Kerkelijk jaar

Van Advent naar Kerst – dag 16

Matteüs 1:18b-19
Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten.

De nacht is gevallen.
Al honderd keer heeft hij zich de gebeurtenissen van vanmiddag voor de geest gehaald. Hoe hij haar hoorde aankomen, die snelle lichte voetstappen van haar herkende hij toch? Haar blos en haar ogen, die al aan het verhaal begonnen voordat ze haar mond opendeed. Ze moest het twee keer vertellen voordat er iets van tot hem doordrong.
Toen ze zweeg en op zijn reactie wachtte, was zijn blik op haar handen gevallen. Haar handen die sterk en toch vrouwelijk waren, ze lagen als slapende vogels in haar schoot, tot rust gekomen nu ze alles had verteld.
Hij had geen stap naar haar toe kunnen doen, hij had zijn arm niet om haar heen kunnen slaan, ook al vroegen haar ogen erom. Hij had gepeuterd aan een houtsplinter, die onder zijn nagel geschoten was. Ze was opgestaan en had geruisloos de deur van de werkplaats achter zich gesloten. Nu waren hem geen wegstervende voetstappen opgevallen, want er gonsde van alles door zijn hoofd.
Dit kon niet. Hij liet zich niets op de mouw spelden.
Hij had de grote bijl ter hand genomen, er moest weerbarstig hout worden gekliefd.
Toen het donker werd, was hij naar huis gelopen. Er zat een vreemde moeheid in zijn lijf, die anders was dan het gewone trekken van vermoeide spieren. Men keek hem verbaasd na toen hij niet terug groette, hij voelde ogen in zijn rug. Op dat moment drong het tot hem door dat er nog heel wat gekeken zou worden in de nabije toekomst.
Bij de poort liep hij een groep jonge mannen tegen het lijf, hij keek hen aan. In zijn hoofd buitelden de namen over elkaar heen. Was het een van hen? Waar en wanneer dan? Het was niet met Maria te rijmen, maar hij zou de eerste niet zijn wiens leven overhoop gegooid werd door iets wat hij tot dusver voor onmogelijk gehouden had.
Het eten smaakte hem niet, de hele avond draaide hij Maria’s verhaal om en om. Als hij de mogelijkheid dat ze de waarheid sprak overwoog, drong de onmogelijkheid zich des te duidelijker aan hem op.
Zou Maria nu werkelijk denken dat hij hierin mee kon gaan? Hoe kon ze zo veranderd zijn? Wat was er voorgevallen? Voor wie had ze haar leven op z’n kop gezet? Hij zocht vertwijfeld naar signalen die hij misschien niet had opgemerkt, maar hij kon zich niets herinneren. Hij had nooit eerder aan haar getwijfeld.

Nu ligt hij met open ogen in het donker.
Er is maar een ding dat overblijft: hij zal weggaan uit Nazaret. Hij zal het voor Maria niet nog moeilijker maken, hij zal haar de ruimte geven. Als ze zwanger is, dan moet ze met de vader van het kind trouwen. Er zit niets anders op, hij zal verdwijnen uit haar leven en ergens in den vreemde opnieuw een begin trachten te vinden. Hij houdt het niet uit op zijn matras. De beslissing verscheurt hem van binnen. Radeloosheid kropt in zijn keel.
Weggaan, dat zou een genereus gebaar zijn, een teken van liefde. Hij wil haar goede naam niet beschadigen, hij moet dan maar de minste kunnen zijn.
Het is het beste, het zuiverste dat hij kan doen.
‘Zo zal Maria weten, dat ik meer van haar houd dan zij van mij.’

Bron: Joke Verweerd, Het licht roept in de nacht. Gedachten en gedichten rond Kerst