GeloofMaatschappij

Recensie ‘Wat christenen geloven en moslims niet begrijpen’ – door Kees van Kranenburg

De gereformeerde predikant Marten de Vries en WI-directeur Gert-Jan Segers schreven samen een boek met als doel de dialoog tussen christenen en moslims te beteren.

In de ‘interreligieuze dialoog’ zijn verschillende niveaus te onderscheiden. Allereerst is daar de academische theologische discussie, die wordt gevoerd door universitair betrokkenen en de top van de geestelijke stromingen. Exclusivisme – het uitgaan van een absolute waarheid – is hier een positie die niet heel populair is maar wel wordt aanvaard.

Het tweede niveau betreft informele, vaak plaatselijke bijeenkomsten van geestelijke leiders en gewone gelovigen. Zij voeren in allerlei zaaltjes gesprekken over thema’s die de geloofsgroepen raken of interesseren. Pijnlijke theologische punten worden vaak vermeden, niet relevant bevonden ook. Het gesprek is vooral bedoeld om elkaar als gelovigen te herkennen, te erkennen, te respecteren en soms ook samen in maatschappelijke ontwikkelingen te acteren.

Ten slotte het derde niveau: de ene gelovige in gesprek met de andere. Na een periode van kennismaking en het ontstaan van wederzijds vertrouwen kan er een goed gesprek op gang komen: over de plaats van religie in de samenleving en ook over de plaats van geloof in het eigen leven.

Het boek van De Vries en Segers is geschreven met het oog op het gesprek op het derde niveau. Dat is geen gemakkelijk gesprek. Beide partijen dragen vaak maar beperkt kennis van de eigen religie, en nog minder van die van de ander. Juist door onzekerheid kan een starheid en verkramping optreden, die niet nodig is wanneer de ‘eigen positie’ helder is. Het boek is geen wetenschappelijke positiebepaling, ook geen handleiding voor een intercultureel gesprek, maar vooral een uitéénzetting van het christelijk geloof tegen de achtergrond van de islam.

Het boek valt uitéén in twee delen: ‘Licht over leer’ en ‘Licht over leven’. In het eerste deel geeft De Vries in kort bestek een beeld van de christelijke leer, in het bijzonder op voor moslims relevante punten. Dat is een complexe opgave, gezien de verdeeldheid binnen het christendom. De verschillen tussen de kerken van het oosten en die van het westen, tussen rooms-katholieken, gereformeerden en evangelischen zijn nu eenmaal groot. ‘De christelijke leer’ als zodanig bestaat niet. Niettemin slaagt de schrijver er in– vanuit de heldere positie van orthodox-gereformeerd denken (niet te verwarren met bevindelijk-gereformeerd denken) – heldere lijnen te schetsen over het christendom, hoewel die niet door iedereen geheel gedeeld zullen worden.

Er klinkt hier en daar een zekere zelfverzekerdheid in door ten aanzien van het christendom, die de lezer soms doet fronsen. Op pagina 19 bijvoorbeeld wordt gesteld dat het koranitische woord ‘rahmah’ (barmhartigheid) in Jezus bewaarheid wordt. Dat komt toch over als een soort christelijke interpretatie van de Koran. Ook het consequent messiaans interpreteren, en zonder de oorspronkelijk geadresseerden te benoemen, van het boek Jesaja kan overkomen als een christelijke arrogantie, al zullen islamieten daar wellicht minder een probleem mee hebben. Ook een moeilijk leerstuk als de Drieëenheid wordt verdedigd. Naar mijn inzicht kunnen sommige zaken niet verdedigd worden – maar vooral gelovig aanvaard. Het debat daarover aangaan is niet zinvol. Overigens mag er best iets zorgvuldiger worden omgesprongen met de Schrift zelf: Simeon in de tempel wordt bijvoorbeeld opgevoerd als een oude man, terwijl over zijn leeftijd niets bekend is.

Het tweede deel ‘Licht over leven’ kent een andere toonsoort. Over de theologische positie van de schrijver bestaat ook hier geen enkele twijfel: die is exclusivistisch. Maar die positie staat een neutrale beschrijving van de islam en een respectvolle benadering van de moslim niet in de weg.

In dit deel gaat Segers aan de hand van de laatste zes van de tien geboden na waar verschillen en aanknopingspunten zijn tussen islam (een gebodsreligie) en christendom. Duidelijk beschrijft hij de uiterlijke ethische overeenkomsten : eert uw vader en uw moeder, niet doden, niet stelen en niet liegen zijn in beide religies zaken van groot belang. Dat betekent mijns inziens overigens dat er op het gebied van de inrichting van de samenleving en staatpraktische samenwerking met islamieten in Nederland heel wel mogelijk is. Er zijn groepen in de samenleving waarmee minder wordt gedeeld en met wie eveneens praktisch wordt samengewerkt. Segers’ opmerkingen over christenvervolgingen in islamitische landen zijn op zich volstrekt juist, maar zijn mijns inziens niet relevant in het gesprek met de individuele moslimgelovige in Nederland. De auteur schroomt overigens niet de lezer te confronteren met de beperktheid van christenen, om vervolgens Christus in al Zijn grootheid te tekenen. De boodschap is: niet de christenen maken het christendom – dat doet Christus zelf.

Segers kiest niet een politieke maar een andere, boeiender spits. Hij constateert, en illustreert dat ook aan de hand van zijn eigen ervaringen, dat in de islam het houden van de wetten kan leiden tot behoud, hoewel de islamiet daarover in het leven geen zekerheid kan verkrijgen. In het christendom is dat anders: de wet is ons gegeven als een tuchtmeester tot Christus – in Wie de christen een volkomen zekerheid verkrijgt door gelovig zijn dood en opstanding te aanvaarden. Dát is het kenmerkende verschil tussen islam (en overigens ook jodendom en boeddhisme) en het christendom.

Conclusie
Het boek biedt wat de titel belooft: het geeft een inzicht in wat de christen gelooft en de moslim niet kan begrijpen. In vooral het tweede deel – ‘het leven’- klinkt de stem van de genadige God in Christus op alle bladzijden door, met overigens een open oog voor de feilbaarheid van de christenen en met grote compassie voor een ieder die de Christus niet kent. Ik zou de lezer adviseren te beginnen bij deel twee, om daardoor voorzien van een portie zelfrelativisme daarna deel één beslist wel te lezen. Want ook dat bevat veel zinvols voor het gesprek met de moslims in onze straat.

Kees van Kranenburg MA studeerde af op het thema ‘Wereldreligies in confrontatie en dialoog’. Eerder was hij actief als lid van Provinciale Staten in Utrecht en als wethouder in IJsselstein. Deze bespreking is met toestemming overgenomen van de website van het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.