GeloofLevenskunst

Psychische schade door theologische uitspraken: 5 tips om te voorkomen

‘Ik ben opgegroeid in een gezin waarin nauwelijks complimenten, bevestiging of troost waren. Mijn moeder heeft nooit gezegd dat ze van me hield. Ze knuffelde ook niet. Mijn vader soms wel, maar doordat hij noodgedwongen veel en hard moest werken, was hij weinig aanwezig.
In ons gezin was een klimaat van uitlachen, snel oordelen en bekritiseren, en boos worden als er iets niet goed ging. Daardoor heb ik me niet goed kunnen hechten.

Voor mij is het meer een zekerheid dat anderen niet van mij houden dan wel. Dat is psychische schade. Daarvoor verlang ik naar genezing, en dat zou ik aan God willen vragen.
Maar eigenlijk kan vragen niet. Vroeger was vragen ‘zeuren’, en wie vraagt, wordt overgeslagen. Ik heb afgeleerd om vrijmoedig te zijn, want dat kwam mij op afwijzing te staan. Dus eigenlijk zit ik in een vicieuze cirkel: ik heb geloof nodig om tot God te naderen om te vragen of ik genezing mag ontvangen zodat ik kan gaan geloven.

In de kerk wordt mijn psychische schade en pijn soms uitgelegd als onwil of ongeloof. Op weeszondag werd in de preek bijvoorbeeld gezegd dat de discipelen baden om de komst van de Heilige Geest terwijl Die hun al beloofd was. De predikant stelde dat het een slecht teken is als wij niet bidden om de vervulling van Gods beloften. Hij vond dat nonchalant. Zo’n uitspraak is extreem pijnlijk voor mij. De predikant vraagt mij niet alleen om iets te doen wat boven mijn macht is (dus ik doe iets fout, ik kom tekort), maar hij geeft ook een waardeoordeel over de staat van mijn geloof als ik niet aan de eisen (Gods eisen?) kan voldoen.’

 

Aan het woord is Talitha, die haar verhaal doet in Breekbaar verbonden, een boek over hechtingsproblemen en geloofsvertrouwen. Talitha loopt in de kerk vaak hard tegen haar emotionele beperkingen aan. ‘Oude’ gevoelens en patronen van thuis werken door in haar geloofsbeleving. Is de relatie met mensen al moeilijk – vaak voelt ze zich angstig en onveilig, en stelt zich dan ontwijkend op – de relatie met God is nog moeilijker, omdat je Hem niet kunt zien. In de kerk kan ze soms door een enkel zinnetje volledig van slag raken. Ze is zich ervan bewust dat dit komt door haar verleden, maar kan het onmogelijk keren en tuimelt dan in een diepe verlatenheid. Talitha is hierin zeker niet de enige.

Wat betekent dit voor ons spreken in de kerk? Hoe kunnen we voorkomen dat theologische uitspraken in prediking, pastoraat, catechese of kringwerk psychische schade opleveren bij mensen die toch al kwetsbaar zijn? Ik doe enkele suggesties.

1. Wees je bewust van psychische kwetsbaarheden van de ander. Gemeenteleden kunnen worstelen met hechtingsproblemen, depressies, angst, of welke psychische problematiek dan ook. Een aantal van hen zal hiervoor in behandeling zijn bij een hulpverlener. Denk na over de impact van je uitspraken bij psychisch kwetsbare mensen: komt je boodschap bij hen over zoals je het bedoelt? Jouw uitspraken kunnen werken als ‘triggers’ voor oude pijn en zomaar problematische ervaringen in de jeugd en pijnlijke herinneringen oproepen. In het heden wordt de oude angst, afwijzing, eenzaamheid of machteloosheid dan weer heftig ervaren. Reflecteer hierop, ook als je bijvoorbeeld op een Bijbelkring in gesprek bent en weet dat een van je mede-kringleden worstelt met zijn of haar verleden.

2. Benoem de moeite: laat merken dat je oog hebt voor de ander die worstelt met psychische problemen. Juist het gezien worden en het er mogen zijn met je moeiten is essentieel voor Talitha en alle anderen die er alleen mochten zijn wanneer ze zich aanpasten en niet moeilijk deden. In het voorbeeld over weeszondag had de predikant woorden kunnen geven aan de moeite die mensen kunnen hebben om vrijmoedig te zijn en de angst voor afwijzing, en zo kunnen laten merken dat hij oog voor hen had.

3. Wees genuanceerd: scheer niet iedereen over een kam.  De gemeente is geen eenheidsworst. Hoorders zitten er verschillend bij, en pastoranten hebben andere moeiten. Waar de een te nonchalant is, zou de ander weleens te dwangmatig kunnen zijn. Waar de een zich verlaten voelt door God en zich afvraagt waarom God niet ingrijpt, kan de ander zich verheugen in God en verlangen om Hem groot te maken. Te generaliserende uitspraken doen daarom onvoldoende recht doen aan de verschillende verlangens en vreugden, moeiten en vragen van afzonderlijke gemeenteleden. Wanneer daar gelegenheid voor is, zoals in het (onderlinge) pastoraat, is het daarom van belang om door te vragen (en lang te luisteren en ruimte geven!), zodat iemand de gelegenheid heeft om uit te leggen hoe dingen voor haar/hem ‘werken’.

4. Maak onderscheid tussen onverschilligheid of onwil enerzijds en onmacht anderzijds. Het is goed mogelijk dat iemand wel graag zou willen, maar het niet kan; hij of zij heeft het misschien al vaak geprobeerd, maar het lukt niet. Hoe pijnlijk is het dan om het gevoel te krijgen dat je weggezet wordt, dat je geen goede gelovige bent, dat je veroordeeld wordt. ‘De hele week is het onmacht, maar op zondag heet het ongeloof’ zei iemand mij laatst. Tegelijk zijn er helaas ook mensen die onwillig of onverschillig zijn – maar stel de mensen die zich onmachtig voelen (en anderen die misschien onverschillig lijken, maar wel degelijk verlangend zijn) niet gelijk aan hen. In dit verband is ook het onderscheid tussen schuld en gebrokenheid behulpzaam: als iets niet lukt, betekent dat niet per definitie dat je als zondaar schuldig staat voor God en vergeving nodig hebt. Het zou ook kunnen dat je als schepsel te dealen hebt met de gebrokenheid van het bestaan – en de Schepper weet dat gelukkig ook.

5. Wees niet te snel met je oordeel. Als we belijden te leven van genade en ontferming van God, willen we dat ook naar elkaar toe gestalte te geven. De gemeente is immers de plek die gekenmerkt zou moeten worden door liefde, genadige aanvaarding, genezing en bevrijding, vergeving en vernieuwing? Check jezelf daarom eens op impliciete oordelen en probeer die te vermijden. Ga de uitdaging aan om de ander te aanvaarden zoals zij/hij is, inclusief gebrokenheid en moeite – en ontdek hoe vertrouwen weer heel voorzichtig kan groeien op de bodem van onvoorwaardelijke aanvaarding.

Theologie en psychologie vormen twee verschillende dimensies: de dimensie van geloof – ongeloof (of eigengerechtigheid), en de dimensie psychische gezondheid – psychische problemen. Deze twee dimensies hebben wel veel met elkaar te maken, en beïnvloeden elkaar ook, maar zijn zeker niet hetzelfde. Psychische problematiek betekent dus niet dat iemand een slechte gelovige is.
Theologische uitspraken kunnen op de psychologische dimensie het welzijn bevorderen of helen, dan wel belemmeren of schaden. Om te voorkomen dat uitspraken die theologisch gezien waar zijn, psychologisch gezien toch negatief uitwerken, hoeven we vaak niet zozeer de inhoud van de onze uitspraken aan te passen, als wel de manier waarop we ze doen. Communiceren met wat meer context, begrip en nuance kan al veel verschil maken.

 

Dr. Hanneke Schaap-Jonker is rector van het Kennisinstituut christelijke ggz, onderdeel van Eleos en De Hoop ggz en was eindredacteur van het boek Breekbaar verbonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geen reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *