Kerkelijk jaar

Van Advent naar Kerst – dag 21

De kleur van Kerst

Alles heeft zijn eigen kleur,’ zei vader Sergius tegen de jongeman die zwijgend voor hem zat. ‘Ook Kerst heeft een kleur.’
Nu kwam Alexei in beweging. ‘Waarom zou Kerst een kleur hebben,’ mopperde hij, ‘ik zie er niets in en al helemaal geen kleur.’ Hij zweeg met een ontevreden grijns op zijn gezicht.
Vader Sergius streek langs zijn dichte baard.
‘Jij ziet geen kleur,’ zei hij, ‘omdat je er niets in ziet. En je ziet er niets in omdat je de kleur niet kunt zien.’
‘Leuk raadseltje,’ mompelde Alexei, ‘echt wat voor u als monnik, maar daar kan ík toch niks mee?’
‘Je zou erover kunnen nadenken,’ antwoordde vader Sergius. En nadat hij een poosje gezwegen had, zei hij: ‘Zal ik het verhaal van de kleurenblinden eens vertellen?’
‘U kunt het proberen,’ zei Alexei verveeld, maar hij bleef toch luisteren.
‘Er was een tijd,’ zo vertelde vader Sergius, ‘dat de dingen geen kleur hadden of dat de mensen die kleur in ieder geval niet zagen. Eigenlijk komt dat bijna op hetzelfde neer. Want wat je niet ziet, dat is er ook niet. Tenminste niet voor jou, niet voor jouw gevoel.
Kleuren kun je alleen zien doordat je ze van elkaar onderscheidt. Maar er was een tijd dat de mensen dat niet deden of niet konden. En wanneer de wereld geen kleur heeft, heeft ze alleen vorm. Dat is niet gemakkelijk. De mensen waren er toen aan gewend: ze konden er zo goed en zo kwaad als het ging mee omgaan. Maar voor ons zou het bijna onmogelijk zijn om te leven in een wereld zonder kleur.
In die tijd was er geen verschil in kleur tussen het water van de rivieren en het gras op de oevers langs de rivieren. De mensen zagen het verschil aan de vorm. Waar de grond rimpelde en bewoog, was het nat. Waar de grond wuifde en omhoog groeide, was het droog. Maar soms was het helemaal windstil. Dan rimpelde en bewoog het water niet. En op zulke dagen verdronken er veel mensen omdat ze het water niet konden zien.
Je wist in die tijd dat je mensen tegenkwam omdat ze rechtop gingen en bewogen, maar wanneer ze stilstonden was het moeilijk om ze te onderscheiden. Daarom zorgden de mensen dat ze altijd wat van het ene been op het andere gingen staan. Maar wanneer ze vielen en niet konden opstaan, werden ze al snel onder de voet gelopen omdat niemand ze goed kon onderscheiden van de grond waarop ze lagen.
In een grauwe wereld moet je scherp op alle vormen en bewegingen letten. En dat lijkt ons heel armoedig. Wat jammer wanneer je de kleuren mist! Maar omdat de mensen toen geen kleuren kenden, dachten ze dat alles helemaal in orde was. Ze voelden niets ongewoons. En de vele slachtoffers van water en weg accepteerden ze als onvermijdelijk.
In die tijd kwam er uit een ander land een jonge man. Hij kwam uit een land waar al wel kleuren waren. Hij kon ze zien. En hij zag ze ook in het zwartwit-land. Hij zag op een windstille dag een kind verdrinken in het water. Hij riep om hulp. Hij sprong in het water om het kind te redden. Maar de mensen lachten hem uit. Je lijdt aan hallucinaties, riepen ze.
Toen dit soort incidenten zich steeds weer herhaalden, werd de jongen voor de rechter gebracht. “Waarom” praat je aldoor over wat niemand ziet?’ vroeg deze rechter. En de jongen probeerde het uit te leggen. Over zijn thuisland en dat hij ook hier kleuren zag en daardoor dingen kon zien gebeuren die niemand hier opvielen. De mensen in de rechtszaal moesten er om lachen. Ze dreven de spot met de jongen.
“Ligt er ook water voor je in de rechtszaal? Jij doet toch ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’?” De rechter besloot dat de jongen moest worden opgesloten. Wie praat over wat niemand ziet, is niet geschikt voor dit land, zei hij.
Zo belandde de jongen in een soort gevangenis. De kleurenblinden zagen niets in hem. Ze vergaten de jongen. Op het laatst zagen ze hem niet eens meer liggen toen hij bewusteloos van de honger op de vloer van zijn cel lag. Ze dachten dat hij was verdampt.
Zo verging het deze jongen in het land van de kleurenblinden waar ze niets in hem zagen. Hier eindigt het verhaal van de kleurenblinden,’ besloot vader Sergius.

Alexei snoof een keer luidruchtig. ‘Wat heeft dit verhaal nu te maken met de kleur van Kerst?’
Vader Sergius streek nog eens door zijn dichte baard en zei: ‘Alexei, vertel jij dan eens een beter verhaal.’
Het bleef stil in de kloosterkamer van vader Sergius.
‘Heb je soms geen verhaal, Alexei?’
‘Nee waarom,’ was het korte antwoord.
Na een lange stilte zei vader Sergius: ‘Je hebt geen verhaal omdat je geen kleuren ziet!’
Alexei stoof op: ‘Ik zie alle kleuren van de regenboog!’
‘Ja, maar je ziet heel veel kleuren helemaal niet. Je ziet ook niet de kleur van Kerst.’
Nu waren ze beiden weer terug bij het begin.
Alexei begon verveeld op zijn nagel te bijten. Maar vader Sergius zei: ‘Zal ik je eens het verhaal van de kleurenschilders vertellen?’
En hij begon zonder op antwoord te wachten.
‘Er was een tijd,’ sprak vader Sergius, ‘waarin de mensen alle aardse kleuren al wel goed konden onderscheiden. Ze genoten ervan. En wanneer ze tekeningen maakten, kleurden ze die in. Sommige schilders begonnen zelfs direct met kleuren en maakten daarmee vormen op het doek. Op straat en op school, in de trein en in het ziekenhuis, overal kwamen de kleuren je tegemoet in allerlei vormen. Rode brievenbussen langs de weg en groene schoolborden in de klas, gele treindeuren en witte doktersjassen. Doordat alle dingen kleur hadden, kon je ze goed van elkaar onderscheiden. Een arts en een politieagent werden niet verwisseld en een appel en een citroen ook niet.
De mensen kregen het gevoel dat ze alles konden zien. Ze vergaten dat er een tijd was geweest waarin ze de dingen niet goed konden onderscheiden omdat er alleen maar vorm en geen kleur was geweest. Ze dachten er niet bij na, dat ze ook nu misschien maar een deel van alle kleuren konden zien. Niemand stond er bij stil dat er misschien wel tekeningen op een citroen te zien zouden zijn, wanneer je maar beter de vele soorten geel kon onderscheiden. Niemand bedacht dat er misschien wel verborgen geheimen te lezen zouden zijn wanneer je maar meer schakeringen kon zien in het zwart van de aarde. En omdat niemand daar bij nadacht, leefden de mensen vanuit het gevoel dat ze alles in de wereld konden zien. En dat ze dus verder niemand nodig hadden.
In die tijd waren er maar een paar mensen die wel beter wisten. Zij voelden dat er méér was te zien dan mensen kónden zien. Maar hoe moesten ze dat zichtbaar maken? Toen begonnen sommigen van hen voorzichtig te experimenteren met het maken van nieuwe kleuren. Ze mengden natuurlijke mineralen met eigeel en zo ontstonden kleuren die op aarde niet worden gezien.
Bovenaardse kleuren.
Maar wat moest je dan schilderen? Je kunt hondensleeën en Kozakken niet met andere kleuren schilderen dan we allemaal kunnen zien. Langzaam drong het tot één van hen door dat hij met bovenaardse kleuren ook bovenaardse dingen moest schilderen. Maar deze man, Roeblev, was een gewone Rus. Hij kende alleen de aardse dingen en was nooit op andere planeten of in een soort hemel geweest.
Terwijl Roeblev in verlegenheid was, wat te doen als kleurenschilder, naderde de kersttijd. In Rusland viel de sneeuw op sommige plekken metershoog. In het dorpje waar Roeblev woonde, was het amper mogelijk om het kleine kerkje te vinden, bedolven als het was onder de sneeuw. Toch klonk in de kerstnacht het geluid van cimbalen. Klokken gebruikten ze hier toen nog niet, maar cimbalen. Roeblev schuifelde in het nachtelijk donker dat alle kleuren verzwolg naar de kerk. De priesters met hun donkere stemmen zongen de liturgie van Jezus’ geboorte. En één van hen las al zingend het verhaal van de geboren Koning. Bij het kaarslicht in de kerk ging Roeblev toen langzaam de kleuren zien van dit wonder. Een aardse geboorte, een menselijk kind met bekende kleuren, maar tegelijk de hemelse Koning, de zoon van God. Een aardse vorm waarbij een bovenaardse kleur past.
In die week schilderde Roeblev zijn eerste madonna met Kind. Je zag een kind op het doek verschijnen, maar je zag ook kleuren die boven de vorm uitgingen. Kleuren die alles optilden naar een bovenaardse werkelijkheid.
Een icoon was geboren.

Mensen uit het dorp gingen de kleuren ervan kussen en kregen het gevoel dat er meer is dan ze zagen, meer dan de kleur van grauwheid of luxe. En zo verwarmden de kleurenschilders de harten van de mensen. Eindelijk voelden ze dat ze met al hun aardse kleuren toch lang niet alles konden zien. Ze leerden geloven.’
Nu onderbrak Alexei ongeduldig de priester: ‘Je dacht toch niet dat een paar aparte kleuren mij wat kunnen schelen?’
‘Nee,’ antwoordde Sergius na enige tijd. ‘Wanneer je hart ervoor gesloten is, zul je nooit méér zien dan je ziet. De Koning van de hemel blijft voor jou gewoon een kind. Maar waarom knijp je je ogen zo krampachtig dicht?’
Nu stond Alexei op en zonder te groeten verliet hij de priester. Hij gooide de deur met een harde slag achter zich dicht.
Hij wist niet dat achter die deur een priester neerknielde en voor hem bad. En tijdens dat gebed verscheen een zacht en warm goudkleurig licht. Het deed zijn kloostercel stil en wonderlijk oplichten. Het omhulde Sergei met de kleur van Kerst!

Bron: Jakob van Bruggen, De kleur van Kerst