeklede pinguïns. Als je de behoefte op de knop te drukken niet kunt weerstaan, beginnen ze houterig te bewegen terwijl ze hun muziekinstrumenten heen en weer wiegen. Het lied is door de halve winkel te horen: ‘Welkom in de winkel en geniet, en vergeet uw dagelijkse boodschappen niet…’ Voor de andere helft van de klanten staat er midden in de winkel nog zo’n groep.
Hoe welkom kan ik mij voelen in een winkel waar elk gangpad wordt versperd door overvolle karren en chagrijnige koppels die hier een duidelijke taakverdeling hebben: híj duwt de kar en zíj mengt zich in de strijd om kerstengelijsjes en gemarineerde reerugfilets.
Ik had het juist zo goed gepland. Eerste kerstdag eten we in de kerk, ik verzorg de soep die al klaarstaat in de vriezer. Tweede kerstdag gaan we wandelen, waarna we thuis de broodjes eten die als elk jaar overblijven van de maaltijd in de kerk.
Nu ben ik hier toch omdat ik één ding vergeten was. Vergeten is niet het juiste woord, drie dagen terug wist ik nog niet dat ik het zou gaan kopen.
De kaart heb ik thuis al geschreven, na heel lang aarzelen over de tekst. In de rechterbovenhoek heb ik met een perforator een keurig gat gemaakt en daar een stukje cadeaulint door gehaald. Het enige wat ik nog nodig heb, is een zakje kerstkransjes. Expres nam ik de ingang aan het parkeerterrein, de ingang waar Collin nooit staat. Ik wilde hem verrassen, zoals hij mij eens verraste, en omdat wij nu verrast zijn.
Ik voel mij raar, zweverig en alert tegelijk, alsof ik alles weet wat er te weten valt, maar het niet kan toepassen in het dagelijks gebruik. Misselijk ben ik ook, een klein beetje, onder in mijn maag, ik negeer dan ook nadrukkelijk de bladen met kerststol die mij in het kader van actieve verkoop bij de broodafdeling onder de neus worden geduwd. ‘Proeven, mevrouw?’ vraagt het meisje. Ze is jong, zestien misschien en na een paar meter draai ik mij om en bekijk haar onopvallend van opzij. Wie weet, over zestien jaar…
Gehoorzaam aan de instructies bij het begin van de winkel heb ik een mandje gepakt, ik houd het op borsthoogte om langs de file van karren te kunnen manoeuvreren.
Kerstkransjes zijn er nog genoeg. Ik pak een zakje kransjes met groene spikkeltjes. Groen staat voor nieuw leven.
Lange rijen bij de kassa. Ik neem de meest linkse, die zich uitstrekt in het gangpad. Aan de ene kant kattenbrokjes, aan de andere kant babyvoeding. Vanuit mijn ooghoek probeer ik overzicht te krijgen. Smaken, leeftijden in maanden, schattige babyhoofdjes.
‘Wacht nog even met vertellen,’ heeft de arts gezegd, ‘tot het drie maanden is.’ Maar Collin mag het nu al weten. Als hij het niet al weet…
Van opzij komt een man met twee blikjes bier in zijn handen. ‘Mag ik voor?’ vraagt hij aan de vrouw die achter mij staat, maar ze schudt haar hoofd. ‘We moeten allemaal wachten.’
Hoe lang hebben wij gewacht? Wanneer begínt het wachten? Eerst verwacht je het nog niet, niet met je hoofd maar stiekem wel in je hart. ‘Nog niet,’ zeg je dan een keer tegen je man en na een paar maanden is het ‘weer niet’ geworden. En dan durf je niet meer te verwachten maar o, wat wil je het graag en hoe je ook je best doet, de hoop verdwijnt nooit helemaal. Hoop is mooi, maar soms ook pijnlijk.
Collin stond er voor het eerst toen ik erover nadacht naar de huisarts te gaan. Ik kocht een krantje en beantwoordde zijn vriendelijke groet. Pas toen ik thuis was, vroeg ik mij af of wat ik hem hoorde neuriën inderdaad een lied was dat wij in de kerk zongen. De week erna stond hij er weer en omdat ik zijn krant al had, kocht ik een zakje krentenbollen voor hem. ‘Thank you, God bless you,’ zei hij en ik knikte. O ja God, zegen ons nu eindelijk maar eens…
De week daarna had ik de nog nooit zo gehate maandelijkse krampen. Als afleiding begon ik een praatje met Collin, half Engels, half Nederlands. Waar hij vandaan kwam, hoe lang hij hier al was, waar hij woonde. Ik probeerde mij te verplaatsen in zijn leven en vond dat ik niet klagen mocht. ‘The Lord will help me,’ zei hij en ik antwoordde:’Yes, He always does.’ En ik ging snel naar huis.
Elke week maakte ik een praatje met hem, over mijn man, over mijn parttime werk, over het weer, over van alles, maar nooit over dat wat mijn leven het meest beheerste. De hoop die elke maand de grond in werd geboord en dat we dan weer weken moesten wachten.
We waren inmiddels bij de huisarts geweest die ons een verwijzing naar de gynaecoloog had gegeven. Het duurde weken voor ik de moed had te bellen, nog een maand voor we terecht konden en het traject van onderzoeken startte. En elke week maakte ik een praatje met Collin.
Drie maanden geleden riep hij mij na toen ik wegliep. Ik deed een paar stappen terug en keek hem vragend aan. ‘Binnen een jaar zullen jullie een baby krijgen.’
Hij zei het met dezelfde glimlach en dezelfde rust waarmee hij alles zei. Ik vroeg mij af of ik hem goed had verstaan, of hij met zijn geringe kennis van het Nederlands wel gezegd had wat hij bedoelde en ik vroeg mij vooral af wat ik moest denken van wat ik hoorde.
‘Maybe,’ zei ik met een glimlach die alleen aan de buitenkant zat.
‘Sure,’ zei hij en ik wist niet of hij mijn ‘misschien’ bevestigde of juist ontkrachtte. Ik vroeg er niet naar en we hadden het er nooit meer over.
Ik krijg een duw in mijn rug en als ik achterom kijk, knikt de vrouw die daar staat, haar kar als een strijdwagen voor zich, in de richting van de kassa. Ik ben te lang stil blijven staan, ik heb een gat laten ontstaan in de rij en stap haastig een paar passen naar voren.
Vorige week heb ik de moed gehad een zwangerschapstest te kopen en heb ik de redenering dat mijn menstruatie verstoord kon zijn door de onderzoeken, eindelijk weg durven drukken. Vanwege de uitslag kon ik binnen een paar dagen bij de gynaecoloog terecht, met een flesje urine en een volle blaas voor het geval er een echo gemaakt moest worden. ‘Gefeliciteerd,’ zei hij, ‘maar wacht nog even met vertellen tot het drie maanden is.’
In de winkel drukt iemand op de rode knop. ‘Welkom,’ klinkt het door de winkel. ‘Welkom,’ denk ik, ‘o ja kind, je bent zo welkom.’
‘Is dat alles?’ vraagt de caissière. Ze glimlacht vriendelijk. ‘Eén euro negenentwintig alstublieft.’ Het klinkt banaal alledaags.
Op de tafel onder het bord met de advertenties knoop ik de kaart aan het zakje vast. ‘You are right,’ heb ik erop geschreven, omdat ik niets beters wist. Daarna loop ik naar de uitgang waar Collin altijd staat. Altijd maar vandaag niet.
Ik loop naar buiten, kijk links en rechts, loop dan weer naar binnen. Misschien is hij in de winkel een kop koffie gaan halen. Ik lees de advertenties, vraag mij af of ik het kaartje waarop een wieg en een maxicosi worden aangeboden, eraf zal halen. Er hangt ook een kaartje van een meisje dat zich aanbiedt als oppas en ik vraag mij af of ik iemand ken die ik genoeg vertrouw voor zoiets. Collin is er nog steeds niet en op de plek waar hij altijd staat, zie ik ook niet de bananendoos. Hij zegt dat hij zo’n doos uit de winkel pakt om op te kunnen zitten als hij moe is, maar ik heb hem nog nooit zien zitten.
De kerstkransjes voelen ineens zwaar. Zou hij er niet zijn? En waarom dan niet? Zou hij ziek zijn of een kerstviering voor daklozen bijwonen?
De vriendelijke cassiere wordt afgelost door een collega. Ze loopt langs mij heen, draait zich om, kijkt mij aan. ‘Kan ik u helpen?’
Ik wijs naar de uitgang. ‘De straatkrantverkoper die daar normaal staat, weet u waar hij is?’
‘Collin, bedoelt u?’ Ze aarzelt, kijkt net als ik naar de plek waar hij altijd staat. ‘Hebt u het niet gehoord?’ Zonder het af te spreken, stappen we opzij, uit de drukte. Ze bijt even op haar lip, alsof ze na moet denken over wat ze zeggen gaat. ‘Vanmorgen vroeg betrapte een collega een winkeldief. De man probeerde te vluchten, maar Collin overmeesterde hem, hield hem in bedwang tot de politie kwam. Ze namen zijn gegevens op en toen bleek dat zijn papieren niet in orde waren. Hij is afgevoerd in hetzelfde busje als die dief.’
Ik zet de kerstkransjes op de inpaktafel. ‘Hebben ze hem naar het politiebureau gebracht?’
Het meisje knikt, schudt dan haar hoofd. ‘Dat dachten wij ook, zijn rugzakje stond hier nog, dus we belden naar het politiebureau, ook omdat we wilden weten of we iets voor hem konden doen, het was zo oneerlijk…’ Ze staart naar de deur waar Collin altijd stond. ‘Ze deden zijn handen op zijn rug met handboeien en duwden hem naar het busje en hij liet het allemaal gebeuren, net zo vriendelijk glimlachend als altijd.’
Nu kijkt ze mij recht aan. ‘Mijn baas heeft gebeld, maar het gekke was dat ze niets wisten van een straatkrantverkoper die was opgepakt. Vindt u dat niet raar?’
‘Ja, dat is raar,’ zeg ik, maar ik denk: ‘Raar is niet het juiste woord, je zou het beter wonderlijk kunnen noemen.’
Bij de ingang slaat iemand op de rode knop. ‘Welkom…’ schalt het door de winkel.

Bron: Janne IJmker, Els Florijn, André F. Troost e.a., Langverwacht. Kerstverhalen voor alle leeftijden