Kerkelijk jaar

Van Advent naar Kerst – dag 5

Tim wil geen herder zijn – Kerstverhaal van Mirjam van der Vegt

Met grote stappen loopt Tim over straat. Er ligt een blikje midden op de stoep en hij schopt het zo aan de kant. Het rolt de straat op, vlak voor de wielen van een fietser. De mevrouw op de fiets schrikt en roept dat hij moet uitkijken. Tim stopt zijn handen diep in zijn zakken en trekt de capuchon van zijn jas over zijn hoofd. Het is koud buiten en volgens de juf van de zondagsschool zou het over een week weleens een witte Kerst kunnen worden. Alsof hem dat wat uitmaakt! Iedereen heeft het steeds maar over Kerst en wat voor bijzonder feest dat is. Nou, hij vindt Kerst niks aan!
Omdat hij zo hard loopt, is hij ook snel thuis. Zijn moeder ziet hem al aankomen en doet de deur voor hem open.
‘Hoe was het?’ vraagt ze zodra hij over de drempel stapt. Tim murmelt wat. Hij heeft geen zin om te praten over de kerstmusical, waar hij net voor geoefend heeft. Het is een stomme musical en de juf die hun de musical aanleert, is ook stom.
‘Nou?’ Zijn moeder wacht nog steeds op een antwoord.
‘Ik ga boven computeren,’ zegt hij en hij wil langs haar heen glippen. Maar zijn moeder houdt hem tegen. ‘Vandaag werden de musicalrollen toch verdeeld? Welke rol heb jij gekregen?’
‘Wat maakt het uit wat voor rol ik heb? Die kleine kinderen die moeten meedoen verpesten toch alles!’ Het lukt hem om onder de arm van zijn moeder vandaan te komen.
‘Je hebt toch geen ruzie gemaakt?’ roept ze hem na als hij de trap op rent. ‘En kun je je jas niet even netjes op de kapstok hangen? De computer is al bezet, dus dat moet later.’
Hij klapt zijn slaapkamerdeur hard dicht en gaat met zijn jas aan op zijn bed zitten. Zijn armen slaat hij stijf over elkaar. Het is stil in zijn kamer. Hij hoort alleen zijn eigen ademhaling, die heel snel gaat. Op de hoek van zijn bed ligt beer Bolle, die hij vroeger altijd mee in bed nam. Vorige week heeft hij samen met zijn moeder zijn kamer opgeruimd, want hij wilde geen kinderachtige kamer meer. Alle knuffels konden weg en ook die rare olifantjes op de muur moesten verdwijnen. Ze zijn vervangen door een paar vliegtuigen die hij samen met zijn vader heeft geschilderd vanaf een plaat van een boek uit de bibliotheek. Ze deden er heel lang over, maar dat was niet voor niets. De vliegtuigen lijken levensecht en iedereen die ze ziet, kan bijna niet geloven dat hij ook heeft meegeholpen. Hij kan heus wel wat!
Nog steeds is het stil op de kamer en hij bijt op zijn lip. Maar hij gaat echt niet huilen, wat denk je? Automatisch pakt hij de beer van de hoek van zijn bed en drukt hem tegen zich aan. Nee, hij gaat echt niet huilen. Daar heeft hij bovendien helemaal geen tijd voor. Hij moet een plan bedenken. Een plan zodat hij niet aan de musical hoeft mee te doen. Want het komt allemaal door de musical dat hij nu zo kwaad is. Door die stomme rol die hij gekregen heeft.
Wat zal Laura wel niet denken? Laura, het meisje uit zijn klas met die mooie groene ogen en dat heel lange haar. Laura, die meestal in een hoek zit, maar die altijd naar hem lacht. Toen hij op school vertelde dat hij in een kerstmusical een heel belangrijke rol speelde, was ze tijdens de gymles naar hem toe gekomen. ‘Mag ik ook komen?’ had ze gevraagd. ‘Ik denk het wel,’ had hij geaarzeld, ‘maar het is wel in een kerk. Ik weet niet of jij ook gelovig bent?’ Niet iedereen in zijn klas weet daar iets van af. Karina gelooft bijvoorbeeld helemaal niets en Shafan heeft het altijd over Allah. Laatst moesten ze met z’n allen in een kring zitten en konden ze allemaal iets vertellen over hun geloof. ‘Ik geloof in Jezus,’ had hij gezegd. ‘Met Kerst vier je dat Hij wordt geboren. God is zijn vader, maar Hij heeft ook een andere vader en die heet Jozef. Er komt een kerstmusical waarin ik de rol van Jozef mag spelen. Dat is een heel belangrijke rol.’ Laura wilde echt komen, samen met haar moeder. Maar ze zou voor niets komen; met de rol die hij gekregen had, deed hij echt niet mee!

Er wordt stevig op de deur geklopt. ‘Papa hier. Mag ik even binnenkomen?’
Tim schrikt wakker; hij moet in slaap gevallen zijn met Bolle tegen zijn buik aan. Buiten is het al schemerig geworden. ‘Kom maar binnen,’ zegt hij terwijl hij de beer snel weer aan het voeteneind van het bed neerlegt.
Zijn vader doet de deur met een zwaai open. Dat is typisch zijn vader. Volgens zijn moeder doet hij alles in het groot. Hij loopt met grote stappen, hij kan heel hard praten en hij zwaait vaak met zijn armen. Zijn haar is rood en krullend en staat ’s morgens vroeg altijd alle kanten op. Hoewel zijn moeder vaak op zijn vader moppert, merkt hij toch dat ze veel van hem houdt. Dan haalt ze haar hand door zijn krullen of lacht ze om zijn grappen. Net zoals Laura bij hem doet. Tim en Laura. Hun namen klinken mooi bij elkaar.
‘Zo, heb jij jezelf hier opgesloten?’ Zijn vader ploft naast hem neer op het bed. Het bed kraakt ervan en ze moeten er allebei om lachen.
‘Je moeder vertelde me dat de rollen van de musical vandaag werden verdeeld?’
Hij wil het niet zeggen, maar het floept er zo uit. ‘Ik ben herder. Gewoon zo’n stomme herder!’
‘Aha.’ Verder zegt zijn vader niets.
‘Ik wilde liever Jozef zijn,’ gaat hij daarom verder. ‘Dat is een heel belangrijke rol en op school had ik ook al gezegd dat ik die rol zou krijgen.’
‘Aha,’ zegt zijn vader weer.
Tim kijkt hem afwachtend aan. Misschien heeft zijn vader een plan zodat hij toch nog de rol van Jozef kan krijgen. Zijn vader heeft altijd goede ideeën.
‘Wacht even hier.’ Zijn vader staat plotseling op. ‘Ik wil iets met je moeder overleggen. Ik kom zo weer terug.’
Het duurt even voordat hij weer verschijnt. Hij kijkt op zijn horloge en heeft een grote grijns op zijn gezicht. ‘Kleed je warm aan. We gaan naar buiten!’
Naar buiten? Het is al donker en aan het gerommel in zijn maag te voelen, moeten ze eigenlijk al aan tafel om te eten.
‘Wij eten vanavond in het bos.’ Zijn vader tuurt door het raam naar buiten. ‘Het is al donker, dus daar moeten we iets op verzinnen,’ mompelt hij.
Tim springt nieuwsgierig op. ‘Mag het wel van mama?’
‘Stoere mannen weten precies wanneer ze de regels aan hun laars mogen lappen,’ zegt zijn vader met een lachje. Tim loopt snel achter hem aan naar beneden. Zijn moeder staat in de gang, met een dikke deken en een tas in haar handen.
‘Weet je het zeker?’ hoort Tim haar zacht zeggen. ‘Na zonsondergang mag je niet meer in het bos komen.’
Zijn vader geeft haar een kus en kijkt haar diep in de ogen. ‘Ik weet het zeker.’
Tim wurmt zich snel in zijn jas, ze moeten gaan voordat zijn moeder zich bedenkt.
Hij mag voorin zitten, op de bijrijderstoel. ‘Wat gaan we doen, pap? Wat gaan we doen?’
Zijn vader wijst naar de plunjezak die hij achterin heeft gelegd. ‘In die zak zit alles wat mannen nodig hebben. In het bos mag je erin kijken.’ Daarna start hij de auto. Ze zeggen niets tegen elkaar en Tim bedenkt wat er allemaal in de tas zou kunnen zitten. Een zaklantaarn? Een kaart om de weg niet kwijt te raken? Een touw, zodat ze zich aan elkaar kunnen vastmaken omdat ze elkaar in het donker haast niet kunnen zien?
Na tien minuten zijn ze er. Zijn vader springt als eerste uit de auto en rommelt wat in de achterbak. Tim komt naast hem staan en ziet dat hij twee stevige stokken pakt. ‘Hier heb jij er een om mee te lopen. Wie lange stukken wandelt, heeft veel steun aan zo’n stok. Bovendien kun je er wilde dieren mee op afstand houden.’
Tim griezelt. ‘Wilde dieren?’
‘Daar zijn herders niet bang voor,’ zegt zijn vader.
‘Herders?’ echoot Tim. ‘Ik wil geen herder zijn.’
‘Vanavond zijn wij herders,’ zegt zijn vader stellig. ‘En herder zijn, dat is geen gemakkelijk karwei.’ Hij hijst de plunjezak op zijn rug, sluit de auto af en loopt met flinke stappen richting het bos.
Tim is nieuwsgierig naar wat er in de tas zit en holt hem achterna. ‘Niet zo hard!’
Zijn vader houdt stil. ‘We moeten even flink doorlopen, anders krijgen we het koud.’
Ze lopen een hele tijd en Tim wordt moe. Bovendien heeft hij honger en heeft hij een koude neus. Net als hij tegen zijn vader wil zeggen dat herder-zijn maar saai is, stoppen ze.
‘Dit lijkt me een mooie plek voor een vuur.’ Zijn vader loopt heen en weer en verzamelt wat droog hout. ‘Help ook eens mee.’
Gaan ze een vuur maken? Tim voelt de kou opeens niet meer. Hij zoekt op de grond naar droge takjes, het liefst heel kleine, zoals zijn vader hem toeroept. De hoop takken wordt steeds groter, totdat zijn vader hem vraagt: ‘Denk je dat dit genoeg is?’
Hoe moet hij dat nu weten?
‘Herders weten dat,’ knikt zijn vader, alsof hij precies weet wat Tim denkt.
‘Ik ben geen herder,’ wil hij zeggen, maar zijn vader kijkt hem aan alsof hij het van hem verwacht, dus keurt hij de stapel. ‘Nog twee grote takken,’ hoort hij zichzelf zeggen.
Met een aanmaakhoutje en een lucifer mag hij de boel in de fik steken. Het lukt steeds maar niet, want de wind blaast het vlammetje uit. Hij krijgt het er warm van. ‘Ik ga in de wind staan, en jij probeert het nog een keer,’ instrueert zijn vader. Nu lukt het wel. Een gele vlam baant zich een weg door de stapel en al gauw knettert de hoop takken. ‘Let op de vonken, die mogen niet ver weg springen. Straks vliegen er nog andere dingen in brand. Herders leggen hun vuur aan op het open veld. Er blijft er altijd eentje wakker, anders dooft het vuur al snel weer.’ Inderdaad; ze moeten steeds nieuwe takken op de hoop gooien, anders blijft de boel niet branden. Tim vergeet alles om zich heen en denkt alleen nog maar aan het vuur dat aan moet blijven.
‘Waar zijn de schapen?’ roept zijn vader opeens. ‘Weet je wel waar je schapen zijn?’
Tim begint te lachen. ‘We hebben hier geen schapen, dat weet jij toch ook wel?’
‘Het is dus een makkie vandaag,’ zucht zijn vader opgelucht. ‘Weet je dat echte herders behalve op het vuur ook nog op de schapen moeten letten? Het is een hele klus, herder zijn.’
Tim wil het wel geloven. Het vuur gaat alweer bijna uit en hij is blij dat zijn vader opeens een grote tak vindt die snel en makkelijk brandt.
‘Kom, ga even zitten.’ Zijn vader heeft de tas naast het vuur gezet en pakt er iets uit. Het zijn twee spiesen en …
‘… worstjes!’ roept Tim. Zijn lievelingsworst.
‘We gaan ze boven het vuur garen.’ Zijn vader steekt hem twee worstjes en een spies toe. Tim rijgt ze aan de spies en houdt hem boven het vuur. De worst vliegt direct in de fik. ‘Ho, ho.’ Zijn vader pakt een flesje water uit de tas en giet wat water over de worst. Het vuur begint te sissen en ze hoesten allebei van de rook die vrijkomt. ‘Langzaam aan. Je moet de worst een beetje boven de vlammen houden. Herders zijn ook nog goede koks; ze weten precies hoe ze hun eten lekker krijgen boven een vuur.’ Dan houdt zijn vader zijn eigen spies boven het vuur en die vliegt ook in de fik. Tim moet zo hard lachen dat hij zijn worstjes bijna verliest. ‘Jij bent ook een herder van niets!’
‘Wacht maar af,’ bromt zijn vader. ‘We zullen eens zien wie hier straks het lekkerste worstje heeft.’
Ze houden hun worsten beiden boven het vuur en stoten elkaar af en toe plagerig aan, in de hoop dat het worstje van de ander opnieuw in het vuur terechtkomt.
‘Houd jij rechts in de gaten, dan let ik op links,’ zegt zijn vader opeens fluisterend.
‘Wat bedoel je?’
‘Wilde dieren,’ antwoordt zijn vader. ‘Die ruiken het vlees en komen daarom dichterbij. Zodra de schapen onrustig worden, weet je dat ze in de buurt zijn. Het liefst zouden ze alle schapen willen verscheuren en opeten, maar de herder zorgt ervoor dat ze daar de kans niet voor krijgen.’
Tim kijkt naar zijn worst, die bijna klaar is. ‘Hoe dan? Ik heb mijn handen al vol.’
‘De schapen gaan voor de worst.’ Hij duwt Tim opeens zijn eigen spies in handen, springt op en rent naar links het bos in. ‘Hebbes,’ hoort Tim hem. ‘Die kan onze schapen geen pijn meer doen.’
Tim verwacht bijna dat zijn vader met een echt wild dier in zijn handen weer in de lichtkring van het vuur zal stappen, maar dat is natuurlijk niet zo. Het is maar een spel, maar het voelt heel echt. Spannend is het ook; ze zijn helemaal alleen in het donkere bos. Tim rilt en gaat iets dichter bij het vuur staan, terwijl zijn vader het vlees inspecteert. ‘Ze zijn klaar!’
De worsten zijn gloeiend heet en Tim brandt  zijn lippen. Hij wil ‘aaauuuwww’ roepen, maar bedenkt net op tijd dat herders stoere mannen zijn. Ze doen dit elke dag en klagen niet. Voorzichtig neemt hij een volgende hap; nog nooit smaakte het zo goed! Er zit ook nog brood in de tas. Droog brood. Normaal vind Tim dat niet lekker, maar hier smaakt het anders. Zou het komen omdat hij honger heeft? Of omdat hij een herder is? Hij vindt het jammer als de zak leeg is. Net als zijn vader gaat hij languit op het kleed liggen en hij kijkt naar de donkere lucht boven hem. Hoe langer hij kijkt, hoe meer witte vlekjes hij ziet.
‘Sneeuw…’ fluistert zijn vader. Tim doet zijn mond open en laat de vlokjes zo in zijn mond vallen. ‘In Bethlehem viel er natuurlijk geen sneeuw.’
Zijn vader gaat op zijn zij liggen. ‘Nee, maar er gebeurde wel iets anders. Iets heel bijzonders. Stel je voor dat de hemel nu opengaat en je opeens een engel ziet!’
Tim kijkt en kijkt. Er komen steeds meer vlokjes en als je je ogen dichtknijpt, lijken het net kleine engelen die zo uit de lucht vallen.
‘Licht,’ fluistert zijn vader. ‘Opeens was er overal licht. Het geknetter van het vuur en het geblaat van de schapen werd overstemd door zingen. Overal was gezang.’ Zijn vader begint te zingen met een lage stem. ‘Ere zij God. Ere zij God…’ Tim zingt als vanzelf mee. Hun stemmen vervliegen in de wind, maar toch klinkt het heel bijzonder. Terwijl Tim zingt, vallen de vlokjes nog steeds in zijn mond. Hij slikt ze door en het is alsof het licht zo zijn hart bereikt. Alles voelt nu zo licht aan. Hij hoeft niet meer te spelen voor herder; hij ís een herder. De vlokken worden steeds groter en dikker, alsof het engelenkoor ook steeds groter wordt. En wanneer zijn vader harder gaat zingen, zingt Tim ook harder. Ze zingen het hele lied uit onder de open hemel.
Als de laatste zin geklonken heeft, is het opeens heel stil. En donker. De sneeuw heeft het vuur uitgedoofd. Toch blijven ze nog liggen, zonder iets te zeggen. Zijn vader grijpt zijn hand en Tim krijgt een brok in zijn keel. Hij wil niet huilen, want herders huilen niet, maar toch voelt hij dat zijn wangen nog natter worden dan ze al waren. Waarom weet hij niet precies, misschien omdat het gewoon zo fijn is om hier met zijn vader te liggen. Nu het vuur uit is, wordt het snel koud. Zijn vader geeft hem een kneepje in zijn hand, staat op en slaat de takken uit elkaar. Daarna zoekt hij wat aarde om het smeulende hoopje dat is overgebleven mee te bedekken. Nu is de warmte echt verdwenen. Het leek wel een droom.
‘Kom, jongen, de weg naar huis is nog lang.’
Ze lopen achter elkaar terug door het donkere bos. Met zijn stevige herdersstok maakt Tim afdrukken in de sneeuw. En heel gek, met elke stap die hij zet, komen er flarden van een lied in hem omhoog.

Wij zijn de stoere herders.
Wij passen op de schapen,
wij waken in het veld,
als andere mensen slapen.

Hij neuriet de wijs.
‘Wat is dat voor lied?’ vraagt zijn vader.
‘Van de musical. Het lied voor de herders.’ Tim zingt verder.

Wij zijn de stoere herders
voor niets en niemand bang.
Wij vechten met een beer,
wij trappen op een slang.
En niemand niemand niemand,
niemand krijgt ons klein
omdat wij stoere herders zijn.

‘Alleen het Licht,’ mompelt zijn vader. ‘Alleen het Licht uit de hemel krijgt ons klein.’
Tim denkt aan zijn tranen van net. ‘Is het erg als een herder huilt?’
Zijn vader draait zich om en pakt hem bij de schouders. ‘Stoere herders weten precies wanneer ze mogen huilen. Volgens mij ben jij de perfecte herder.’ Daarna draait hij zich om en loopt weer stevig door.
De perfecte herder. Zou hij inderdaad een perfecte herder zijn? Hij steekt zijn staf weer in de lucht en laat hem neerkomen op de grond, die overal steeds witter wordt. Al gauw hebben zijn voeten het ritme weer te pakken. Wij zijn de stoere herders… voor niets en niemand bang….
Misschien heeft zijn vader wel gelijk. Misschien is hij inderdaad de perfecte herder.

Een week later staat Tim op het podium voor de kerstmusical. Zijn vader en moeder zitten vooraan en aan de zijkant ziet hij Laura zitten met haar moeder. Ze lacht naar hem, net als altijd. Tim recht zijn rug en maakt zijn schouders breed. Zijn handen omklemmen de herdersstaf die hij heeft meegenomen uit het bos. ‘Ik heb jullie goed nieuws te vertellen,’ zegt hij tegen de zaal. ‘We lagen in het veld en opeens ging de hemel open!’
De zaal hangt aan zijn lippen als hij vertelt over het ruige leven dat de herders leidden en hoe ze werden verrast door de engelen. De woorden stromen uit zijn mond. Hij hoeft ze niet te verzinnen, hij denkt alleen maar terug aan die nacht met zijn vader. Die ene nacht met het vuur en de sneeuwengelen. Zijn vader knipoogt naar hem en hij knipoogt terug. En Laura? Die lacht. Ze lacht als nooit tevoren.

Bron: Els Florijn, Mirjam van der Vegt, Iris Boter e.a., Allemaal sterretjes. Kerstverhalen voor kinderen en jonge mensen

1 reactie

  1. Sieb Kiestra
    7 december 2012 om 19:05

    Een leuk verhaal. Ik heb het uitgeprint. Misschien gaan we het gebruiken tijdens het Kerstfeest van onze Zondagsschool.