Geloof

Stellingen bij Deel I van ‘Marginaal en missionair‘ van Wim Dekker | door kadmosb

Wim Dekker - Marginaal en missionairEerder besprak ik het prachtige Marginaal en missionair, Kleine theologie voor een krimpende kerk‘ van Wim Dekker. Dinsdagavond aanstaande spreekt Wim Dekker in Delft en aansluitend wordt een studiekring gepland over zijn boek in drie delen:

– avond 1 – Probleemstelling – Hoofdstukken 1 t/m 5;
– avond 2 – Oplossingsrichtingen – Hoofdstukken  6 t/m 8 (en facultatief hoofdstuk 9);
– avond 3 – Stamelend verder – Hoofdstukken 10 en 11.

Ter voorbereiding van de eerste avond bij deze een aantal stellingen bij het eerste deel van het boek. Bijbelstudiekringen kunnen zelf kiezen over welke stellingen/thema’s/onderwerpen ze het tijdens de kring willen hebben. De stellingen voor de twee andere avonden volgen in de komende weken.

  1. In tegenstelling tot James Kennedy (in zijn ‘Stad op een berg) heeft Dekker het niet over de tanende publieke rol van de kerk (zeg maar: de publieke kerk weggeduwd uit het centrum van de samenleving). In zijn probleemanalyse heeft hij het vooral over ongeloof en afval, waardoor de kerk kleiner werd (zeg maar: de kerk naar de marge gedrukt, omdat niemand er meer in gelooft). Als ik aan een gemarginaliseerde kerk denk, focus ik vooral op mezelf, want de analyse van Wim Dekker is vooral ook op mijzelf van toepassing; op een redelijk brave kerkbezoeker die het geloof met wisselend succes probeer betekenis te geven.
  2. De persoonlijke geschiedenis van Wim Dekker (een babyboomer) speelt een belangrijke rol in zijn ervaring van het probleem. Hij heeft de beweging van volle via wederopgebouwde naar gesloopte kerkgebouwen aan den lijve ondervonden. Het jaar van je geboorte bepaalt hoe jij de problematiek van ‘marginaal en missionair’ ervaart.
  3. Geloven is na Karl Barth het waagstuk van het geloven in een God, waarvoor geen noodzakelijke gronden zijn. Zo bezien is het een Godswonder dat er uberhaupt nog mensen geloven (pagina 25v).
  4. God heeft de kairoi (beslissende momenten) in Zijn hand. Cyrus van Perzië is Zijn vazal, Hij verhardt het hart van Farao en grijpt in in het leven van Saulus. Dat doet Hij vandaag nog, maar wat begrijpen wij daarvan? Pannenberg betoogt dat de afwezigheid van God (zo zou je de marginalisering van de kerk ook kunnen interpreteren) oordeel en gericht is. Hij geeft ons in die interpretatie over aan de gevolgen van onze eigen verkeerde keuzes. Belijden van onze zonden zou een eerste stap naar herstel kunnen betekenen (pagina 28vv). Maar welke zonden zou ik moeten belijden?
  5. Het einde van de zichtbare kerk is niet het einde van de Kerk als Lichaam van Christus. Alleen als we de onderliggende geestelijke nood en onze schuld daaraan onderkennen kunnen lijden en sterven van Christus ons daarin troosten. We moeten met Christus door de pijn en het verdriet van de afval en het ongeloof heen om met Hem te kunnen overwinnen. Restauratie van de zichtbare kerk als missionaire gemeente leidt af van die kern (pagina 35vv).
  6. Ontkerkelijking is een Europees (of beter gezegd: lokaal) probleem (pagina 37).
  7. Met Bonhoeffer pleit Dekker voor bidden (voor de wereld; over missionair werk gesproken!), wachten op God (Maranatha) en het goede doen onder de mensen (christologisch onder de mensen zijn). We zijn geen missionaire gemeente, maar een teruggetrokken gemeente met oog voor God en medemens (pagina 39vv).
  8. Geklaag over kerkdienst en prediking is religieuze prietpraat. Als we ernst zouden maken met de woorden van Bonhoeffer, zouden we snakken naar de zondag (pagina 43).
  9. Charles Taylor geeft een eigenzinnige, maar herkenbare lading aan het begrip secularisatie: geloof in God spreekt niet meer vanzelf; ook voor christenen is God tot niet meer dan een aantrekkelijke optie verworden (pagina 47).
  10. In de Bijbel (-se tijd?) werd God gezien als een absolute werkelijkheid. Psalmdichters twijfelden aan de goedheid van wat God deed of niet deed, niet aan of Hij het deed of naliet (pagina 49v).
  11. Het was en het is genade, als je de optie van God door de leiding van de Heilige Geest als absolute werkelijkheid leert kennen en ervaren (pagina 51). Wat dat betreft is er niets veranderd sinds de bijbelse tijd.
  12. Een schrijver als Franca Treur hebben we te danken aan het onterechte verzet van de kerk tegen autonomie; aan de machtspositie van een kerk die niet in staat is geweest om de begrippen autonomie en authenticiteit nieuw in te kleuren en vrijheid te bieden voor geloof en ongeloof (pagina 53).
  13. De kerk doet er goed aan voor relationele authenticiteit als correctie van individuele autonomie aan te haken bij denkers als Buber en Levinas. God Zelf kent ons diepste zelf en heeft ons vrij gezet. Christelijke belijdenis zou daar vandaag voor mensen binnen en buiten de kerk aandacht aan moeten besteden om relevant te blijven (pagina 56v).
  14. Charles Taylor gaat ervan uit dat we ons verhaal over transcendentie zo aan kunnen bieden dat we aansluiting vinden bij de vermoedens en verlangens van onze moderne medemens (zijn we dat zelf ook niet?). Dekker is daar pessimistisch over en stelt dat het transcendentiebesef van de moderne mens veel meer is ingevuld dan hij/zij zelf beseft en/of wil (pagina 62).
  15. Humanisme is heidendom in die zin dat het vergoddelijking is van het bestaande (de mens; pagina 65).
  16. Het christelijk geloof is ons in wezen vreemd; zelfs christelijke religie is in de woorden van Karl Barth Unglaube (pagina 68vv).
  17. Een gelovige is zich ervan bewust dat wat hij gelooft eigenlijk heilzame onzin is (pagina 74).
  18. We moeten ons primair richten op het zoeken van de bron, de gemeenschap met de Levende Zelf. Restauratie van de institutionele kerk helpt daar niet bij (pagina 77).
  19. De smalle weg naar het Koninkrijk loopt met een scherpe u-bocht via het kruis (pagina 79). Wat merk ik daarvan?
  20. Volgens Van Ruler is verzoening nog geen verlossing (pagina 82). We bevinden ons vandaag – met andere woorden – nog steeds in de u-bocht van het kruis (pagina 83).
  21. Dwars door de – oppervlakkig bezien – zoekende u-bocht die God maakt, loopt de rode draad van Zijn trouw (pagina 83). Wat merk ik daarvan?
  22. In de geschiedenis van de kerk als een onderweg naar het Koninkrijk heeft men voortdurend balans gezocht tussen beroep op de Heilige Geest (als enige voorwaarde) en institutionalisering van de kerk (om de eigen as). Maar dat is niet gelukt (pagina 85vv). Of valt het voor onze eigen gemeente best mee?
  23. Bescherming van de kerk tegen invloeden van buitenaf gaat uit van een idee-fixe; alsof de kerk van binnenuit – vanuit de kerkgangers en de beschermers van de kerk – vrij is van die invloeden (pagina 88).
  24. Toch – ondanks al die zwarte waarnemingen – blijft de kerk op onzichtbare wijze verbonden met Christus, die op mystieke wijze in haar woont en die zo ook te midden van ons volk woont (pagina 90).
kadmosb is Karel J. van der Lelij.
Hij studeerde Informatica en Wijsbegeerte,
is Manager HR aan de TU Delft
en schrijft op persoonlijke titel een blog
over boeken, muziek, films en meer…
op http://lelij.com