Geloof

Secularisatie begint in het menselijk hart

Deze week verscheen het nieuwe boek van Herman Paul over secularisatie, De slag om het hart. Over de secularisatie van het verlangen. Pauls stelling is dat secularisatie veel meer heeft te maken met de verlangens van ons hart dan met kerkelijke statistieken. U kunt nu de inleiding op het boek lezen (de voetnoten zijn hier weggelaten).

 


De slag om het hart

Als nette kerkmensen mij vragen waarom ik mij voor secularisatie interesseer, antwoord ik wel eens: ‘Omdat ik zo’n geseculariseerde christen ben.’
Je ziet ze dan even knipperen: wat bedoelt hij precies? In het kerkelijke taalgebruik ligt secularisatie dicht tegen kerkverlating aan. Secularisatie, zeggen predikanten die bij mij op nascholingscursus komen, uit zich in kerkverlating. Wie zondag aan zondag in de kerk zit, is toch niet geseculariseerd? Of is dat onverwachte antwoord (‘omdat ik zelf geseculariseerd ben’) een bekentenis van zwakheid? Een geseculariseerde christen, is dat misschien een kerkganger die in de worstelingen van een kerkverlater meer herkent dan hem lief is? Iemand die beseft dat hij zou afglijden als hij niet van hogerhand zou worden vastgehouden?

Een geseculariseerde christen, is dat misschien een kerkganger die in de worstelingen van een kerkverlater meer herkent dan hem lief is?

De ondertitel van dit boekje spreekt over secularisatie van verlangen. Ze stelt dat secularisatie niet in de eerste plaats een zaak van kerkelijke statistieken is, maar een proces dat zich voltrekt in het menselijk hart – waarbij het hart fungeert als metafoor voor de complexe, tegenstrijdige en vaak nauwelijks bewuste verlangens die een mensenleven richting geven. Mensen kunnen seculariseren in hun gedrag, in hun denken of in hun voelen. Maar ingrijpender dan dit alles is secularisatie van verlangen, omdat verlangen naar klassieke christelijke overtuiging aan denken, voelen en handelen voorafgaat. Niets raakt mensen meer dan transformatie van hun verlangens.

Secularisatie van verlangen, die hieruit bestaat dat mensen hun primaire verlangens allengs meer in het hier en nu vervuld willen zien, is niet voorbehouden aan mensen die het kerkelijk bureau laten weten niet langer lid te willen zijn van een kerk.

Ook trouwe kerkgangers kunnen vatbaar zijn voor, bijvoorbeeld, een kapitalistische economy of desire die mensen als consumenten benadert en hen wil laten geloven dat status het hoogste goed is dat op de markt van het leven verkrijgbaar is. Ik ben een geseculariseerde christen, omdat ik vaak niet immuun blijk voor zulke verleidingen. Ze triggeren mij, niet met rationele argumenten, maar met beloftes van succes en geluk die appelleren aan mijn hart. Al zit ik iedere zondag met vrouw en kinderen in de kerk, mijn leven seculariseert als verlangens naar onbezorgd familiegeluk of nieuwe carrièrestappen in mijn hart de overhand krijgen op verlangen naar God.

‘De slag om het hart’ verwijst naar de zeventiende-eeuwse Franse tragedieschrijver Jean Racine, die zich van zulke krachtmetingen in zijn hart scherp bewust was. In beeldspraak die aan Augustinus’ Confessiones doet denken, dichtte Racine dat twee mannen, ‘gewapend tot de tanden’, in en om hem strijden:

één wil dat ik te rechter tijd
voor U in liefde zal ontbranden,
de ander wil uw recht aanranden
en drijft mij tot opstandigheid.
De één, vol geest en vol genade,
daald’ uit de hemel tot mij neer.
Wanneer ik hem maar volg, o Heer,
acht ik alle and’re dingen schade.
De ander, afgezant van ’t kwade,
wil aardse lust en aardse eer.

Niet iedereen beleeft deze slag om het hart zo intens als Racine. Verlangen naar God kan gemakkelijk op het tweede plan komen, als andere verlangens maar krachtig genoeg worden geprikkeld.

Op een ochtend kunnen mensen wakker worden en beseffen: ‘Ik heb al in geen jaren gebeden, maar God niet of nauwelijks gemist.’ Of: ‘Ik bid wel, maar wens intussen heel andere dingen dan dat mijn leven zich uitstrekt naar God.’ Hun wapens ten spijt, strijden de mannen van Racine dus niet zelden in stilte. Secularisatie van verlangen is vaak geen zaak van slaande deuren, maar van sluipende, soms nauwelijks bewuste heroriëntatie van het hart. Om drie redenen wil dit boekje op deze secularisatie van het hart de aandacht vestigen:

1. Het stelt ons in staat kwantitatieve analyses van secularisatie (‘Hoeveel Nederlanders bezoeken wekelijks een kerk?’) met kwalitatieve reflectie te verrijken (‘Hoe komen mensen er eigenlijk toe de kerk de rug toe te keren?’);
2. Het stelt ons in staat oorzaken van kerkverlating niet alleen te lokaliseren in de sfeer van menselijk denken, maar ook en vooral in de ‘economie van het hart’;
3. Het stelt ons in staat al te scherpe tegenstellingen tussen kerkgangers en kerkverlaters (‘wij’ versus ‘zij’) te nuanceren met het inzicht dat ook christenen vatbaar zijn voor secularisatie van verlangen.

Dit boekje zoomt daarom niet uit, zoals secularisatieverhalen doen als zij het heden voorstellen als moment in een langetermijnproces van secularisatie dat in de Verlichting, de Renaissance of de Griekse Oudheid is begonnen. Integendeel, het zoomt in op het hier en nu – op de aantrekkingskracht van een gelukkig leven, zoals belichaamd door de stralende jonge moeder in de babywinkelfolder en door de zakenman die zijn schaapjes op het droge heeft. Het zoomt in op het moderne gebod jezelf te blijven ontwikkelen (‘stilstand is achteruitgang’), op angst voor de toekomst van Nederland, op managementtaal in de kerk en op een zondagse liturgie die ons woorden in de mond legt die we zelf nooit bedacht zouden hebben (‘Kom mijn verscheurde hart
genezen, o Heer, door uw genade groot’).

Het zoomt in op het hier en nu – op de aantrekkingskracht van een gelukkig leven, zoals belichaamd door de stralende jonge moeder in de babywinkelfolder en door de zakenman die zijn schaapjes op het droge heeft.

Wat doen zulke woorden en praktijken met een menselijk hart? Als de etalages in het winkelcentrum je voorhouden dat je een consument bent, wat doet dat dan met je zelfbeeld? Als hard werken in jouw bedrijf beloond wordt met extra geld en status, hoe voedt dat dan je verlangen om door anderen te worden gezien en bewonderd? Of als je verlangen naar een rustig leven met een liefdevolle partner nog altijd niet vervuld is, hoe beïnvloedt dat dan je verlangen naar God? Heeft verlangen naar God überhaupt iets te maken met verlangens naar veiligheid, comfort, uitdaging en zingeving? Kunnen deze verlangens elkaar in de weg zitten? En zo ja, vermoedde de Britse socioloog Herbert Spencer dan terecht dat de vormende waarde van één preek en een paar liederen op zondagochtend niet opweegt tegen het bombardement van prikkels waarmee een kapitalistische economy of desire onze verlangens dag in dag uit probeert te manipuleren?

Dit boekje doet geen verslag van systematisch onderzoek, maar bestaat uit essays die aan de hand van concrete casestudies onderzoeken wat secularisatie van verlangen inhoudt, waardoor zij wordt getriggerd en waarom kerkgangers hiervoor niet immuun zijn. De hoofdstukken 1 tot en met 5 staan in het teken van kritische diagnose: ze gaan na wat idealen als ‘zelfontplooiing’, ‘controle’ en ‘beheersing’ doen met de economie van het menselijk hart. De hoofdstukken 6 tot en met 9 onderzoeken vervolgens in meer constructieve zin hoe verlangen naar God kan worden gevoed. Is Godsverlangen een geschenk van Gods Geest waaraan geen mensenhand te pas komt? Of had Maarten Luther gelijk dat het zingen van psalmen verlangen naar God kan aanwakkeren?

Beginnend bij de Floreskerk in Groningen maakt dit boekje een grand tour langs kerken in de Verenigde Staten, catacomben in Rome, Duitse autoreclames en damesbladen als Libelle en Margriet. Daarbij is het in gesprek met sociologen als Anthony Giddens, met filosofen als Charles Taylor en met theologen van Augustinus en Luther tot Bernd Wannenwetsch en Rowan Williams.

De rode draad die deze exploraties verbindt, laat zich in zes stellingen samenvatten:

1. De mens is een verlangend wezen
Met Augustinus zie ik de mens als een animal desiderans. Niet de wil, het denken, het voelen of het handelen is voor de mens het meest kenmerkend, maar de economie van het hart – de complexe mix van verlangens die een mensenleven sturing geeft. Een herontdekking van dit augustiniaanse mensbeeld, zoals dat de christelijke traditie tot in de vroegmoderne tijd gekleurd heeft, is er niet op uit de rede, het gevoel of het handelen te bagatelliseren, maar wil deze de plek geven die hun toekomt. Denken, voelen en handelen zijn geworteld in verlangen. Het hart gaat aan het hoofd en de handen vooraf.

2. Secularisatie is een verabsolutering van het saeculum
Hoewel secularisatie vaak in ruimtelijke termen wordt beschreven als het passeren van een grenslijn tussen ‘kerk’ en ‘wereld’, kies ik, opnieuw met Augustinus, voor een temporele invulling. Augustinus definieert het saeculum als de tijd tussen val en voleinding. Van secularisatie is sprake als mensen in deze ‘tussentijd’ dusdanig opgaan, dat zij hun verlangens meer en meer in het hier en nu vervuld willen zien. Zo bezien is secularisatie niet een grensovergang, maar een eschatologische vergetelheid waaraan ook christenen kunnen lijden.

3. Secularisatie begint in het hart
Het hart is geen romantisch ‘innerlijk’, diep verscholen in de mens, maar een balustrade die van alle kanten wind vangt, zoals hoofdstuk 3 het zegt. Verlangens zijn namelijk bij uitstek vatbaar voor manipulatie. Ze worden aangepraat, gevoed en beïnvloed, vaak zelfs zonder dat mensen zich hiervan bewust zijn. Daaruit volgt, zoals Augustinus al wist, dat verlangens vaak niet consistent zijn. Een mensenhart wordt allerlei kanten op getrokken. Vrij naar de Amsterdamse godsdiensthistoricus Peter van Rooden stel ik dat secularisatie begint bij deze ‘slag om het hart’.

4. Secularisatie is niet onafwendbaar, maar inzet van strijd
Deze analyse sluit aan bij wat godsdienstsocioloog Philip S. Gorski het ‘sociopolitieke conflictmodel’ van secularisatie noemt. Kenmerkend voor dit model is dat secularisatie geen (onafwendbaar) langetermijnproces is, maar inzet van strijd om normen, waarden, rechten en privileges in het publieke domein. Zoals Gorski’s model draait om religieuze en politieke conflicten in de samenleving in het groot, zo draait mijn model om krachtmetingen in de ‘society of contradicting voices’ (Hubert Hermans) die het menselijk hart is.

5. Verlangen naar God kan worden gevoed
Verlangen naar God heeft andere bronnen dan verlangen naar een nieuwe auto. Verlangen naar God komt bij God zelf vandaan. Toch kan Godsverlangen wel worden gevoed. Woord en sacrament, lied en gebed, kerkelijke architectuur en liturgische kalenders roepen de mens een sursum corda toe (‘het hart omhoog’). Wie instemt met Psalm 84 (‘Hoe brand ik van verlangen om te komen in uw heiligdom’) zingt daarom geen eigen Godsverlangen uit, maar zingt zich het verlangen van de psalmdichter in.
Alleen dit ‘sterkere verlangen’, zegt hoofdstuk 7, kan een tegenwicht aan secularisatie van verlangen bieden.

6. Godsdienstoefening is zangles
De vraag voor de kerk is daarom: hoe leert zij mensen zingen? Hoe helpt zij mensen in voor- en tegenspoed naar God te verlangen? Secularisatie treedt op als mensen het zingen verleren. Juist als kerkgebouwen leeglopen, is het zaak dat kerken niet klagen over wat hun ontbreekt, maar zingend blijven getuigen van een God die ‘uit de overvloed van zijn majesteit elk tekort van u [zal] aanvullen’ (Fil. 4,19).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor meer informatie over het boek, klik hier.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *