LiturgiePastoraat

Rouw is rauw

In het novembernummer ‘Verlies’ van het tijdschrift Open Deur staat onderstaand artikel van Aart Mak over het verwerken van verdriet.

 

Namen blijven noemen

Over rouw is en wordt heel veel geschreven. Niet alleen beschouwingen in artikel- of boekvorm, maar ook boekjes met gedichten, oneliners, mijmeringen en fraaie tekeningen. Ze zijn er te kust en te keur. En verwerkingsboekjes, geschreven door moeders die een kind verloren en zich ertoe zetten om te schrijven over wat ze innerlijk beleefden. Het zijn ontroerende verhalen en prachtig vormgegeven uitgaven, uiterst persoonlijk en passend bij deze tijd waarin het persoonlijke gezien mag worden. Het delen van je intense verdriet met anderen en het erover schrijven zijn op zich al stappen in het verwerken van je verdriet.

Plaatsvervangend kind
Maar kan dat, je verdriet verwerken? Ja, dat kan, maar ik wil hier voorzichtig een kritische kanttekening bij plaatsen. In andere tijden en culturen bleven mensen langer getekend door hun verdriet. Dat was zichtbaar aan hun kleding en merkbaar aan hun levensstijl. Het normale was niet zo dwingend aanwezig als levensstandaard. In tijden van grote kindersterfte, verwoestende natuurrampen en een slappe of zelfs onverschillige overheid – zoals nu nog in sommige landen het geval is – spelen persoonlijk verlies en alle verdriet daaromheen een andere rol in het alledaagse leven. Als er weer gewerkt moet worden om aan de kost te komen, zal er gewerkt worden. Voor het ene kind dat ging, kwam er hopelijk weer een ander kind. Nu nog bestaat er een generatie in Nederland waar mensen de namen dragen van een eerder gestorven broer of zus, van wie zij de plaatsvervanger waren.

Ongeduld
Met al die aandacht die nu bestaat voor verdriet en rouw is niets mis. Het komt voort uit een samenleving waarin de waarde van een enkel mens in tel is. Door de toegenomen welvaart hebben we de kans gekregen meer tijd te geven aan wat een mens maakt tot wie hij kan zijn. Zo staan we meer dan ooit stil bij geluk en houden we evengoed de pas in om ons in alle rust te buigen over ongeluk.
Mijn kritische kanttekening heeft te maken met de waarneming dat mensen met een groot verdriet zich ook in deze samenleving nog zo hopeloos verloren kunnen voelen. Alle kennis over rouw en rouwververwerking heeft nog niet altijd geleid tot een ingehouden en empathische manier van omgaan met mensen met verlieservaring. Er zijn nog altijd heel wat uitingen van ongeduld hoorbaar als: ‘Wordt het geen tijd om weer eens wat te gaan doen?’ of ‘Je moet je weer eens laten zien, het is niet goed voor je als jij je zo terugtrekt.’

Contrast
De tijd nemen om te rouwen hoort niet echt bij de manier waarop veel mensen zich door het leven haasten. Deze tegengestelde stromen, van tijdloosheid en haast, van terugkeren en vooruit snellen, botsen in de beleving van veel mensen die rouwen. Zeker als de belangstelling van de eerste weken taant. In een samenleving waarin iedereen zegt het druk te hebben en waarin zoveel impulsen en attracties een mens bespringen, kan het niet anders of vluchtigheid en geheugenzwakte horen bij de stijl van leven. Dan is het contrast met degene die rouwt groot. Juist voor hem staat de tijd stil. In plaats van in een rechte lijn te leven, van dag tot dag, cirkelt de rouwende met zijn gedachten en gevoelsleven weken- of maandenlang om die ene gebeurtenis. Als mensen vragen hoe het gaat, valt hij terug op een ontwijkend antwoord, wetend dat het echte antwoord tot schrik en verlegenheid bij de vragensteller leidt. En dus wordt er niet echt met elkaar gesproken. Rouw is rauw.

Keien in het gras
Toch is er ook hoop. Niet omdat we de dood ooit een keer de baas worden, maar omdat de dood minder taboe aan het worden is. Ik ontmoet mensen die thuis met foto, brandende kaars en een bloem of groene tak ervoor uitkomen dat zij iemand missen, met alle liefde die ze nog steeds hebben voor die ander. Ik kom in de herfst op allerlei bijeenkomsten, kerkelijke en steeds vaker van uitvaartondernemingen, begraafplaatsen en crematoria waar namen worden genoemd, lichtjes wordt ontstoken en onbekenden hun rouw en heimwee met elkaar delen. Op alle scholen wordt nog weken, zelfs maanden nagepraat over een klasgenoot die gestorven is. Kranten besteden meer dan ooit aandacht aan bekende en onbekende gestorvenen. En bij de grote rampen zoals vorig jaar MH17, worden ze herhaaldelijk genoemd, de namen. En worden ze getoond, de foto’s. Vlakbij mij, in een klein plantsoen aan het Spaarne, vlak bij het huis waar vijf mensen van de familie Van Veldhuizen-Marckelbach sinds die 17e juli 2014 nooit meer naar zullen terugkeren, liggen vijf grote keien in het gras. Met op elke kei een werkwoord: Groeien. Spelen. Proeven. Ontmoeten. Lachen. Ik denk er, als ik er voorbij fiets, nogal eens aan bijbelse tijden. Met verhalen over stenen die ergens lagen tot een getuigenis, om niet te vergeten wat er gebeurd is. Om wie eerder zijn gegaan, blijvend te gedenken.

 

Aart Mak is pastor bij Kerk zonder Grenzen (het omroeppastoraat van Radio Bloemendaal) en redactielid van Open Deur. Hij publiceerde in oktober 2015 UitvaartWijzer. Gedachten, handreikingen en teksten bij dood en uitvaart.

 

Opmaak 1