Homiletiek

Preken, een hoopvol woord spreken

Dr. Theo Pleizier hield tijdens de studiedag naar aanleiding van het boek Horen naar de stem van God van prof. dr. Kees de Ruijter een lezing. U kunt de integrale tekst hieronder nalezen.

 Horen naar de stem van God heb ik gelezen als een hoopvol boek. De Ruijter brengt ons met zijn boek niet terug naar de crisissfeer die de praktische theologie een tijdlang in haar greep heeft gehad. Het boek straalt uit dat er toekomst is voor de preek. De Ruijter is er in geslaagd om de reflectie op preek en prediking te verbinden met vele hedendaagse discussies en benaderingen binnen de homiletiek en aangrenzende disciplines. Hij doet dat op een heldere en afgewogen manier en dat maakt het boek tot een mooie aanwinst voor het vak.

Hoe zit het met de toekomst van de preek? Die vraag staat op deze studiedag centraal. Gelijk maar een voorzet voor een antwoord: “zolang de preek een hoopvol woord is over Gods toekomst, is er toekomst voor de preek”. Zolang het laatste woord nog niet over deze wereld is uitgesproken, spreekt de preek het voorlaatste woord. Geen famous last word, want wie zou die pretentie willen voeren voor een preek? Bovendien, elke preek is een voorzet voor een volgende. Volgende zondag wordt opnieuw een voor-laatste woord gesproken. Om toekomst te hebben, zal de prediking een woord moeten spreken op de drempel van het oude en het nieuwe. Dat is altijd een voorlopig, een voor-laatste woord. Geen famous last word dus, de preek. Wel een hoopvol woord. Zoals de liturgie in de kerkdienst een hoopvol gebeuren is.

Daar sluit ik aan bij de inzet van De Ruijter’s homiletiek: de preek en de eredienst. Ik wil vanmorgen in mijn reactie met name ingaan op de keuze die De Ruijter aan het begin van zijn boek heeft gemaakt: de preek is onderdeel van het geheel van de kerkdienst. Ik loop eerst een paar stappen mee met zijn keuze, en stel me voor hoe je die zou kunnen uitwerken. Vervolgens wil ik zijn ingang bij de kerkdienst ook wat bevragen. Twee andere ingangen om over preek en prediking na te denken, rhetorica en kerk-zijn, zullen – zo vermoed ik – in belangrijk zijn voor de toekomst van de prediking.

Preken in de bedding van de liturgie
De Ruijter spreekt veelzijdig over de liturgie: zij is de levensvorm van de christelijke gemeente, het script, de kern van het christelijk bestaan, de plaats van het in-oefenen van het leven als burger van het Koninkrijk van God. Ik laat het graag aan de liturgen of met deze hooggestemde woorden over de liturgie, de kerkdienst niet wat overvraagd wordt.

Waar het nu vooral om gaat is, dat de preek vooral binnen het geheel van de kerkdienst haar betekenis heeft: de preek is ingebed in de liturgie. Op dit punt sluit het boek van de Ruijter haast naadloos aan bij de meest recente ontwikkelingen in onderwijs en onderzoek. Ik denk in deze lijn wat verder. De liturgie breekt het genadeloze ritme van de tijd. De zevende dag, of christelijk gesproken de eerste – of achtste – dag, is een hoopvolle

onderbreking van Godswege: zij kwamen bijeen op de dag des Heren, zo klinkt het in het Nieuwe Testament. En dat doen christenen nog steeds. De liturgie ontspringt aan de opstanding. Het binnenbreken van Gods Koninkrijk in deze wereld. Aan de basis van de christelijke samenkomst ligt de hoop op de nieuwe schepping vanuit de opstanding van Jezus Christus. Op welke manier participeert de prediking in dit hoopvolle gebeuren?

Ik noem drie vormen, die je misschien drie stijlen zou kunnen noemen van hoopvol preken: preken met het oog op de toekomst in de stijl van de aanbidding, in de stijl van de boete en in de stijl van de onttovering.

Preken in de stijl van de aanbidding:
Kees de Ruijter vat de liturgische acte samen onder de ene noemer van ‘aanbidding ́. Prediking is daarmee: doxologie, lofzegging. Daar zit natuurlijk veel in. Lofzegging, door voor Gods aangezicht zijn grootheid uit te zeggen. Prediking als Gottesrede (Bohren), of met de oudere gereformeerden: het benoemen, van de grote daden van God (magnalia Dei). Gods ‘zijn ́ en Gods daden worden in de aanbidding opgeroepen. De gedachtenis van Christus krijgt woorden in de prediking. Rakend aan het sacrament: we verkondigen de dood des Heren, totdat Hij komt. Lofprijzing staat in het licht van de toekomst. Prediking in de stijl van de aanbidding, zoals De Ruijter voorstelt, vraagt van preken dat ze een venster openen op de eeuwigheid (HC 84, de sleutels van het hemelrijk). Ik denk daarbij aan Openbaring 4, waar Johannes door een visioen een blik slaat in de hemel. Openbaring 4 en 5 zijn voor een doxologische visie op de preek kerngedeelten: het visioen wordt doorverteld, de werkelijkheid van God en die van de wereldgeschiedenis worden bij elkaar gehouden door het geslachte Lam, terwijl de hele schepping zich mengt in het loflied in de hemel. Een kenmerkend motief in de oosters-orthodoxe liturgie is dat de gemeente op aarde zich voegt bij de hemelse liturgie. Prediking in de stijl van de aanbidding is spreken vanuit dit bewustzijn, dat wij in dat grote verband van de hemelse lofprijzing begrepen zijn, terwijl de wereldgeschiedenis zich verder ontrolt onder de heerschappij van het Lam.

Nu kan dit alleen maar op een pneumatologische manier verder doordacht worden: de toekomst is present op de wijze van de Geest als voorschot. Zoals de avondmaalsliturgie in dit verband spreekt over het opheffen van de harten (het sursum corda). Prediking helpt om de harten op te heffen, waar Christus is, aan de rechterhand van God. De trinitarische benadering van De Ruijter klinkt hier helemaal mee. Hoopvol preken door hemel en aarde op elkaar te betrekken.

Preken in de stijl van de boete:
In de liturgie worden ook zonde, schaamte en gebrokenheid uitgesproken. Een stijl van preken die aan deze elementen in de liturgie participeert, heeft kenmerken van berouw en boete. De preek is, met een woord van Gerardus van der Leeuw een woord van vrijspraak. De prediking is ‘niet anders, dan de genadeverkondiging, de Vrijspraak na de belijdenis van zonden.’ (Liturgiek, 36-7). De absolutie als functie van de liturgie, vindt vanouds in de protestantse prediking haar eigenlijke plaats. Wat in de liturgie met het apostolicum wordt beleden als het geloof van de kerk: Ik geloof de vergeving der zonden, dat wordt in de preek performatief aangezegd: Uw zonden zijn u om Christus’ wil vergeven en uw leven staat in de vernieuwende werking van de Geest.

Nu krijgt dat homiletisch verschillende gestalten: boete heeft ook de gestalte van de vernieuwing, van de nieuwe toewijding, en van discipelschap. Jezus’ proclamatie van het Koninkrijk Gods, Zijn oproep tot geloof en bekering, krijgt gestalte in de navolging. Verzoening en vergeving moeten daarom niet versmald worden opgevat. Waar het om gaat is dat de preek als onderdeel van de liturgie, ook d ́t doet, wat in het credo, in de wetslezing, of in het lied onder woorden wordt gebracht: ons alledaagse bestaan, met al het falen, en met alle gebrokenheid, wordt bij God gebracht, om door Hem geheeld, vergeven en vernieuwd te worden. Het maakt de preek tot een uiting van berouw. En berouw klinkt in het christelijk geloof altijd hoopvol: mijn daden en geschiedenis zijn geen slot op de toekomst, maar in de weg van berouw, boete, vergeving en vernieuwing opent de toekomst zich op een ongedachte manier.

Preken in de stijl van de onttovering:
Een derde verbinding tussen liturgie en preek vinden we in de Schriftlezing. In de gereformeerde kerkdienst gaat de Schriftlezing aan de preek vooraf. De Heilige Schrift onderbreekt het narratief van elke dag, met verhalen, profetische vergezichten, gelijkenissen en brieven. Door de preek betreedt de hoorder, komend vanuit de illusie van dit bestaan, een andere wereld. Met een toespeling op C.S. Lewis’ Narnia-sprookjes: Vanuit de Schrift laat een preek zien hoe betovert het land achter de kerkdeur is.

In een seculiere wereld, waar het immanente wereldbeeld levensbeschouwelijk gezien de kampioen is, is het alledaagse leven allengs platter geworden. In de preek komt het alledaagse leven vanuit de Schriften in het licht te staan van schuld en vergeving, van gebondenheid en bevrijding, van duisternis die zich gewonnen moet geven aan het licht. Ligt het unieke van de preek als toespraak niet hierin, dat zij een brug poogt te slaan tussen het zichtbare en het onzichtbare, tussen heden en toekomst, tussen het ultieme en het banale, tussen de werkelijkheid van God en ons platte, aardse bestaan?

Dat maakt een preek vanuit haar geworteld zijn in de Schrift, tot een eigenzinnige stem in de cultuur. Geen economische of politiek analyse, maar een gelovige duiding van het alledaagse. De preek toont ons dít leven, in de macht van het kwaad, in de betovering. Maar ook dít leven dat van God uit gezien in de ban van de verlossing is geraakt. Dat vraagt niet om predikanten die uitzonderlijk visionair zijn. Het script is ons reeds gegeven in de Schrift. Want, naar een woord van Luther, de Schrift, die spreekt over ons (de te loquitur).

Andere ingangen voor de preek: de toespraak en het kerk-zijn
De inzet van Horen naar de stem van God opent een rijkdom aan verbindingen tussen prediking en liturgie waar ik een paar van heb verkend. De boeiende accolade tussen preek en liturgie roept echter ook een tegenstem op. Een tegenstem die zich laat illustreren aan de hand van drie wat anekdotische opmerkingen:

  1.  Let bij een willekeurige dienst in een evengelische kerk eens op de performance van de gemeente. Waar tijdens de ‘worship en aanbidding’ de handen geheven zijn, zit daarna iedereen ijverig aantekeningen te maken in schriftjes en grote bijbels terwijl de voorganger een bijbelstudie van 40 minuten geeft. Aanbidding en onderwijs vormen in de performance van de hoorders, twee heel verschillende praktijken. Nu heeft De Ruijter een gereformeerde en niet een evangelische homiletiek willen schrijven. Toch is het fenomeen relevant genoeg, want gereformeerd en evangelisch komen in de praktijk steeds meer naast- en door elkaar voor.
  2. Kerken in de gereformeerde traditie worden steeds diverser, qua geloofsbeleving (spiritualiteit) en in liturgisch opzicht. Vanuit die feitelijk praktijk in de gereformeerde kerkfamilie kan de vraag gesteld worden of de reflectie op de prediking niet juist gebaat zou kunnen zijn bij een wat losser verband tussen liturgie en preek. Zou de preek niet een middel tot eenheid kunnen zijn in die veelkleurige, pluriforme gemeente? Is prediking gemeenschapsstichtend? Eenheid als kenmerk van de kerk, vraagt om een reflectie op de relatie tussen prediking en kerk-zijn.
  3. Onlangs sprak ik een hoogopgeleide kerkganger uit het midden van het land. Hij uitte zijn teleurstelling over de slechte preken. Volstrekt voorspelbaar, met je tablet op schoot kom je tijdens de dienst tot een meer verdiepte uitleg dan de voorganger op dat moment aan het presenteren is. “Waarom ga je nog?”, zo vroeg ik hem. “Voor de gemeente en het gemeenschappelijke”, antwoordde hij. En hij voegde er aan toe: “als ik weet dat het een dienst voor kinderen is, dan ga ik hardlopen. Ik kan er niet meer tegen, de infantilisering, de neerbuigende toon van voorgangers.” Maar, besloot hij vergoeilijkend – of berustend, dat kan ook: “je vraagt natuurlijk ook iets onmogelijks van predikanten.

Alle drie de anekdotes laten iets zien van het toespraak-karakter van de preek. De preek is een onderwijzende toespraak, een toespraak waarin gemeenschap wordt gesticht, maar ook een toespraak waarin veel mis kan gaan.  Dit toespraak-karakter van de preek kon wel eens  (opnieuw) belangrijk gaan worden. TEDex events, de minitieuze analyse door tekst-bureaus van de redevoeringen rond de troonswisseling, de indringende toespraak van Peter van Uhm tijdens de 4 mei herdenking op de Dam eerder dit jaar — ze laten zien dat de redevoering en de toespraak ertoe doet. Ook, misschien wel juist, in een visuele en in een geïndividualiseerde cultuur.

Zijn real-life redevoeringen dan toch beter in staat tot gemeenschapsvorming? Meer nog dan literatuur, films, of electronische media? Daar ligt nog een heel veld open om verder te exploreren, en zeker met het oog op de homiletiek. Een indicatie in deze richting is wel de enorme hoeveelheid aan cursussen en trainingen op het gebied van prediking.

Dan gaat het niet eens over theologie, maar het aanleren van gewone regels van presentatie en performance. Een ingang in de homiletiek langs het ritueel of langs de weg van de liturgie, verdient minstens een toegang tot de preek via de rhetorica naast zich. Dat opent ook allerlei theologische inhoudelijke en homiletische vragen, zoals bijvoorbeeld: over welke hoop gaat het in een toespraak die preek heet?

Dat brengt mij tot slot bij een derde ingang tot de preek, naast liturgie en rhetorica. De Ruijter heeft groot respect voor de gemeente als partner in de prediking. Toch functioneert in zijn boek de kerk nauwelijks als een eigen bedding voor de preek. Terwijl in onze tijd juist het denken over de kerk sterk in het geding is. Allerlei nieuwe bewegingen komen met nieuwe kerk-concepten en stellen theologische vragen zoals: bestaat de kerk in de traditionele liturgie of in de spontane gemeenschap?

In de gereformeerde traditie is de prediking de plaats van de apostolische sucessie, en daarmee in zekere zin ook drager van het kerk-zijn. Maar, kan dat in onze tijd nog zo worden nagezegd, als het ambt en de daaraan verbonden bediening van het Woord in het geding zijn? Onder het gezichtspunt van de ecclesiologie, komt het gemeensschapstichtende van prediking meer in beeld. Maar daarmee ook de keuzevrijheid, de enorme luxe van het Nederlandse christendom: kiezen in welke kerk je (een poosje) meedoet. Als de vraag naar het kerk-zijn een bedding wordt voor de doordenking van de preek, dan gaat het ook om het publieke karakter, om de preek op de drempel tussen kerk en samenleving. Kan de preek een gezamenlijke hoop uitdrukken, of is hoop gefragmenteerd in allerlei individuele ervaringen en uitingen? Ik stel op punt maar wat vragen, de antwoorden staan uit.

Het laat intussen wel zien hoe enorm de dynamiek is van het nadenken over de prediking. Het boek van De Ruijter nodigt uit tot voortgaand gesprek. Zo blijft een vak in ontwikkeling. En daar zijn we De Ruijter dankbaar voor!