AdventstijdKinderen

Tweede Kerstdag: een kerstverhaal van Sytse van der Veen

Kerstbroer

Ik kreeg mijn broer op de avond voor Kerst.

Naast ons huis stond een carport, een door een handige oom gebouwde constructie van zwart geverfd eikenhout, waarvan het dak die dag was bedekt met een dun laagje sneeuw. Daaronder zat hij, in de krappe ruimte tussen mijn vaders Ford Escort en de stenen muur die de afscheiding vormde met de tuin van de achterburen. Ineengedoken in zijn te grote, vale jack. Bibberend. Zijn handen stijf om zijn knieën. Zijn ogen wijd opengesperd. Ik was degene die hem vond.

Ralph was een neef van me, maar het duurde even voordat ik hem herkende. Misschien kwam dat voor een deel omdat hij er zo gehavend uitzag. Zijn linkerwang was heel dik, en blauw, terwijl de rest van zijn gezicht juist erg bleek was. Boven zijn oog zat een grote, bloedige schram.

Daarnaast: ik zag Ralph niet vaak. De laatste keer was minstens een jaar daarvoor, op een familiebijeenkomst: een feest ter ere van het veertigjarige huwelijk van mijn opa en oma van moederskant, waarop al hun zeventien kleinkinderen naar een apart zaaltje werden gedirigeerd. Daar moesten we ons onder de hoede van een oudere tante ‘vermaken’ met saaie oud-Hollandse spelletjes, om uiteindelijk op pannenkoeken en ijsjes te worden getrakteerd.

Later – maar toen woonde Ralph al weken bij ons – herinnerde ik me dat hij me destijds was opgevallen, omdat hij als een razende op dat eten was aangevallen, alsof hij uitgehongerd was.Waarschijnlijk was hij dat ook. ‘Wat doe je hier?’ was het eerste wat ik hem vroeg. En toen ik geen antwoord kreeg en ik in zijn ogen geen spoor van interesse zag: ‘Gaat het wel goed met je?’

Het ging niet goed, kreeg ik al snel door, want toen ik hem vriendelijk verzocht op te staan en hem daarna zachtjes aan zijn mouw trok, verroerde hij geen vin. Ik deed vervolgens wat de meeste jongens van elf zouden doen: ik draaide me om en rende naar mijn moeder. Die was in de keuken bezig, en toen ze mijn opgewonden gezicht zag, geloofde ze me direct, ondanks mijn reputatie als fantast. Ik verkeerde destijds in een levensfase waarin ik mijn ouders graag op het verkeerde been zette, maar ze voelde feilloos aan dat ik dit keer geen grapje maakte.

‘Die Ralph,’ bracht ze uit, beide woorden uitrekkend. En zonder een jas aan te trekken rende ze naar buiten, door de deur die ik open had gelaten. Mijn vader was boven, op zijn studeerkamer, maar hij had ons gehoord. Sneller dan je zou verwachten kwam hij de trap af. Hij wierp een korte, aarzelende blik op me en rende daarna mijn moeder na. Toen ze terugkwamen, liep hij voorop: met Ralph in zijn armen. Het koste hem veel moeite om mijn neef te dragen. Zijn hoofd was rood aangelopen en ik hoorde hem diep zuchten. Hij stopte bij de eerste stoel. ‘Zal ik hem hier neerzetten?’ ‘Op de bank,’ beval mijn moeder, ‘rechtop.’ Zodra mijn vader Ralph gehoorzaam had laten zakken, boog ze zich over hem heen, om vast te stellen in wat voor toestand hij verkeerde. Mijn moeder was al jaren verpleegkundige en daardoor was ze heel goed in het inspecteren van mensen. ‘Hoe gaat het?’ zei ze nogal hard bij Ralphs oor. Er volgde geen reactie. Hij bleef zwijgend bibberen. ‘Hoe lang ben je buiten geweest?’ Bibberend zwijgen. ‘Misschien wel uren,’ mompelde mijn vader. ‘Mag ik even naar je kijken?’ Zonder een antwoord af te wachten begon mijn moeder Ralph verder te onderzoeken, door hem op verschillende plaatsen te betasten.

Haar vingers bleven even op zijn dikke wang rusten, iets wat volgens mij pijn moest doen, maar Ralph leek niets te voelen. Hij staarde onbewogen voor zich uit. ‘Moeten we er een arts bij halen?’ opperde mijn vader aarzelend. ‘Niet nodig.’ Mijn moeder wierp hem de blik toe die ze reserveerde voor situaties als deze: de ogenblikken waarin een kordaat optreden van groot belang was, waarin je niet moest praten, zuchten of opperen, maar snel en adequaat had te handelen. ‘Haal maar even een deken.’ ‘Van ons bed?’ mompelde mijn vader. ‘Het kan me niet schelen van welk bed!’ Mijn moeder nam Ralphs vingers in haar handen en bekeek ze een voor een, waarna ze een knorrend geluidje maakte. Een positief geluidje, had ik het idee.

Nadat ze de deken – mijn deken – om mijn neef had geslagen, zodat hij eruitzag als een geredde drenkeling, zette ze thee.

Ik keek bij al die kordaatheid toe en voelde me een tikje ongemakkelijk. Af en toe staarde ik Ralph aan, maar hij beantwoordde mijn blikken niet. Ik had het rare idee dat zijn ogen niet op iets of iemand in onze woonkamer waren gericht, maar dat ze bij hem naar binnen keken: alsof hij daar – in zijn hoofd – iets bijzonders zag. Iets wat hem niet aanstond, want zijn gezicht was een en al treurigheid.

Toen mijn moeder hem een grote mok dampende thee aanreikte, stak hij traag zijn handen uit.Hij kon dus bewegen.Voorzichtig nam hij twee kleine slokken, waarna hij de mok wilde teruggeven.‘Niets daarvan,’ zei mijn moeder beslist. ‘Helemaal opdrinken.’Langzaam maar zeker kreeg zijn gezicht een beetje kleur. Het bleef opvallend bleek, zeker in vergelijking met het nog steeds erg rode hoofd van mijn vader, maar het was toch niet meer zo griezelig wit. Ook het rillen werd minder.‘Wil je iets eten?’ vroeg mijn moeder.

Ralph knikte, waarna hij een enorme koek kreeg aangereikt. Vol verbazing zag ik hoe hij hem in een mum van tijd wegwerkte, waarbij hij zijn mond niet sloot, zodat ik zijn kaken kon zien malen. In zijn mondhoeken bleven kruimels achter. Als ik zo had gegeten, zou dat me absoluut een berisping hebben opgeleverd, maar in dit geval glimlachte mijn moeder minzaam.Het rillen hield nu helemaal op.Nog even en hij gaat ook praten, meende ik, en ik ging naast hem staan en keek hem hoopvol aan. Voor het eerst beantwoorde hij mijn blik en dat gaf me zo veel vertrouwen dat ik hem in een opwelling een stompje tegen zijn arm gaf.Het was echt een heel kleine stomp, je zou het ook een duwtje kunnen noemen, maar de uitwerking was verbluffend. Hij schoof in een abrupte beweging bij me vandaan, terwijl zijn hele gezicht vertrok.‘Niet doen, Alex,’ zei mijn moeder. ‘Raak hem niet aan.’

Pas de volgende ochtend zei Ralph voor het eerst iets, en dat dan ook nog alleen omdat er iets tamelijk dramatisch gebeurde.De dag was raar begonnen, want tijdens het uitgebreide ontbijt, met kerstbrood vol spijs en warme croissantjes, waarvan zo’n beetje de helft door Ralph werd opgegeten, kreeg ik te horen dat we geen van allen naar de kerk zouden gaan.Ik protesteerde.Natuurlijk snapte ik best dat Ralph niet mee zou kunnen. Een jongen die urenlang buiten had gezeten en daarna niet sprak, kon je natuurlijk moeilijk behandelen alsof hij volkomen normaal was, maar ik had aangenomen dat mijn moeder zich over hem zou ontfermen, terwijl mijn vader en ik de kerstdienst zouden bezoeken.Nee dus.Toen ik naar de reden vroeg, keken mijn ouders elkaar aan, waarna ze onafhankelijk van elkaar iets mompelden. Ik verstond alleen mijn moeder: ‘Dat lijkt ons niet zo verstandig.’

Ik zou er snel achter komen wat ze daarmee bedoelde.

Nadat mijn vader het kerstevangelie had gelezen en we van tafel waren gegaan, besloot ik me over Ralph te ontfermen en ik vroeg hem mee te gaan naar mijn kamer. Hij deed het: hij volgde me gedwee, maar zonder enig enthousiasme. Op de trap liep hij zo langzaam dat ik bijna moest zuchten van ongeduld.

Hij kan er niets aan doen want hij spoort niet, hield ik mezelf voor. Als hij over een poosje weer normaal zou zijn – weer kon praten en niet meer zou schrikken van een duwtje – zou ik hem als iedere andere jongen kunnen behandelen, maar nu moest ik voorzichtig met hem omgaan. Ik bleef dus aardig, liet hem mijn cowboyboeken zien en – toen hij die niet meer dan een korte blik waardig keurde – mijn muntenverzameling, al had ik kunnen aanvoelen dat ook die niet aan hem besteed zou zijn.

Zoekend naar een manier om de impasse te doorbreken, liep ik vervolgens naar het raam, om hem mijn bijzondere uitzicht te tonen. Mijn kamer bevond zich aan de voorkant van ons huis en vanuit mijn raam keek ik uit op de smalle woningen van onze overburen en op de school daarnaast, waarvan de ramen al ruim voor het begin van de vakantie waren beplakt en versierd met afbeeldingen van dennenbomen (de meeste groen, maar sommige ook oranje of blauw), lompe kameelachtige wezens die vast rendieren moesten voorstellen, en tientallen sterren in verschillende soorten en maten.

Interessant, maar lang niet zo boeiend als wat de familie Smallinga, recht tegenover ons, tentoonstelde. Boven het grote raam van hun woonkamer hing een snoer met voortdurend knipperende lampjes. En in hun tuin, naast de voordeur, stond een complete kerststal opgesteld.

Mijn ouders waren nauwelijks geïnteresseerd in kerstversieringen. Volgens hen leidden die af van waar het met Kerst om ging – en daarmee bedoelden ze natuurlijk Jezus en de kerk – maar ik dacht daar anders over. De lampjes vond ik niet zo. Als je daar lang naar keek, kreeg je pijn in je ogen, maar de stal sprak me aan. Vooral de gave, bijna echt lijkende ezel en schapen, die niet ver van de kribbe stonden opgesteld. De stal stond er inmiddels een week. Ik had er al wat keren naar staan kijken, en nu probeerde ik Ralph over te halen er ook een blik op te werpen.Dat lukte. Voor het eerst kreeg zijn blik iets geïnteresseerds.‘Gaaf, hè?’Een knikje bleek te veel gevraagd, maar ik wist bijna zeker dat hij het met me eens was.‘We kunnen er even heen lopen. Meneer Smallinga vindt het prima als we hem van dichtbij bekijken.’

Dat laatste was niet helemaal waar. Ik had moeten zeggen: ‘Soms vindt hij het prima.’ Zoals veel volwassenen was onze overbuurman namelijk behoorlijk onvoorspelbaar. De ene keer groette hij me vriendelijk, de andere keer keurde hij me geen blik waardig. Soms lachte hij als ik met een paar andere jongens aan het voetballen was, een andere keer stuurde hij ons knorrig weg. Maar goed: vandaag was het Kerst en ook de Smallinga’s wisten van ‘vrede op aarde’.‘Kom mee.’ En dus stommelden we de trap weer af. In het halletje deden we onze schoenen en jas aan, zonder veel geluid te maken. Ik wilde niet dat mijn ouders merkten dat we naar buiten gingen, want de kans dat ze mijn impulsieve actie niet zouden kunnen waarderen was groot.‘Zo maar even kijken,’ mompelde ik tegen Ralph, alsof die mijn gedachten kon lezen. ‘Vijf minuten. Oké?’

Hij volgde me langzaam, maar zonder aarzelen, en dat bezorgde me een gevoel van trots. Dit was een slimme zet van me: een stapje verder op de weg om hem weer normaal te krijgen. De kerststal was zo’n een meter twintig hoog, en vakkundig in elkaar gezet. Van dichtbij zag hij er wel wat minder mooi uit dan van een afstandje, zoals dat geldt voor de meeste dingen, maar uit de stevige en toch absoluut niet lompe constructie bleek duidelijk dat buurman Smallinga zowel creatief als handig was. Mijn vader zou zoiets nooit voor elkaar hebben gekregen. Rondom de bruin geverfde kribbe waren drie tamelijk grote poppen neergezet: Jozef, Maria en een herder, en vlak achter die laatste stonden de dieren: een ezel en twee schapen. Ook minder fraai – of beter gezegd: minder echt – dan ze er vanuit mijn raam uitzagen, maar toch best professioneel: met houten poten en koppen, ogen en een bek van vilt, en een huid van – vermoedde ik – hoogpolige vloerbedekking.

Ralph bekeek ze geconcentreerd, maar ik durfde dat niet en verdeelde mijn aandacht. Behalve naar de beesten staarde ik naar het grote raam van de woonkamer van de Smallinga’s. Bewoog er iets achter de gordijnen? Het zou natuurlijk een ramp zijn als we werden weggejaagd. Als Ralph al in paniek raakte van een vriendschappelijk stompje, zou hij ongetwijfeld gek worden van een razende buurman, en die gedachte zorgde ervoor dat ik niet echt van ons kleine avontuur kon genieten. Terwijl ik mijn neef een paar interessante dingen aanwees, waaronder de kleurige zak op de rug van de ezel, lette ik vanuit mijn ooghoeken voortdurend op. Zonder een ogenblik te vermoeden dat het gevaar van de andere kant naderde.

Ik hoorde de auto wel aankomen, maar besteedde er geen aandacht aan, totdat ik Ralph plotseling zag verstarren. ‘Aah,’ ontsnapte hem. Dat was nog geen praten, maar dat kwam onmiddellijk daarna. ‘Tante Martha!’ Hij sprak de naam uit alsof hij het over een gevaarlijk monster had, en greep me direct daarop vast, terwijl hij me aanstaarde met ogen die weer net zo groot waren als op hem moment waarop ik hem had gevonden. Ik slikte. Tante Martha was Ralphs pleegmoeder en zij vormde – had ik eens opgevangen uit een gefluisterd gesprekje tussen mijn ouders – ‘een groot probleem’. Ik had haar slechts één keer gezien, op het eerdergenoemde familiefeest: een forsgebouwde vrouw met een langwerpig hoofd en krullend haar. ‘Stil maar,’ mompelde ik, wat een tamelijk bizarre uitspraak was. Ralph trok er zich dan ook niets van aan. ‘Ze komen me halen!’ ‘Bukken,’ zei ik. Een opdracht die ik niet had hoeven geven, want mijn neef ging al door de knieën, op een nogal onbeholpen manier, bijna alsof hij erdoorheen zakte. Ik dook naast hem neer. ‘We kruipen achter de stal.’ Ralph begreep het en volgde me.

De auto, een blauwe Volvo, stopte vlakbij. Ralph durfde niet te kijken, maar ik wel, al kroop de spanning in mijn keel omhoog. Oom Dave – lang en mager, met een kromme rug – en tante Martha stapten bijna gelijktijdig uit. Ze komen hem inderdaad halen, besefte ik. En de gedachte die direct daarop door me heen schoot, verwarde me: ze mochten dat ook. Ze waren Ralphs vader en pleegmoeder, en hadden daarom het recht om hem mee te nemen. Ze konden ons toch niet hebben gezien?

Ralph kreunde. Ik keek hem waarschuwend aan, en hij hield direct op. Oom Dave en tante Martha stonden hooguit vijf meter van ons af, maar gelukkig richtten ze al hun aandacht op het huis van mijn ouders. Ze fluisterden even met elkaar en betraden toen met grote passen het tuinpad. Ik zuchtte diep, waarop Ralph me onzeker aanstaarde. Wat moet ik doen? vroegen zijn ogen.

‘Rustig blijven,’ zei ik zacht, en zonder er echt over na te denken voegde ik daar ‘en bidden’ aan toe. Wat was er op deze dag een beter idee? Jezus hoorde je overal, wist ik, maar vandaag zou dat zeker het geval zijn: het was tenslotte zíjn dag. En dat we niet in de kerk waren, maakte niet uit. Ralph staarde me verbaasd aan. ‘Zoals je vader deed?’ fluisterde hij. ‘Gewoon in je eigen woorden,’

Oom Dave en tante Martha stonden op onze stoep, de deur stond half open, en ik hoorde de stem van mijn moeder – een boze stem. ‘Het arme joch. Hoe halen jullie het in je hoofd om hier te komen!’ ‘Het is óns joch!’ Ik had de stem van tante Martha nog nooit gehoord, maar hij was precies zoals ik me hem had voorgesteld: behoorlijk zwaar, en toch met iets piepends erin. ‘Misschien moeten we als verstandige mensen…’ klonk het daarna zacht. Het kwam best vaak voor dat mijn vader een zin niet kon afmaken.

‘We komen niet om te zwammen. Tempo!’ Tante Martha bewoog haar armen. ‘Als je hem nu niet snel ophaalt, schakelen we de politie in.’ Het laatste woord klonk als ‘plietsie’, maar ik begreep het heel goed, en het vergrootte mijn angst. Vanaf dat moment had ik het gevoel dat er zich in mijn maag een bal bevond, een best wel grote bal, die zachtjes ronddraaide. Mijn moeder week niet. ‘Je doet maar,’ snauwde ze, en ik stelde me voor dat haar ogen vuur spuwden. Ik zag dat tante Martha zich tot haar man wendde. ‘Zeg jij eens wat!’ Oom Dave leek gebogener dan zojuist. ‘We willen geen gedoe,’ begon hij. ‘Maar Ralph moet mee terug, dat begrijpen jullie drommels goed.’

‘Haal de politie maar,’ hoorde ik mijn moeder vervolgens bulderen. ‘En dan zal ik ze laten zien wat jullie met de jongen hebben uitgehaald!’ Die laatste woorden hadden een grote uitwerking op tante Martha. Ze rechte haar rug en barste vervolgens uit in een stroom vervloekingen, een scheldkanonnade zoals ik nog nooit had gehoord. Ze was echt een monster! Verbijsterd wendde ik mijn blik af en ik keek naar Ralph. Die had zijn ogen gesloten.

Ik ging er daarna helemaal van uit dat de boel uit de hand zou lopen. Dat tante Martha, met in haar kielzog oom Dave, ons huis zou binnendringen en daarbij mijn vader en moeder onder de voet zou lopen, maar zover kwam het niet, al scheelde het voor mijn gevoel heel weinig. Tante Martha hield het uiteindelijk bij verbaal geweld. Mijn ouders waren ‘kinderontvoerders’ en maakten zich schuldig aan een verschrikkelijk misdrijf. Ze ging ‘de instanties’ inschakelen en daarna zou ze terugkomen. En dan zou het er ‘heel slecht voor ze uitzien’. Ik geloofde haar deels en huiverde.

Maar ik werd pas echt heel bang toen mijn oom en tante zich vervolgens omdraaiden en langs hun auto heen op me af kwamen lopen. Nee, dacht ik, ze hebben ons toch gezien! Ik kromp in elkaar en wilde dat ik – net als Ralph – mijn ogen ook de hele tijd had dichtgehouden. Toen een enorme dreun.

Ik verwachte niet anders dan dat een reusachtige hand me in mijn nek zou grijpen, maar dat gebeurde niet. In plaats daarvan kwamen er nieuwe geluiden. Een deur ging open en andere stemmen klonken, die van buurman en buurvrouw Smallinga, de hare huilerig, de zijne boos. ‘Zijn jullie gek geworden? Blijf van onze spullen af!’ Heel even dacht ik dat hij het tegen mij had, maar dat was natuurlijk niet zo. Hij was razend omdat tante Martha tegen zijn stal had geschopt.

Ik zag dat Ralph zijn handen op zijn oren had gelegd en deed hetzelfde, maar dat betekende niet dat ik verder niets meer hoorde. Er werd nog minutenlang geschreeuwd. Daarna volgden knallende autoportieren en gierende banden. Meer dan een kwartier nadat mijn oom en tante waren vertrokken, stond ik nog steeds te trillen.

Verschillende keren stelde ik dezelfde vraag: ‘Komen ze terug?’ In gedachten zag ik de blauwe Volvo opnieuw verschijnen, dit keer aan het hoofd van een stoet politiewagens met flikkerende zwaailichten. Mijn moeder probeerde me gerust te stellen. ‘Dat van die politie is grote onzin, hoor,’ zei ze, en hoewel haar stem net iets te opgewekt was om me volledig te kunnen overtuigen, besloot ik haar te geloven.

Ralph trilde niet, en dat wekte mijn grote verbazing. Hij was wel weer bleek geworden en even werd ik bang dat hij opnieuw met praten was gestopt, maar gelukkig bleek dat niet zo. Toen mijn moeder hem tegen zich aan drukte, kwam hij los, en toen we naar binnen gingen, verscheen er zelfs een aarzelend glimlachje op zijn gezicht. ‘Ik wil bij jullie blijven. Mag dat?’ Mijn moeder antwoordde direct. ‘Natuurlijk,’ zei ze. Ze negeerde de verbaasde blikken van mijn vader en mij en herhaalde: ‘Natuurlijk. Zolang als je maar wilt.’

En zo kreeg ik mijn broer, als een kerstcadeau. En ik hield hem, al bleek het bepaald niet gemakkelijk om hem te houden. Maar dat is een ander verhaal.

Bron: Het Kerstpakket (verhaal Sytse van der Veen)