Kerkelijk jaar

Van Advent naar Kerst – dag 12

Een stokstaartje in Novosibirsk – kerstverhaal door Peter van Dijk

Iedere avond vertelde vader Tamminga zijn kinderen een ander verhaal. Een nieuw verhaal. Heel nieuw, want hij verzon het elke dag ter plekke. Zo ook vanavond. Tjalling en Tara zaten naast hem op het grote bed, en ze dachten diep na. En als Tjalling een keer begon met denken, dan duurde het altijd even voordat hij uitgedacht was. Zo lang dat zijn vader al met het verhaal wilde beginnen, maar dat kon helemaal niet. Eerst moest Tjalling nog verzinnen welk dier er in het verhaal voor moest komen.

Want zo ging het. Iedere avond. Tjalling en Tara mochten drie dingen verzinnen. Een dier, een plaats en een beroep. Alledrie moesten ze dan voorkomen in het verhaal dat hun vader zou vertellen. Tara vond het steeds een sport om dingen te verzinnen die niets met elkaar te maken hadden. Een bever en een metselaar bijvoorbeeld, op de Noordpool. Een bakker met een salamander in het centrum van Parijs. Of een bejaarde pinguïn met een dominee in het zuiden van Etten-Leur.
Alles hadden ze al geprobeerd om te zorgen dat het hun vader niet zou lukken, maar steeds was er een keigoed verhaal uitgekomen. Hoe deed hij dat toch?
Maar vanavond was het haast onmogelijk, en daarom dacht Tjalling nog langer na dan ooit. Tara had al gekozen voor het beroep en de plaats. Het verhaal zou gaan over een violist, en de plaats Novosibirsk moest er ook in voorkomen. Tara had die middag op een landkaart Novosibirsk zien staan en had hem speciaal onthouden voor dit moment. Ze wist haast zeker dat haar vader nooit van Novosibirsk had gehoord en dat het hem nooit zou lukken daar een verhaal over te vertellen.
Opeens klaarde Tjallings gezicht op. Hij wist het.
‘Een stokstaartje,’ riep hij uit. ‘Een stokstaartje in Novosibirsk.’
‘Een stokwattes?’ zei zijn vader.
‘Kom op, pap, die hebben we vorige week nog in de dierentuin gezien. Dat is zo’n gek beestje dat de hele tijd recht omhoog zit en maar om zich heen zit te kijken.’
‘O ja, alsof hij denkt dat alles in brand staat. Of dat er inbrekers zijn. Heten die stokstaartjes? Grappige naam.’
Tara begon al te grinniken. ‘Een stokstaartje in Novosibirsk met een violist. Nou pap, dat gaat je nooit lukken.’
‘Wat gaat me niet lukken?’
‘Om daar een verhaal van te maken…’ zeiden Tjalling en Tara tegelijkertijd.
‘O, maar dat verhaal hoef ik helemaal niet te maken. Wat ik nu ga vertellen is zelfs echt gebeurd. Het is wel heel toevallig, maar je moet me geloven: er is ooit een stokstaartje in Novosibirsk geweest met een violist.’
Even was Tara nog stil, maar toen zag ze de glimlach bij haar vader.
‘Ik ben benieuwd.’
‘Nou, dan moest ik het maar eens vertellen.’
Tara en Tjalling kropen wat verder onder de dekens.
‘Het is nu alweer precies honderd jaar geleden. Ik weet het zo zeker, omdat vorige week in de krant stond dat er een standbeeld is onthuld in Novosibirsk voor Fransje, de violist uit Nederland. Maar daar zit nog een heel verhaal achter. Dat begint eigenlijk bij Fransje, als hij nog maar heel klein is. Een jaar of zes.
Fransje kon helemaal niet zo veel. Voetballen kon hij niet, en knutselen was voor hem ook niks, hardlopen of fietsen hield hij niet lang vol. Het liefste zat hij maar binnen. En dan luisterde hij naar zijn moeder. Zijn moeder, de violiste. Urenlang kon hij naar haar luisteren als ze vioolspeelde en meestal had hij dan tranen in zijn ogen. Zo mooi vond hij dat.
Tot op een dag zijn moeder haar viool aan Fransje gaf en zei: “Hier, probeer maar, wie weet kun jij het ook wel. Je hebt me nu al zoveel horen spelen.”
En warempel. Jullie zullen het niet geloven, maar toen Fransje de viool in zijn handen had, gebeurde er iets vreemds met hem. Hij had waarschijnlijk zo veel naar zijn moeder gekeken en zo goed ook, dat hij precies wist wat hij moest doen. Hij klemde de viool tussen zijn kin en schouder, legde de stok voorzichtig op de snaren en speelde een prachtige melodie.
Oké, het was die eerste keer niet meteen helemaal zuiver, maar toch, de melodie was er. En het was maar goed dat er een stoel achter Fransjes moeder stond, want anders was ze zo met haar hoofd achterover op de grond gekukeld van verbazing.
Toen ze eenmaal goed en wel zat, zei ze: “Fransje. Fransje. Ik weet niet. Fransje. Fransje toch. Fransje.”
“Wat is er, mam?” had Fransje doodleuk gevraagd.
“Je… je… je bent een wonderkind.”

En dat was waar. Fransje was een wonderkind. Vanaf die dag speelde hij de hele dag viool. Als hij niet op school was, of at, of sliep, dan rende hij naar zijn viool en speelde hij erop.
Maar dat was nog niet alles.
Als Fransje speelde, gebeurde er iets geks.
Als hij speelde moesten de mensen altijd huilen. Gewoon, uit het niets. Fransje speelde zo mooi, dat de tranen vanzelf in alle ogen schoten, bij iedereen die luisterde. Zelfs als hij bij een verjaardag even snel “Lang zal ze leven” speelde, stopte iedereen met zingen en vielen ze elkaar huilend om de nek.
En zo kwam het dat Fransje niet heel veel vrienden had. Als je iedereen steeds aan het huilen maakt, dan houd je niet veel vrienden over.
Maar… hij werd wel beroemd. Beroemd, en zonder vrienden.
En dus zat er maar één ding voor hem op. Hij trok de hele wereld over met zijn viool. Hij hoefde toch voor niemand thuis te blijven. Thuis waren er geen mensen die op hem wachtten, en zijn moeder… die ging overal met hem mee. Zij kon er geen genoeg van krijgen. Ze wilde de hele dag wel naar haar wonderkind luisteren. En dat ze dan de hele tijd moest huilen, vond ze niet erg. Ze wist dat ze huilde omdat ze het zo mooi vond. Zo mooi…

Op een dag in een hotel in Sydney kwam Fransjes moeder naar hem toe. Fransje zat wat te tokkelen op zijn viool (hij durfde niet hardop te spelen, anders zouden alle toeristen spontaan beginnen te huilen) en zag dat zijn moeder wat vreemd uit haar ogen keek.
“Wat is er aan de hand?” vroeg Fransje.
“Een raar verhaal,” zei zijn moeder. “Een raar verhaal. De tsaar van Rusland heeft me zojuist gebeld.”
“De wattes?”
“De tsaar. Dat is een ander woord voor keizer, of koning. In ieder geval is hij de belangrijkste man van heel Rusland.”
“Dat is wel vreemd ja. Maar waarom belt hij jou?”
“Omdat hij wil dat jij voor hem komt spelen.”
“O, dat is goed. Wanneer?”
Zijn moeder ging even goed zitten.
“Ja, dat is het hem nou juist. Ik weet niet of ik daar wel zo’n zin in heb. Hij wil dat we volgende week al komen. Maar dan is het Kerst.”
“Ja en?” Fransje wist niet waarom zijn moeder zo moeilijk deed.
“Dan is het midden in de winter in Rusland, en dan kan het daar heel koud zijn. Echt heel koud. En al helemaal in Novosibirsk.”
“Novosiwattes?” Fransje had nooit heel erg opgelet op school, omdat hij alleen maar dagdroomde over zijn viool.
“In Novosibirsk viert de tsaar dit jaar kerstmis en daar wil hij muziek van jou horen en daar… daar is het soms wel min vijftig.”
Fransje had geen idee hoe koud dat was, maar aan het gezicht van zijn moeder zag hij wel dat er dan heel dikke mutsen nodig waren. En handschoenen.’

‘Zeg pap, je bent het stokstaartje toch nog niet vergeten hè,’ zei Tjalling opeens tussendoor.
‘Ja, straks heb je de violist en Novosibirsk wel, maar ik heb het idee dat het stokstaartje niet meer voor gaat komen in je verhaal.’
Hun vader glimlachte.
‘Rustig maar, jongens. Ik kan het stokstaartje helemaal niet vergeten, want dat is nou precies waar het verhaal over gaat. Niet zo ongeduldig, zeg.’

‘Goed. Een week later liepen Fransje en zijn moeder over de brede winkelstraten in Novosibirsk. Fransje had helemaal niet zo’n zin om te winkelen, maar omdat de tsaar zoveel geld had gegeven voor het optreden van Fransje wilde zijn moeder eens een paar goede, nieuwe schoenen kopen. En voor Fransje wilde ze een mooi jasje, want hij moest gaan optreden voor de tsaar, en dat kan niet in een wollen trui.
Toen ze al in een paar winkels waren geweest, viel het Fransje plotseling op. Alle mensen die hij hier zag, hadden stalen gezichten. Het leek wel of ze niet konden lachen, of huilen, of boos kijken, of vrolijk. Hun gezichten leken wel op slot te zitten.
“Zie jij dat ook, mam? Moet je eens kijken. Die gezichten.”
“Inderdaad,” grinnikte zijn moeder, “het lijkt wel of alle hoofden hier bevroren zijn. Wat ik me best voor kan stellen met deze kou.”
Fransje moest ook lachen. Al hield dat snel op toen de dame in de winkel met een stalen gezicht naar hem keek.

Die avond werden ze welkom geheten in het paleis van de tsaar. Het was een enorm paleis. Alles was van wit marmer en de daken waren met bladgoud bestreken. Fransje vond het niet mooi. Ook hier was alles kil en kaal.
“Ik zal u even naar de muziekzaal brengen,” zei de bediende van de tsaar. “Daar zal de bazin wel uitleggen wat de bedoeling is van uw concert.”
Bedoeling, dacht Fransje. Wat bedoelt ze met bedoeling? Ik moet toch gewoon muziek maken? Dat is wat ik kan. Klaar uit.
Maar in de muziekzaal gekomen, werd al snel duidelijk dat ze niet voor niets Fransje hadden laten komen. Een stevige vrouw met een breed uitwaaierende jurk kwam met grote passen op Fransje aanlopen. Ze keek niet eens naar zijn moeder, maar ze legde meteen uit wat het plan was.
“O. Frantsje. Hou blai bin ik dot jou er bint!”
Sorry jongens, haar Nederlands was niet zo geweldig.
“Wai hebbun jou moeziek hier geel hard noudig. Eg woor. De tsaar en wai, wai konnen hier al jaoren niet mir houlen. En als jou niet meer kant houlen, don kant jou ouk niet meer lachon. Snapsk?”
Fransje moest erg lachen om hoe de vrouw sprak, maar toen hij in de ogen van de vrouw zag dat ze echt meende wat ze zei, begreep hij direct wat hij moest doen die avond. Hij moest niet alleen maar muziek maken. Hij moest dit volk weer aan het lachen krijgen. En… dat kon alleen maar als ze weer eerst even goed gehuild hadden.
“Maar is alles bevroren dan of zo?” probeerde Fransje nog even.
“Welneu. Welneu. Nou ja een beutje dan wel ja. Maar…” het leek even of ze zich schaamde om te vertellen wat er echt aan de hand was, “maar het bilangroekste is toch wel het stoeksteurtje van de tsaar.”
“Het stoekwattes?” vroeg Fransje.
“Het stoeksteurtje.”
“Het stoeksteurtje?”
“Van de tsaar.”
“Het stoeksteurtje van de tsaar?” zei nu Fransjes moeder die er ook helemaal niets van begreep.
“Ja, het lievolungsdiertju von de tsaar. Door gaat het neut goed mit.” De vrouw liep weg en gebaarde dat ze haar moesten volgen.
Snel liepen Fransje en zijn moeder achter haar aan. Het verhaal werd steeds vreemder.

In een hoek van de zaal stond een groot gazen kippenhok. Dat dacht Fransje eerst, maar toen hij goed keek zag hij dat het echt groot was, en dat er geen kip in rondscharrelde. Het enige dat er wel in stond, midden in het hok was een…
“O… een stokstaartje! Het stokstaartje van de tsaar!” riep Fransje.
“Ja, het stoeksteurtje van de tsaar,” zei de bazin.
En ze legde uit wat het probleem was. Dat duurde erg lang, omdat ze zo gebrekkig Nederlands sprak, vandaar dat ik het hier wat korter zal vertellen. Het kwam erop neer dat de tsaar al een jaar niet meer echt kon genieten van zijn stokstaartje. De tsaar kon namelijk maar van één ding echt vrolijk worden en dat was van dat gekke gedraai van stokstaartjes. Hoe ze omhoog gingen zitten, met die grote ogen, en dan heen en weer keken om te zien waar de brand was, waar het gevaar zat, waar het alarm af ging… de tsaar kon er geen genoeg van krijgen. En dit was zijn lievelingsstokstaartje. Maar dat was ziek. Hij had een rare oogziekte opgelopen, waarschijnlijk was hij door het vele reizen oververmoeid geraakt en nu keek hij wat loom en sloom uit zijn ogen. En daardoor was de tsaar ontroostbaar geworden, en kon hij al een jaar niet meer genieten van zijn lievelingsdier, en als hij niet kon genieten kon hij niet lachen. En als de tsaar niet kon lachen, kon het volk niet lachen.
“En dierom habben wai jou hier laton komun.”
“Om het stoeksteurtje te laten huilen?”
“Om het stoeksteurtje te laten hoelen.” En de bazin vertelde dat de dierendokter had gezegd dat als hij zou gaan huilen, het beestje in één klap van alle problemen verlost zou zijn.

Fransje kon zijn oren niet geloven. Hier zat hij dan. In Novosibirsk. Met zijn viool, en met zijn moeder. En in de zaal een stuk of 150 mensen, maar dat niet alleen… ook de tsaar van Rusland. En al die mensen wilden weer eens huilen.
Maar het belangrijkste waren niet de mensen. Het belangrijkste was het stokstaartje van de tsaar, dat in zijn kooi wat heen en weer scharrelde. Fransje moest muziek maken om het beestje weer gezond te krijgen.
En voor het eerst van zijn leven werd Fransje een beetje zenuwachtig. Natuurlijk wist hij wel dat hij heel goed kon spelen, maar zou dit hem wel lukken?
En waar hield het stokstaartje eigenlijk van? Van Bach? Of van Mozart? Of moest hij maar een oud-Russisch volksliedje spelen?
Hij nam zich voor gewoon maar te spelen wat in hem opkwam als hij daar straks voor de tsaar zou staan.
Nog drie minuten. Dan zou het gordijn opengaan.
Nog even bekeek Fransje zijn viool. Hij draaide wat aan de snaren en zorgde dat zijn strijkstok mooi glom.
Daar hoorde hij zijn naam al roepen door de zaal. En toen gleed langzaam het gordijn open.
Recht voor hem zat de tsaar. En om hem heen zaten allemaal bedienden, in mooie uniformen. Allemaal met een stalen gezicht. Ze keken naar Fransje, die nu een paar passen naar voren zette. Hij boog voorzichtig en iedereen in de zaal klapte in zijn handen. Daardoor had Fransje even de tijd om naar het hok te kijken, maar nergens zag hij het stokstaartje. En weer boog hij. Toen keek hij naar de tsaar en zag tot zijn opluchting dat de tsaar hem vriendelijk aankeek, zijn gezicht leek nu al iets minder bevroren te zijn. Op zijn schoot hield hij zijn lievelingsdier vast. Het lag voorover. Rustig, maar met roodomrande oogjes.

Fransje klemde zijn viool tussen zijn kin en zijn schouder. Het was muisstil in de zaal.
Heel voorzichtig begon hij te spelen. Tot het moment waarop hij de strijkstok op de snaren had gezet wist hij niet wat hij zou gaan spelen. Maar toen de eerste noten begonnen te klinken werd het een heel nieuw stuk. Het leek op Bach, aan het begin, maar het had ook iets van Mozart. Ja, op Mozart die een Russisch volksliedje had geschreven. Daar klonk het allemaal naar. En Fransje genoot zo van de muziek dat hij helemaal vergat waarom hij daar stond te spelen. En zo hoort dat ook te zijn met muziek. Muziek moet je niet maken omdat het moet. Muziek moet gewoon muziek zijn. Punt uit. Van muziek moet je genieten, moet je dansen, moet je… huilen. O ja, Fransje wist opeens weer waarom hij hier was en uit zijn ooghoeken keek hij of er al wat gebeurde.
Wat hij zag had hij nooit verwacht. Voor het podium zat een volwassen kerel. Een keizerlijke tsaar in een roodbonten mantel… hardop te huilen. En hij droogde zijn tranen in het glimmende vachtje van zijn eigen stokstaartje, dat ook dikke tranen in zijn grote ogen had staan. En om hen heen zaten alle bedienden te huilen, te janken, en te lachen, alsof hun leven ervan af hing. Want huilen en lachen zit soms zo dicht bij elkaar. Soms weet je niet of je nu heel hard lacht, of heel hard huilt. Het publiek van Fransje wist het ook niet meer. Ze huilden, ze lachten, ze genoten gewoon van zijn muziek. En dus speelde hij maar door en door en door.

En het stokstaartje? Dat sprong van de schoot van de tsaar af en rende het podium op. Fransje zag dat het beestje nog steeds tranen in zijn ogen had. Maar daardoor waren ze niet langer dof.
Het stokstaartje stond rechtop, pal voor Fransje, en keek om zich heen. Of hij het brandalarm af hoorde gaan, of er soms inbrekers waren, of er misschien een kast omviel.
En de tsaar lachte zoals hij van zijn leven nog niet gelachen had. En hij huilde om de muziek van Fransje.
En het hele volk dat achter hem in de zaal zat, juichte mee.

En daarom hebben ze vorige week in Novosibirsk een standbeeld voor Fransje neergezet. Sinds die dag namelijk zijn de inwoners van Novosibirsk de vrolijkste Russen van heel Rusland.’

Tara keek over de dekens naar haar vader.
‘Wat een wonderlijk verhaal, papa.’
‘Dat klopt ja, heel wonderlijk.’
‘Echt heel vreemd, pap. Heel vreemd,’ zei Tjalling, die nog tranen in zijn ogen had.
‘Klopt, het is heel vreemd. Maar weet je wat ik nog het vreemdst vind? Dat ik vorige week dit verhaal in de krant las en dat jullie opeens over Novosibirsk, een violist en een stokstaartje beginnen… Heel wonderlijk allemaal.’

Bron: Els Florijn, Mirjam van der Vegt, Iris Boeter e.a., Allemaal sterretjes. Kerstverhalen voor kinderen en jonge mensen