Geen categorieOverige

Toespraak mr. Piet Hein Donner tijdens de presentatie van de Christelijke dogmatiek

Op donderdag 18 oktober nam mr. Piet Hein Donner het eerste exemplaar van de Christelijke dogmatiek in ontvangst. Hij kreeg de nieuwe dogmatiek uit handen van de auteurs dr. G. van den Brink en dr. C. van der Kooi tijdens een feestelijke bijeenkomst aan de Vrije Universiteit.

Tijdens de presentatie hield mr. Piet Hein Donner een toespraak. U kunt de toespraak hieronder bekijken op video. Ook kunt u de integrale tekst lezen. Dinsdag publiceren we de laatste twee video’s van de presentatie.

De integrale tekst van de toespraak van mr. Piet Hein Donner vindt u hieronder.

Dank voor dit exemplaar van de christelijke dogmatiek dat ik zojuist mocht ontvangen. In de eerste plaats zou ik de auteurs en de uitgever ermee willen feliciteren. De publicatie van een boek is een afscheid, een punt van waaraf het gewone leven zijn loop weer hervat. Waarom ik hier sta, het is me nog steeds niet helemaal duidelijk. Niet als vice-president, want in dat ambt houden we kerk en staat streng gescheiden. Het is dus meer als buitenstaander en mogelijk gebruiker.

In alle gevallen dank voor het boek. Wie, zoals ik, de afgelopen twee weken heeft moeten worstelen met de losbladige kopie van deze pil van bijna zevenhonderd pagina’s, weet de waarde van de gebonden versie nog beter te schatten. Ik zal niet beweren dat ik in die tijd het hele werk gelezen heb. Wel heb ik grote delen daarvan doorgenomen op de wijze waarop een minister leert lezen. Het doet geen recht aan de inhoud, maar is wel een compliment voor de wijze waarop die inhoud is geschreven .

‘Christelijke dogmatiek’; de titel is vrijwel onontkoombaar als je een boek zoals dit schrijft over de dogmatiek van het christelijk geloof. Institutie mag je het niet meer noemen, die titel was al gereserveerd. Christelijk geloof kun je het niet noemen; dogmatiek is geen geloof. De christelijke dogmatiek kan het niet heten; dat is te pretentieus. Maar een christelijke dogmatiek kan het niet zijn, er is er tenslotte maar één hoezeer we daarover van mening kunnen verschillen. Daarom zal het ook niet nieuwe Christelijke dogmatiek kunnen heten, want christelijke dogmatiek is al 2000 jaar oud. En het zal ook nooit de gehele dogmatiek zijn; dus zelfs na zevenhonderd pagina’s heet het werk nog steeds: een inleiding. Dat is nu predestinatie; nog voor er een letter op papier staat, ligt de titel al vast.

Maar waarom deze dogmatiek gepubliceerd op 18 oktober, de dag waarop in 1685 het edict van Nantes werd herroepen. En dat in een maand die zo rijk is aan meer geschikte data. Had u tien dagen gewacht, tot 28 oktober, dan had het boek kunnen verschijnen precies 1700 jaar na de overwinning van Constantijn op Maxentius bij de Milvische brug: in hoc signo vinces. Het meest bepalende moment voor de plaats van het christelijk geloof in Europa en in de wereld; kerk en dogmatiek zijn daaruit ontstaan. Het boek had ook een week geleden, op 10 oktober, kunnen verschijnen, de dag waarop 1280 jaren geleden de toekomst van het christendom aan een zijden draad hing, toen de opa van Karel de Grote, Karel Martel, de opmars van de Islam in Europa bij Tours een halt toeriep. U had ook nog twee weken kunnen wachten om het boek op hervormingsdag te publiceren.

Waarom dan toch de herroeping van het Edict van Nantes? Ook dat is predestinatie, want ik betwijfel of de schrijvers en uitgever erover hebben nagedacht. Alle andere data markeren momenten van triomf waarop de toekomst van de kerk door middel van prinsen of hervormers veranderde. De herroeping van het Edict was een moment waarop de gemeente en gemeenteleden werden teruggeworpen op het geloof alleen, zonder wereldse steun. Dat zijn momenten waarop men voor alles behoefte heeft aan houvast en steun. Dogmatiek heeft daarbij een functie. Toen ik ooit in een ver verleden mijn grootvader opstandig vroeg wat de zin was van het uit het hoofd leren van de catechismus, antwoordde hij daar veel baat bij te hebben gehad toen hij tijdens de bezetting gevangen zat en het hem niet was toegestaan enig boek mee te nemen. Dat is ook het belang van het opnieuw proberen de christelijke dogmatiek voor deze tijd onder woorden te brengen. De kerk in Nederland is steeds minder in staat om op alle plaatsen en tijden gekwalificeerde predikanten beschikbaar te hebben; dan is het essentieel dat gemeenteleden kunnen beschikken over een overzichtelijke en toegankelijke beschrijving van waar het in het geloof om gaat.

Dogmatiek heeft de negatieve bijsmaak van fundamentalisme, fanatisme, intolerantie en ophouden om voor jezelf te denken. Calvijn voorzag dat al en noemde zijn dogmatiek: institutie. Het bewijst dat hij jurist van origine was; je noemt het anders en het probleem is weg. De schrijvers van voorliggende dogmatiek zijn onmiskenbaar theologen; van het soort hier sta ik, ik kan niet anders. Zij voorzien het probleem maar ze kunnen niet anders, want dogmatiek is geen ethiek of hermeneutiek. Althans zo vat ik het kort samen; er is geen betere term. (Dank overigens voor de uitleg; ik heb eindelijk begrepen dat hermeneutiek niet is afgeleid van Herman Bavinck, maar van Hermes, de boodschapper der goden.)

Vanwaar die slechte naam van dogmatiek? Misschien wordt dat het beste geïllustreerd door een andere datum die we deze maand kunnen gedenken; 27 oktober, de dag waarop Michel Servet aan zijn einde kwam. Nadat hij ontkwam aan verbranding als ketter door de Spaanse inquisitie, omdat hij het dogma van de drie-eenheid en de erfzonde verwierp, werd hij om die reden in Genève verbrand. Dogmatiek mag dan, in de woorden van de auteurs, fatsoenlijk nadenken over God, mens en wereld zijn, maar te vaak heeft dat fatsoenlijk denken onfatsoenlijke gevolgen gehad; ruzie, verkettering en vervolging. Het is de verleiding van de rede; het vertrouwen dat onze conclusies waar zijn als het vertrekpunt waar is, en dat we elkaar dan in naam van de waarheid mogen en moeten bestrijden.

Opmerkelijk is wel dat in onze tijd niet het vertrouwen in de rede verdacht is, maar de stelligheid van het vertrouwen op de waarheid. In een wereld die de eigen dogma’s van twijfel en ontkenning tot vanzelfsprekendheid heeft verheven, wordt iedere waarheid relatief genoemd. Postmodernisme heeft dat. Maar het was al Henri Poincaré, de grote wiskundige, die zei: ´Alles betwijfelen of alles geloven zijn beide even gemakkelijke oplossingen die ons het nadenken besparen`. We zijn geroepen om ook ons verstand in dienst te stellen van het geloof, maar niet, zoals de wereld, met blind vertrouwen in het instrument – het verstand – en wantrouwen in het uitgangspunt – de openbaring – maar  met vertrouwen in het fundament en een gezond wantrouwen jegens het instrument.

Dogmatiek is niet inherent aan christelijk geloof. Albert Schweitzer zei ooit: “Jezus denkt niet dogmatisch. Hij formuleert geen doctrine. Het is verre van hem iemands geloof te beoordelen op basis van een standaard of dogmatische juistheid. Nergens vraagt hij van zijn gehoor dat denken moet worden opgeofferd aan geloof.” Daar valt misschien op af te dingen, maar zeker is dat de beproeving in de woestijn voor een deel bestond uit het verleiden met dogmatische waarheden: ‘Als u de zoon van God bent, beveel die steen dan … ‘ en ‘spring naar beneden, want er staat geschreven … ’.

Dogmatiek moge dan niet inherent zijn aan christelijk geloof, het is wel inherent aan een algemene christelijke kerk. Met de bekering en overwinning van Constantijn, kwam de kerk en daarmee de dogmatiek het geloof binnen. Voor die tijd telden de christenen vermoedelijk niet meer dan 10% van de bevolking. Er waren scholen: Antiochië, Alexandrië, die soms fors van opvatting konden verschillen. Maar met dat het christelijk geloof het geloof van de keizer wordt, ontstaat er een catholica, een algemene kerk, die nog geen eeuw later al 80% van de bevolking omvat. Vanaf dat moment bedreigden geloofsverschillen de eenheid van de kerk. Vandaar dat ook de keizer zich met dogmatische geschillen bezig gaat houden, concilies bijeenroept en eenheid verordonneert.

Christelijke dogmatiek is niet christelijk geloof. Maar wat geloof voor ieder persoonlijk is, is dogmatiek voor de kerk. Zonder gaat het niet, want anders blijft men vastzitten in onderlinge meningsverschillen over het geloof. Dat is niet de bedoeling; dan keert de kerk naar binnen. Maar daardoor ligt de functie van dogmatiek dicht bij haar tegendeel; dan het is immers nog maar een kleine stap om elkaar over het dogma de kerk uit te vechten, en om dogmatiek als waar geloof aan ieder op te dringen. Zeker als men de kerk ziet als enig zaligmakend. Dan denken wij al gauw aan de rooms-katholieke kerk, maar bij alle gehechtheid aan dogma laat die kerk vaak best ruimte voor persoonlijke afwijking – als het maar niet in het oog loopt. Typisch rooms noemen we dat. Maar toont dat niet meer inzicht in de noodzaak van dogmatiek voor de kerk, zonder dat dit persoonlijke geloofsverschillen kan wegnemen. Meer inzicht althans, dan menig protestantse kerk die zich heeft verloren in geloofsverschillen en -geschillen, om de kerk te splitsen als men er niet uitkwam. Protestanten hebben de neiging om de functie van dogmatiek gelijk te stellen aan die van wetgeving in de staat; een instrument om elkaar de maat te nemen, en niet als steiger om elkaar op te bouwen en te steunen.

Dogmatiek en de algemene christelijke kerk zijn als het ware twee kanten van hetzelfde. De christelijke gemeente als gemeenschap en het geloof als uitgewerkte dogmatiek en wereldbeeld vormden vermoedelijk de belangrijkste aantrekkingskracht van het opkomend christendom (Zie P. Veyne). Wij kunnen ons dat nauwelijks nog voorstellen, maar wat individualiteit nu is voor persoonlijke identiteit, dat was gemeenschap in de klassieke oudheid. Alleen als omvattende gemeenschap met een uitgewerkte geloofsleer en wereldbeeld bood de kerk een alternatief voor familie, stam en stad. Maar daarom was eenheid essentieel en waren dogmatische geschillen des te feller. Misschien is dat de rede waarom in onze tijd de kerk en dogmatiek eerder afstoten dan aantrekken. Want bij ons is individualiteit en persoonlijke overtuiging alles waar gemeenschap en gemeenschapszin in ieder opzicht aan ondergeschikt zijn. Moeten kerk en dogmatiek zich daaraan aanpassen? We zitten bewust of onbewust al midden in dat proces. Verliezen beide daarmee hun betekenis? Ik betwijfel het.

Geloven doe je niet alleen. Geloof berust weliswaar op persoonlijke openbaring; maar die openbaring behoeft bevestiging van gelijkgestemden en traditie om haar in te bedden. Dat vergt een kerkelijke gemeenschap in welke vorm dan ook. Om die reden blijft dogmatiek van belang. Om de gemeenschap van gelijkgestemden bijeen te houden en ieders geloof te sterken en te wapenen. Dogmatiek is niet geloof, het veronderstelt geloof. Maar het kan geloof vormen en sterken, zoals het skelet het lichaam sterkt en vormt. In onze tijd komt daar de functie bij om leden van de gemeente te schragen in een wereld die steeds minder van het christendom weet. Wij zijn geroepen om in de wereld te getuigen en handen en voeten te geven aan het heil. Het sluit aan bij het pleidooi van de schrijvers om apologetiek in de dogmatiek te integreren.

Aan die functies moet de bruikbaarheid van een herschreven dogmatiek gemeten worden: bevestigt zij de gemeente, wapent zij het geloof en sterkt zij de zichtbaarheid en relevantie daarvan in de wereld. Denk niet dat ik al antwoorden en conclusies heb. Bovendien, ik las ze gisteren al in de krant; ‘een standaardwerk’, ‘alles staat er in’, ‘maakt pretenties waar’. De tijd zal het leren. Het zure bij een boek over dogmatiek is dat het tegen de tijd dat het als standaardwerk wordt erkend, de inhoud meestal alweer verouderd is. Of alles er in staat? Ik betwijfel het. Zo heb ik naarstig gezocht, maar miste een gedegen bespreking van het geslacht van engelen en de vraag hoeveel engelen er op de punt van een naald kunnen; vragen die ooit heftig werden bediscussieerd aan deze universiteit door prof. Hepp en prof. Kuyper. En ook op de vraag of de slang nu gesproken heeft of niet vond ik niet onmiddellijk een antwoord. Niet alles staat er in; het is ook maar een inleiding. Maar er staat wel veel in. Het staat er bovendien op een wijze die de vragen en mogelijke antwoorden daarop begrijpelijk maakt en tegelijk tot nadenken stemt. Het is een dogmatiek van deze tijd. Het geeft geen stellige antwoorden in de zin van: zo zit het. Het laat veel meer zien welke vragen gesteld moeten worden, welke antwoorden daarop in de loop van de tijd gegeven zijn en waar die in voorkomende gevallen fout zijn gegaan. Gelukkig worden ook veel van de oude ketterijen beschreven; die zijn vaak het meest verhelderend. Volgens het recept van Augustinus: ‘Men is een belangrijk eind gevorderd in de kennis Gods wanneer men, voordat men weet wie Hij is, weet wat Hij niet is.’

Deze dogmatiek zal voorzien in een behoefte bij wie zich in de vragen van het geloof wil verdiepen. Tegelijkertijd moet men wel erg geïnteresseerd zijn om een boek van zevenhonderd bladzijden ter hand te nemen. Valt er niet een dunnere uitgave te overwegen; zoals de Heidelbergse catechismus voorkwam dat je de hele institutie door moest werken? De wereld wordt aangesproken met een simpele boodschap die beantwoordt aan de diepste vragen van mensen. Deze dogmatiek biedt niet een simpel antwoord, maar laat de rijkdom zien van het geestelijk erfgoed en het denken daarover. Soms bekruipt de lezer bij het zien van al die rijkdom de associatie met het verhaal van de rijke jongeling. ‘Heer, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?’ vroeg hij, waarop Christus hem wees op de geboden en de profeten. De jongeman antwoordde dat hij deze al van jongs af onderhield, zoals ook de kerk dat doet. Waarop Christus hem zei: ‘Geef uw goed aan de armen en kom hier en volg mij.’ Dat kon hij niet, want hij was zeer rijk. De kerk is rijk aan geestelijk goed, maar we kunnen er geen afstand van nemen, ook al spreekt het mensen van tegenwoordig steeds minder aan, waar een simpeler boodschap dat mogelijk wel zou doen.

Ik bepleit geen vandalisme van kerkelijk erfgoed. Maar we moeten ons realiseren dat de kerk en christenen in Europa steeds meer in een omgeving leven waarin men het niet zozeer oneens is met het christelijk geloof, maar dit niet meer relevant vindt voor de vragen waar mensen mee zitten. Bestaansverheldering bieden in het licht van het geloof, zo definiëren de schrijvers in het eerste hoofdstuk de functie van de dogmatiek. Maar de vragen die daar worden opgesomd (p. 38), zijn de vragen van theologen en eventueel gemeenteleden. De gemiddelde Nederlander of Europeaan zal ze echter niet als zijn bestaansvragen herkennen. Zelfs een voor de hand liggende vraag als: ‘Waarom we in onze wereld zoveel lijden en kwaad ervaren.’ Zo geformuleerd, zullen velen deze niet als bestaansvraag herkennen. We hebben recht op geluk, voorspoed, gezondheid en veiligheid en de overheid heeft er maar in te voorzien dat dit recht beschermd wordt. De overheid is de nieuwe voorzienigheid. Dat het christelijk geloof daar ook relevante antwoorden op heeft, zal velen verbazen. Dat is het nieuwe in onze tijd.

Toen het christelijk geloof opkwam, werden de vragen waar het een antwoord op bood onmiddellijk als wezenlijk herkend. Dat zijn ze zo’n 1600 jaren gebleven. Maar in onze dagen zullen in Europa maar weinigen ze nog als zodanig herkennen. Dat hebben we aan niemand anders dan onszelf te verwijten; het is aan de gemeenteleden om te identificeren wat de vragen zijn waar mensen mee zitten, en om duidelijk te maken waarom het christelijk geloof daar een relevant antwoord op biedt. Zoals de Samaritaanse vrouw bij de put uitriep: ‘Kom mee, er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de Messias zijn?’ Dat gaat niet vanzelf. Waar het verdwijnt, zal het zeer moeilijk weer terug te winnen zijn.

En het verdwijnt snel. Ik zou de politici niet de kost willen geven, voor wie vrijheid van godsdienst niets anders is dan een variant van de vrijheid van meningsuiting en van vereniging. Dat godsdienst van een heel andere orde is, omdat men God meer gehoorzaam moet zijn dan mensen, wordt niet meer herkend. Het gemak waarmee de Tweede Kamer zaken als ritueel slachten en misschien ook besnijdenis slechts als een van de vele belangen ziet die eventueel gewoon terzijde geschoven kunnen worden, wijst daarop. De discussie of kerken wel instellingen zijn van algemeen nut, zodat giften daaraan aftrekbaar zijn, is een ander signaal. Godsdienst mag, maar achter de voordeur en in de publieke ruimte willen we niets zien. Dat was de godsdienstvrijheid zoals we die kenden onder de Unie van Utrecht; ieder mocht zijn geloof belijden, mits het maar niet zichtbaar was. Toen was het gereformeerde geloof het enige wat zichtbaar mocht zijn; nu is dat het verlichtingsgeloof.

Dat is geen goede ontwikkeling; niet voor kerken en gelovigen, maar nog minder voor de samenleving. Onze samenleving berust op christelijke wortels, die 2000 jaren geleden geplant zijn en 1700 jaren geleden tot eerste wasdom kwamen. De meeste Westerse waarden: democratie, recht, humanisme en zelfs individualisme vinden hun oorsprong in christelijk denken. Men doet tegenwoordig wel naarstige pogingen om een verband te leggen met het denken in de klassieke oudheid, in het bijzonder dat van de Grieken. Maar rationalisme is het enige verband en dat is nu juist de zwakste stee in het hele culturele bouwwerk. Het mens- en samenlevingsbeeld waar even bedoelde waarden en instituties op berusten, daar is geen spatje klassiek denken aan. Het is geheel van middeleeuwse signatuur; ook democratie en recht zoals wij die kennen. Buiten de kerk wordt dat tegenwoordig soms eerder onderkend dan daarbinnen. Neem het boek: ‘Religie voor atheïsten’, van De Botton, waarin hij terecht wijst op maatschappelijke waarden en functies die zonder religie dreigen te verdwijnen. Hij komt op dat punt als het ware tot dezelfde conclusie als die eerdere verlichtingsfilosoof Voltaire: ‘Als God niet bestond, zou men hem uit moeten vinden’.

Er gaat kortom meer verloren als we in onze tijd de relevantie en betekenis van het christelijk geloof niet meer zichtbaar kunnen maken.