BijbelGeloof

Overvloed en overgave

C RGB Overvloed en overgave Def Def.inddVrijdag 7 juni werd het nieuwe boek van dr. Arjan Plaisier Overvloed en overgave gepresenteerd, een caleidoscopisch geloofsboek, waarin de hij u met nieuwe ogen naar het christelijk geloof laat kijken. Een aantal sprekers reageerde op de inhoud. Een aantal teksten kunt u op Theoblogie (na)lezen, vandaag de tekst van Regien Smit.

Mijn vader zaliger placht zolang ik mij dat kan heugen te zeggen: onze Regien, dat is een echte levensgenieter. Hij had gelijk.  En dit boek, Arjan,  is kost voor een levensgenieter. Zo heb ik dit mooie en inspirerende boek ook tot mij genomen, als een fijnproever, nippend en langzaam kauwend. Ik kan dan ook met deze korte bespiegeling helemaal geen recht doen aan de inhoud en het belang van dit boek. Omwille van de tijd beperk ik me tot de specifieke opdracht: reflecteren op de geloofsgestalten van lente, zomer, herfst en winter in relatie tot de christelijke beweging waartoe ik mij al decennia reken, de Pinkster beweging. Dat mijn kerkelijke wortels overigens anders zijn, zullen mijn openingswoorden hebben verraden.

Het mooie van de keuze van deze gestalten is, dat ze in zichzelf niet eenduidig en onveranderlijk zijn, net als de seizoenen in de natuur. Dat betekent, dat er altijd ruimte is voor gesprek en uitwisseling zoals ook nu gebeurt. Je laat in jouw beschrijving van het geloof ook veel ruimte voor variatie en diversiteit, je waakt streng over het verabsoluteren van een van de geloofsgestalten, en naar mijn mening zeer terecht. Wat mij daarbij wel opvalt is, dat als het om de pinkster en evangelische beweging gaat,  -soms in een adem met de kerken in het zuiden- in jouw beschrijving een flink voorschot wordt genomen op de indeling in de seizoenen. Meermalen verwijs je dan naar de lente, vooral in termen van de jeugdigheid van deze kerken en bewegingen. De tongentaal, de vreugdedans, de uitbundigheid komen als lentevlinders naar voren. Met andere woorden: mijn opdracht tot reflectie wordt daarmee dus al in een bepaalde richting gebracht. Daar moet ik me in ieder geval toe verhouden. En dat doe ik dan ook.
Deze associatie komt uiteraard niet uit de lucht vallen, en jouw beschrijving van de lente vindt bij mij dan ook directe herkenning, als het gaat om mijn persoonlijke ervaringen. Het geloofsontwaken, dat tot overstelpende vreugde leidt, het brandende hart voor God, maar ook de radicaliteit waarmee gebroken wordt met het eerdere levenspad en de pijnlijke gevolgen daarvan, ik heb het allemaal meegemaakt. Toen ik tot bekering kwam, was van de kant van mijn naaste familie vooral schrik en ook afkeer mijn deel. Een kort telefoongesprek met een pastor, op verzoek van mijn ouders, leverde alleen maar wederzijds onbegrip op.  Toen ik enige tijd later eens een gesprek met een baptistisch gelovige had, kwam die aan het eind van mijn enthousiaste verhaal met een zuinige lip tot de conclusie: jij moet nog veel leren! Zulke reacties bezeerden mij op dat moment. Mijn kostbaarste herinnering aan mijn eerste bezoek aan een pinkstergemeente is dat de kerkgangers mijn verhaal onmiddellijk herkenden en werkelijk blij voor en met mij waren. Ook zij wisten wel, dat ik nog maar aan het begin stond van een lange weg, maar zij waren in staat om in mij de wedergeboorte te zien. Ik was een nieuwe schepping geworden, en dat werd gevierd, ook bij de belijdenis van al mijn zonden klonk het Prijs de Heer!  Dat is de lentekracht van de Pinksterbeweging: zij is eigen met het ontspringen van nieuw leven als gevolg van de verzoening tussen God en mens, ondanks al diens slechte daden! En ik kan nauwelijks de positieve impact overdrijven, die deze blijdschap en herkenning van de gemeente op mij had, in de eerste stappen van mijn leven als kind van God.
Ik geloof niet, dat deze lentekracht van de Pinksterbeweging, die ook zichtbaar is in haar lichamelijke en soms extatische lofprijs, in verband moet worden gebracht met kind of jeugdig willen blijven, niet dieper willen gaan, of alleen op de emotie drijven. Dat is ook in tegenspraak met de beschrijving van de lentegestalte, die verre van oppervlakkigheid vertoont en radicaal door moeite en pijn heen durft te gaan. Ik vermag ook te zeggen dat het doorgaande juichen en dansen in de samenkomsten veelal een diepe beleving is die doorheen het lijden opkomt en in haar grond niet gezien moet worden als een negeren of overschreeuwen van de moeiten van het leven. Het is eerder ernst maken met de opdracht om met onuitsprekelijke vreugde en blijdschap te leven en God te laten tronen op het lofgezang van zijn kinderen. Ik zal nooit vergeten dat tijdens de eerste zondagsamenkomst na de zelfmoord van een jong gemeentelid, waardoor we allemaal zeer bedroefd en verslagen waren, toch een aantal lofliederen werd gezongen waarop een 90jarige vrouw, die notabene gast was op die zondag, spontaan tussen de rijen begon te dansen. Deze ongelofelijke uiting van overgave maakte juist op dat moment in mij een diepe vreugde los, door de tranen heen.
Dat deze lentegestalte iets onheiligs krijgt als ze verabsoluteerd wordt wil ik beslist beamen. Soms gebeurt dit impliciet, door een eenzijdige nadruk op het bekeringsmoment en de breuk. Dit kan voor jonge mensen die in deze beweging opgroeien het vervreemdende gevoel geven dat zij er dus buiten vallen.  Binnen de beweging moet er oog voor zijn dat God met mensen verschillende wegen gaat. En triest genoeg komen sommigen van de tweede of derde generatie in de Pinksterbeweging op een bepaald moment tot de slotsom dat zij niet meer geloven wat voor hun ouders een  levensveranderende ervaring was.  Als het geloofsontwaken in een vaste vorm terecht komt met vaste formules, liederen die alleen dat benadrukken, en gesprekken die alleen zo over een wedergeboren leven gaan,dan zie ook ik daarin een stolling van dit prachtige Godswonder tot iets menselijks, dat bovendien enerzijds kwetsbaar is voor bederf en onechtheid, en anderzijds geen oog meer heeft voor de creativiteit van God met mensen.

Ik zou deze schaduwkant van de pinksterbeweging, de al te normatieve benadering van de bekering, echter eerder willen plaatsen bij een andere geloofsgestalte, namelijk die van de zomer. De zomergestalte, daar moet ik allereerst iets over zeggen. In jouw beschrijving van de zomergestalte als volle wasdom en bloei van het geloof, komt zij vooral naar voren als een potentie, iets wat bij een enkeling kan gebeuren, maar misschien nog wel vaker ook niet. In dat verband verwijs je in eschatologische zin naar de grote zomer, die voor ons allen nog uitstaat en waarvan dit seizoen in de tussentijd waarin we leven slechts een voorsmaak is. Ik heb mij wel een beetje verwonderd over deze voor mij tamelijk bescheiden ambitie betreffende de groei en bloei van het geloof in de kring van gelovigen. Dat ben ik in Pinksterkringen niet gewend. Geestelijke groei tot volwassenheid is een enorm sterke drijfveer voor alle gelovigen in deze beweging. Men wil juist heel graag de diepte in door te leren uit de Schrift via Bijbelstudie, door een intensief gebeds- en gemeenteleven, door perioden van vasten etc., door het voeren van geestelijke strijd, en door elkaar ook te bevragen en mee te nemen op dit punt. Toewijding aan God, daar gaat het om. Ook dat is een kracht van deze beweging. Uitgaande van de geestesdoop, met als uiterlijk teken de tongentaal die niet alleen een teken van geboorte is, maar ook van volwassenheid (voor Paulus was het een verschijnsel dat bleef) worden Pinkstermensen geacht krachtige en getuigende christenen te zijn.

De keerzijde daarvan ontstaat, wanneer er binnen de Pinksterbeweging een te groot voorschot op de grote zomer genomen wordt en er dus pastoraal gezien geen ruimte meer is voor de weerbarstigheid van het leven, wat wil zeggen: lijden dat niet overwonnen wordt, broosheid die blijft bestaan, geluk en succes dat uitblijft, verdriet en angst die blijven. En dan wordt de zomer in plaats van een tijd van bloei een tijd van zwoegen, dan word je door de hitte uitgeput, en voelt het dor en droog. En sommigen, die jarenlang als dragers van de gemeente hebben gefunctioneerd houden het niet meer vol. En wat je dan ziet gebeuren is dat achteraf normen aan de bekeerdheid van gemeenteleden worden gesteld en geconcludeerd wordt dat de wedergeboorte blijkbaar toch niet 100% was. Vaak zie je dan dat mensen die hiermee te kampen hebben door de manier waarop ze bejegend worden eigenlijk weer afhankelijk worden gemaakt van geestelijk leiders, die hen van hun problemen willen bevrijden. En dat komt de geestelijke volwassenheid niet ten goede. Meer dan ze zelf zou willen is de Pinksterbeweging daarmee een product van deze tijd, in plaats van een Bijbels antwoord, want deze tijd heeft grote moeite met het verdragen van problemen, zonde en dood.

Zoals ook in jouw boek verwoord, kent elke kerkelijke beweging alle vier gestalten en hebben ze elkaar ook nodig. Deze schaduwzijde van de zomergestalte brengt soms een herfst voort die eerder een voorbode is van de winter dan van een vreugdevolle oogst. Ik hoop, dat jouw boek veel gelezen zal worden, óók in de Pinksterbeweging, als een heilzaam tegenwicht tegen deze schaduwzijde van de zomergestalte. Dank je wel.

Dr. Regien Smit is justitiepredikant bij Ministerie van Veiligheid en Justitie en predikant binnen de pinkster- en evangeliebeweging.

Voor de eerdere reactie van Niels de Jong op Overvloed en overgave, klik hier.