Theologie

Pleidooi voor menselijke mondigheid

Vrijdagmiddag 29 november vond er een bijeenkomst plaats naar aanleiding van het nieuwe boek van prof. dr. Gerard Dekker Dat Koninkrijk, verwachten we dat nog?. De sprekers waren prof. dr. Gerben Heitink en dr. Wouter Klouwen De volledige tekst van de lezing van dr. Wouter Klouwen kunt u hieronder nalezen.

***

Geachte aanwezigen,

Allereerst wil ik professor Dekker danken voor zijn prikkelende essay, waarin hij uitdaagt om na te denken over de houding die het christendom aanneemt ten aanzien van moderne ontwikkelingen in de samenleving. Het heeft hem oprecht verbaasd dat een eens zo vernieuwende en stimulerende godsdienst, die zo vormend is geweest in de ontwikkeling van onze cultuur, heeft kunnen omslaan in een behoudende, conservatieve kracht, die nu eerder wéérstand biedt tegen de positieve, emanciperende en bevrijdende voortgang, dan dat zij stimuleert – zoals Dekker zegt: waarom staat het christendom tegenwoordig alleen maar op de rem?

Volgens hem heeft dat te maken met de in de Verlichting verworven autonomie van de mens, de mondigheid van de mens. En die autonomie – het christendom zou dat zien als dat je God daarmee te nakomt, Góds autonomie te nakomt. Hij is immers God, allesbepalend, en de mens is maar mens en moet z’n plaats weten. Ik herken mij in Dekkers waardering van de menselijke mondigheid; het inzetten op de vrijheid die een mens heeft, op zijn kritisch vermogen. En ik denk dan: is dat niet wat het evangelie inderdaad óók wil: een mens die vrij is van alle knechting, of dat nou maatschappelijk is, sociaal, of godsdienstig. De vrijheid van een christenmens, het belangrijke thema van Luther. Ik zie dan ook, met Dekker, niet in waarom het christendom zich dáártegen verzetten zou. Is het niet Gods eer de mens tot eer te brengen? En dat Dekker het hier ook zo voor die mens opneemt, ook voor de geseculariseerde mens (die wij toch allen zijn), daar kan ik alleen maar van harte mee instemmen. En toch heb ik er ook een vraag bij. Want is die tegenstelling met dat christendom dat alleen maar op de rem trapt omdat het de mens onmondig en gehoorzaam onder God wil houden (in plaats van mondig en zelfstandig), is die tegenstelling niet te ongenuanceerd? Alsof er in dat christelijk protest niet méér speelt dan alleen maar conservatisme. Zou het in het voorbehoud, dat het in Dekkers ogen zo conservatieve christendom maakt, niet óók juist dáárom kunnen gaan: dat het Gód er om te doen is de mens tot eer te brengen. Dat de mens niet denkt: mijn eer ligt alleen maar in mijn autonomie en zelfbeschikking, maar weet: mijn eer ligt bij Hem die zich met de mens verbonden heeft tot ín zijn onvermogen, zijn knechting, zijn slaaf zijn, ja tot in zijn ónmondigheid. Dan ligt het toch iets minder zwart-wit, alsof je aan de ene kant de positieve ontwikkeling hebt van een moderne verlichte samenleving waarin het gaat om humaniteit, met helaas-helaas aan de andere kant nog altijd de verstorende werking van een zich verdedigend christendom dat niet wíl dat die mens gewoon mens is. – Het ligt dus, denk ik, genuanceerder: Als er door het geloof, zeg ik nu maar, een vraagteken gezet wordt bij dat eindeloos hameren op het aambeeld van de menselijke autonomie en zelfbeschikking, is dat dan niet vanwege een vóórbehoud? Het oprechte geloof namelijk dat we in het leven niet op eigen gezag staan, maar leven in antwoord op Hem die ons aanspreekt… Of om het theologisch te zeggen: dat de menselijke vrijheid niet bij mij ligt, maar in Christus. En dan kan ik mij, hoezeer ik Dekkers onderstreping van menselijke mondigheid ook waardeer en me daar mede hard voor wil maken, maar dan begrijp ik toch óók waarom het geloof toch minimaal het begrip autonomie tussen aanhalingstekens wil plaatsen…, en dat niet ten kóste van de mens, maar juist omwílle van de mens…

Nu iets anders. Ik kom nu bij het tweede van drie punten. Het eerste is dat voorbehoud bij autonomie. En dan nu: het christendom. Het gaat in dit essay voortdurend over het christendom. Wat is nou ‘het’ christendom? Dat begrip is mij te algemeen. En behalve dat het begrip veel te algemeen is, of juist daarom – maar dan denk ik: maar natúúrlijk is het christendom een probleem! Zoals Dekker zelf ook ergens zegt: christendom en evangelie moeten wel onderscheiden worden. Precies! Helemaal mee eens! Maar is het dan verwonderlijk dat het christendom zo anders is dan het evangelie? Het christendom heeft zich gevestigd. De kerk is al heel gauw ook gewoon een stukje wereld geworden (en misschien wel altijd geweest). Wat kun je van het gevestigde christendom als algemene stroming anders verwachten dan wat je van willekeurig welke andere godsdienst, ideologie of stroming verwachten kunt? Het is menselijk, al te menselijk. Maar we geloven niet in het christendom. Maar het evangelie. Inderdaad die vrij makende boodschap. En waarom de verwachting van die vrij makende boodschap nou leggen op zoiets algemeens als het christendom. Ja, misschien omdat je er vanwege dat evangelie meer van verwachten mocht… Dat is dan een punt.

Maar er is nog iets. Dat christendom is mij niet alleen te vaag en te algemeen – je kunt het christendom ook niet aansprakelijk stellen, niet om het christendom te excuseren, maar wíe is het christendom? Zomin je hét kapitalisme aansprakelijk kunt stellen, voor de bankencrisis bijvoorbeeld. Of dé islam, voor nine-eleven. Want wie is dat? Het zijn altijd ménsen, of gemeenschappen. Díe kun je aanspreken, maar het christendom? Ik vereenzelvig mij daar niet mee, terwijl het toch ook over mij gaat. Daar komt nog iets bij. Het heeft ook te maken met dat het christen zijn voor mij geen vanzelfsprekende positie is. Geen ideologische of godsdienstige stroming waar ik toevallig bij hoor (‘christendom’). Maar een voortdurend hoogst aangevochten zaak, een gevecht, waar ik steeds opnieuw in betrokken word, ook al wil ik vaak zélf anders. En op die betrokkenheid al dan niet of hoe ook zijn mensen aanspreekbaar. Een sociologisch of historisch begrip als christendom kan niet aansprakelijk zijn…

Maar behalve die begrippen autonomie en christendom, mijn grootste vraag betreft het geloof in de vooruitgang in samenhang met het koninkrijk uit de titel van het essay. In het essay worden een heel aantal ontwikkelingen genoemd, die we als zegeningen tellen mogen, en waar ik werkelijk van onder de indruk ben. Dat is mooi dus, en ik wil ze ook wel zien als tekenen van het Koninkrijk, of als ‘realised eschatology’. En ik lees het grote optimisme van hoe het in de wereld verder zal gaan, ondanks alle ellende die er ook is, een optimisme dat ook nog eens gelovig verankerd wordt in een God die als stuwende kracht in de werkelijkheid op weg is naar het visioen van het Koninkrijk dat komt. Dat lees ik in het essay. En dan de vraag van Dekker: hoe kan het toch dat die christenen nou nota bene niet positief meedoen, maar almaar op de rem staan… Dat is zijn vraag. Maar dat gelovig optimisme… – het gaat de goede kant op – ik deel dat niet. Hoe kun je nou, na de donkerste eeuw die we ooit hebben gehad, in het, jawel, christelijk Europa nota bene, de geschiedenis nog zo als een positief voortstuwende beweging zien. Na het failliet van de grote verhalen: socialisme, kapitalisme, het corpus christianum. In een wereld waar de problemen zo groot zijn, dat we nog maar moeten zien of we ze nog wel beheersen en ooit de baas zullen worden; waar in de literatuur het menselijk tekort wordt verwoord, in de romans van Arnon Grunberg en Houellebecq en Hermans, en eerder Dostojewski. De mens in zijn onvermogen. Die met zijn autonomie niet uitkomt. Die geen doel en zin ziet, want er is voor hem geen doel en zin. De mens die het niet klaarspeelt. Niet is opgewassen tegen het leven… En dat dát nu nergens gehonoreerd wordt… Want dat is óók de mens van na de verlichting. En dat is een heel ander verhaal dan van een God die als stuwende kracht de verborgen gangmaker van de geschiedenis is, voor wie het gelooft. Dit is de grootste vraag die het essay bij mij oproept.

Hoe dan wel? Want je bent predikant, je bidt mee: uw Rijk kome. Hoe dan wel? Dat Rijk dat komt, dat Koninkrijk van God, ik dacht: is dat nu iets waar we naar op wég zijn, de eeuwen door, en we zijn nu al twintig eeuwen verder, en wordt het nog wat? En is God een soort metafysisch postulaat? En dat Godsrijk een futurum, ver weg in de toekomst? Of is het Rijk misschien eerder, zoals ook de in het essay aangehaalde Ridderbos zegt, ook al present in het evangelie, in de verschijning van Christus, en overal daar waar mensen, tegen alle verschrikking in, worden opgericht, in het licht gesteld, en dat dáár dat Koninkrijk aanbreekt, doorbreekt, niet als een futurum, maar als advent, als komst, inbrekend midden in de tijd. Dan begrijp ik ook dat gezegd kan worden in het evangelie: Het Koninkrijk is nabij. Het staat om je heen en is nú. Fragmentarisch vanuit ons gezichtspunt, dan hier, dan daar, word je er iets van gewaar. Het Koninkrijk, niet in een geschiedenishistorisch perspectief, in een groot metafysisch gelovig concept, maar op ons toekomend, van God, uit zijn hemel, om het bijbels te zeggen. Het is niet van hier. Niet van deze wereld. Verborgen. Maar we verwáchten het. En doen er zo ál in mee.

En dat moet het ‘christendom’ – laat ik dat woord dan zelf ook niet gebruiken, laat ik het persoonlijker zeggen en preciezer: dat moet de kerk, of nog preciezer: de gemeente – dat moet de gemeente, en dat ben ik helemaal met Dekker eens (hoe we dat Koninkrijk dan verder ook verstaan), maar dat moet de gemeente van Christus inderdaad niet vertragen. Niet tegenhouden. Het moet niet op de rem gaan staan. De mens niet in onmondigheid ten onder houden. Maar zij moet vanuit het evangelie volop verantwoordelijk, in antwoord op wat haar gezegd is, zoeken naar de humaniteit, waar het de God van Israël om te doen is. En dan ben ik terug bij waar ik begon, dat ik het pleidooi voor de menselijke mondigheid hogelijk waardeer. En ik wil me daardoor ook laten gezeggen. Want inderdaad, het is Gods eer de mens tot eer te brengen. Maar daaraan beantwoordt denk ik eerder een gefragmenteerd christendom, een gefragmenteerd verhaal, een gemeente die hier of daar, dan en dan rond het evangelie staat, dan een ongebroken totaalconcept van de algemene geschiedenis, die door een God die dan toch metafysisch is, wordt voortgestuwd. Want die God, daarin geloof ik niet.

Wouter Klouwen


Dr.Wouter Klouwen, predikant van de hervormde Pauluskerkgemeente te Baarn. Bij Boekencentrum verscheen van zijn hand het boek Sta op en wandel. Over de onmogelijkheid van het bijbels geloof.

1 reactie

  1. 4 december 2013 om 15:23

    Misschien vindt u dit artikel op mijn website, over loyaliteit aan dat Koninkrijk dat nu plaatsvindt, interessant.