Kerkelijk jaar

Van Advent naar Kerst – dag 17

Dinsdag na zondag III Advent
Jesaja 30 vss 18-28

Welgelukzalig zijn die allen die Hem verwachten! Aldus de Statenbijbel (in vs 18) en het is zware taal. Welgelukzalig, vijf lettergrepen die tegenwoordig meestal worden ingekort tot het drietal syllaben van gelukkig. Waarom eigenlijk? Ik weet het niet. Gelukkig is veel minder klankrijk dan welgelukzalig. Het is naar mijn smaak zelfs een nogal óngelukkig woord, met die twee gutturalen en die drie
onbetoonde, doffe, introverte klinkers die allerminst klinken. Het Nederlands kan nóg doffer. Sufferd of grutter is nog klanklozer. Maar ‘gelukkig’ is bepaald niet het boeiendste woord uit onze taalflora!
En toch kiezen ze dat, die bijbeluitgevers, liturgisten, of wie er dan ook aan te pas komen om het woord van Onze Lieve Heer te doen weerklinken in moederkerk en moedertaal. Waarom in Godsnaam?
Ik heb mij al zo vaak afgevraagd, wat dat toch voor een samenzwering is. ‘Gelukkig’, een woord dat we in de dagelijkse omgangstaal vermijden zodra we het goed met elkaar menen. Want dan roepen we: welgefeliciteerd ! Dat gaat samen met schouderklopjes, omhelzingen, handgezwengel en glasverheffing. Als het ons ernst wordt met dat geluk, zwenken we uit naar een althans iets
klinkender woordkeus. Het klinken met de glazen wordt erin hoorbaar.
Helder en tinkelend, tintelend, klinkt dat: welgefeliciteerd. En  dan zijn het nog maar ee’s en ie’s, lichte vocalen. Want we houden het luchtig. Maar het voorvoegsel wel, dat om te beginnen al moest sneuvelen in de liturgische woordkeus, waarschijnlijk omdat het ouderwets en plechtstatig werd geacht, wat heel erg is, en niet vlot genoeg, geen alledaagse omgangstaal, weet je wel, – dat voorvoegsel welt spontaan in de volksmond op als er gelukgewenst gaat worden! Op bruiloften en partijen en als Oom Jan jarig is blijkt het onweerstaanbaar. Welgefeliciteerd! Doch als een priesterlijk gebaar ons wil omarmen en omhelzen, als er gezegend wordt met uitgespreide handen, mag er geen ‘welgelukzalig’ staan. Hoewel dat heel alledaags met ‘wel’ begint en over de rug van twee onbetoonde klinkers heentrippelt om alle nadruk te laten neerkomen op de open vocaal aa, waarna de lettergreep lig (vooral in zuidnederlandse tongval allerminst stug klinkend, maar licht en ruisend achter die a en die l) het
woord van vijf syllaben afsluit. Welgelukzalig, een schat van een woord en uiterst geschikt om juist bij wijze van zegen te weerklinken.
De gutturalen glijden in die elegante beweging van dat ritmische woord ook zonder hinderlijke rasperigheid mee. Gelukkig, in noordnederlandse mond althans, begint met keelschrapen en verloopt als een rokershoest bij het opstaan. Maar toch willen ze dat in de liturgie hebben. Hoewel het naar de toto en de lotto zweemt, heult met vrouw Fortuna, hedonistische gedachten oproept en in
het algemeen binnen de sfeer van Radio Drie blijft hangen. Je moet maar geluk hebben.
In het Hebreeuws, als zo’n zegenspreuk, zo’n zaligspreking wordt aangeheven, staat er een woord van maar twee lettergrepen dat doet denken aan Jakobs achtste zoon, die werd geboren uit de dienstmaagd Zilpa (Genesis 30 vss 12-13): Asjer. Wat een geluk voor mij, roept de spijtige Lea uit als de gehoorzame dienstmaagd om harentwil ontmaagd is. Wat een geluk! De vrouwen zullen mij gelukkig prijzen. Asjer vertolkt dat geluk. Maar het blijft niet bij dit verhaal.
De term wordt op een ander plan geheven en het woord verdiept zich. Het zal in allerlei spreuken gaan voorkomen die wij geen ‘gelukwensen’ maar ‘zaligsprekingen’ noemen. Niet à la bonheur, maar béatitudes! Breed klinkt het ook: asjreej… Zo komt het telkens in de psalmen voor en het is niet ten onrechte dat er dan, althans in het klassieke Nederlands, van welgelukzalig sprake is. Het psalter begint er mee: welgelukzalig is de man die niet wandelt in de raad der goddelozen (psalm 1 vs 1).
Ook het Latijn heeft daar niet felix en niet fortunatus, maar zoals iedere enigszins geletterde lezer nog wel weet: beatus. Beatus vir. Felix heeft in ons welgefeliciteerd een onderkomen gevonden en fortunatus werd gefortuneerd, maar beatus doet iets anders, het looft niet het toeval en het blijft niet steken in de gevoelens, het duidt een toestand aan, beter gezegd: een levenswijze. Geen welbevinden, maar welzijn. En ook niet per se geestelijk. Het komt bij de sympathieke heiden Horatius net zo goed voor, als hij beschrijft wat hem het ware leven lijkt: beatus ille qui procul negotiis etc. Ver van zaken en zorgen arcadisch wandelen, een landjonker op rust. Die kant wil de heilige Schrift dan wel niet uit, maar toch krijgt ook die psalm iets arcadisch, de boom die aan de waterstroom staat en vrucht geeft op zijn tijd wortelt weliswaar niet in Arcadië, maar het is toch het Land van Belofte en pas als alles gedaan en geleden is wordt die boom in een stad overgeplant. Dat is dan ook het Jeruzalem van de Apocalyps. Leg psalm 1 (beatus vir) maar eens naast Openbaring 22.
Welgelukzalig. Asjer, beatus. In het Grieks wordt het makarios. Ook dat woord heeft meer van een schaterlach dan van een rokerskuch. Het staat in de zaligsprekingen die als de zaligsprekingen de wereld zijn ingegaan. Mattheus 5 vss 1-12. Het Nederlandse welgelukzalig is daar door de Statenvertalers tot de helft ingekort; in het ritme van die spreuken klinkt het tot negen maal toe: zalig. Maar die ene keer dat het in zo’n adventslezing voorkomt, in Jesaja 30 vs 18, na zoveel bekommernis, boosheid en dreigementen, mag het dan toch wel volop en breeduit klinken? Welgelukzalig zijn allen die Hem verwachten.

Bron: Willem Barnard, Stille omgang