Geen categorie

Pelgrimage en vreemdelingschap

Onderstaande tekst van prof.dr. C. van der Kooi verscheen in HW Confessioneel ter gelegenheid van de verschijning van het boek Vreemdelingschap van dr. J.D. Th. Wassenaar.

 

Pelgrimage en vreemdelingschap

‘Een zwervende Arameeër’

In Deuteronomium 26 vinden we een paar teksten waarin heel veel samenkomt van het onderwerp ‘vreemdelingschap’. Het gedeelte bevat een soort regieaanwijzing voor hoe te handelen bij het altaar. Het schrijft woorden voor die elke Israëliet moet zeggen die straks in het land zal gaan wonen en een deel van de oogst als dankoffer aan de priester komt brengen. Allereerst zal hij zeggen: ‘Hiermee verklaar ik voor de Heer, uw God dat ik het land waarvan de Heer onze voorouders onder ede heeft beloofd dat hij het ons zou geven, ben binnengegaan.’ Met andere woorden: hij heeft wat in handen, hij brengt wat mee en wat hij meebrengt, is een bewijs dat de belofte gestand is gedaan en dat de Israëliet werkelijk het land in bezit heeft genomen. Vervolgens moet hij, als de mand met oogstgoed voor de priester is neergezet, nog veel meer zeggen. Hij moet de geschiedenis reciteren: ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we de Heer, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En de Heer bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. Heer, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me hebt gegeven.’ Vervolgens lezen we: ‘Bied de Heer, uw God, zo uw gaven aan en kniel voor hem neer. Daarna mag u, samen met de Levieten en de vreemdelingen die bij u wonen, een feestmaal houden met al het goede dat u en uw familie van hem hebben ontvangen.’
Het gedeelte situeert de lezer of hoorder vòòr de inneming van het land. Hij zal wat de Heer hem geeft, namelijk het land, niet weigeren, maar het in bezit nemen. Tegelijkertijd zal hij zich te binnen brengen dat hij ooit zelf een zwerver in de woestijn is geweest. Hij is in Egypte zelf een bijwoner en vreemdeling geweest. Dat wil zeggen: tweederangs burger, iemand zonder rechten op het land. Nu is de situatie omgekeerd, hij heeft het land in bezit, het kan vruchten geven en hij krijgt de opdracht een maaltijd te houden met de Levieten, die immers niet een stamland toegewezen hadden gekregen, en met de vreemdelingen. Het gedeelte leert nog iets anders. De situatie van het aardse burgerschap kan veranderen. Afhankelijk van de situatie, cultureel, politiek, sociaal, historisch kunnen de verantwoordelijkheden en uitdagingen verschuiven.

Leven in het voorlaatste
Vreemdelingschap, weten we er nog van? In het boek van dr. Wassenaar wordt geschetst hoe de kerk haar vreemdelingschap in sommige tijden is bewust geweest, en hoe ze het in andere tijden is vergeten. De auteur heeft veel van prof.dr. A. van de Beek geleerd, die in zijn publicaties beklemtoont dat kerk en theologie al te zeer zijn vergeten dat de volgelingen van Jezus Christus volgens het beeld van de brief aan de Hebreeën een ander vaderland zoeken. Deze wereld, deze geschiedenis en werkelijkheid is niet hun eigenlijke thuis. Ze kan dat niet zijn, want ze valt theologisch gezien onder het oordeel van God. De wereld is geoordeeld toen Jezus gekruisigd werd. Toen bleek haar gehalte. Religie en overheid, en de stem van het volk waren eenparig in hun oordeel over de man van Nazaret. Daarmee is gebleken hoe ook de joodse leiders zich konden vergissen, en hoe de politieke macht verstrikt kan raken in belangen en daarmee haar bedenkelijkheid verraadt. Dat is echter niet het laatste wat te zeggen is. De kerk belijdt als vervolg op de opstanding van Jezus Christus Zijn verheerlijking, dat Hij zit aan de rechterhand van God de Vader, de Almachtige, vanwaar Hij komen zal. Met andere woorden: onze plaats is rechtens niet meer deze wereld. Het eigenlijke burgerrecht ligt verankerd en verborgen in Jezus Christus. Het ligt boven, en niet hier. Tweeërlei burgerschap dus, waarbij dat eerste beslissend is. Tot zover een strikt theologische bepaling van ons leven.
Zijn we ons als mensen die deel uitmaken van de gemeente van Jezus Christus bewust dat we leven in het voorlaatste? Of met een theologisch woord: leven we met dat eschatologisch voorbehoud? Wat betekent het voor de gemeente dat ze bijbels gezien vreemdeling en bijwoner is?

Pelgrim en vreemdeling
Vergunt u me allereerst de opmerking dat het mijns inziens niet onze opdracht is om ons te richten op de gedachte op zich dat we hier vreemdelingen zijn. Het is iets dat vanzelf ontdekt wordt. Het is een schaduw die meetrekt als we pelgrim zijn. We ontdekken die vreemdelingschap bijvoorbeeld, maar wel heel wezenlijk, als we letten op de feesten die de kerk viert. Met Kerst, met Pasen, met Hemelvaart en met Pinksteren: het zijn allemaal feesten die ons bewust maken van een beweging. God komt en gaat een weg. In Jezus Christus komt God de Zoon in mensengestalte onze werkelijkheid binnen, in alle nederigheid en kwetsbaarheid. In de dagen van Pasen gedenken we hoe Hij stukliep op onze wereld en verhoogd werd. Hemelvaart richt het oog op Zijn koningschap, dat al begonnen is – verborgen, maar volgens de Schrift niet minder werkelijk, en dat ooit voor aller oog zichtbaar zal zijn. Met Pinksteren belijden we dat we nu al in die beweging van de Geest staan. In het geloof krijgen we te maken met een beweging en die beweging is niet af. God is nog niet klaar met Zijn werken. We vieren in de kerk geen feest van de voltooiing. Dat is veelzeggend. Die voltooiing en volkomenheid is er nog niet. Dat betekent dat de kerk vandaag in een tussentijd leeft, die nog niet het laatste werk is van God. We zijn met andere woorden nog niet thuis. We wonen hier wel, we hechten ons zelfs aan de plekken en plaatsen waar we ooit de ogen opsloegen. Daar zoekt de Geest van God ons op, dat is Hem niet te min. Dat aardse burgerschap kunnen en mogen we niet van ons afschudden. We hechten zelfs aan de taal waarin we groot werden en de meest elementaire dingen van het leven leerden: aan Saksisch, Gronings, Fries of Brabants of als Hagenees, noem maar op. Daar zijn we relatief thuis. Maar helemaal thuis?

Moeten we ons die vreemdelingschap speciaal te binnen brengen? Moet daar in de kerk de focus speciaal op gericht worden? Is dat, zo zou ik willen vragen, een theologische deugd? Of geldt eerder dat volgelingen van Jezus Christus vanzelf wel zullen ontdekken dat ze hier nog niet in het laatste verkeren en dat ze zich in deze wereld niet volkomen thuis zullen kunnen voelen?
Dat laatste lijkt mij het geval. De ervaring van vreemdelingschap volgt uit die van het leerling-zijn, volgt op dat eerste burgerschap. Het is iets dat niet buiten de wil van God om gaat. Ik zeg dit ook tegenover die groepen christenen die zo uit de kracht van de opstanding willen leven dat ze willen beweren dat ze helemaal ‘jong en vrij’ zijn, en dat ervaringen van tekort en blokkade geen plek meer kunnen hebben in het leven van een gelovig mens. ‘God wil het lijden en gemis niet’, zo is de gedachte.
Zulke bevrijdings- of vrijheidstheologie is om zowel theologische als pastorale redenen gevaarlijk te noemen. Ze verwisselt Pasen met de voleinding. Voor ons geldt echter: wij zijn er nog niet. Juist de christelijke feesten bepalen ons erbij dat we nog onderweg zijn, pelgrims, en dat deze werkelijkheid het voorlaatste is.

Dr. Wassenaar heeft in navolging van prof.dr. Van de Beek het pelgrimschap willen onderscheiden van de vreemdelingschap. Een pelgrim heeft een doel, in tegenstelling tot een zwerver. Bij de aanduiding ‘vreemdeling en bijwoner’ valt het accent op het ontheemd-zijn, niet-thuis-zijn. De onderscheiding is zinvol, maar toch wil ik ervoor pleiten de vreemdelingschap niet los te zien van het pelgrimschap. Wanneer we dat namelijk losmaken, komen we dicht bij Marcion uit, die deze wereld het product noemde van een vreemde, en tweederangs God. De Schepper van hemel en aarde was in zijn ogen op zijn best een rigide ingenieur die de boel in elkaar gezet had, rationeel, maar ook hard en wreed en daardoor zeker niet te vereenzelvigen met de Vader van Jezus Christus.
Laten we de juiste volgorde aanhouden: de ervaring niet thuis te zijn, hier geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben, is de ervaring die theologisch volgt op de roep tot pelgrimeren. Het gevoel van ontheemding, nogmaals, is op zichzelf geen deugd. De ervaring van ontheemding heeft theologisch een plek als product van een contrast, een contrast met wat beloofd is, waar het verlangen naar uitgaat en wat nog niet is ingetreden.

Modellen van kerk en samenleving
Wat betekent dit allemaal voor de kerk in haar verhouding tot de samenleving? In het referaat van dr. Wassenaar somt hij een paar modellen op voor de verhouding van kerk en samenleving. Zelf typeert hij de kerk ten opzichte van de samenleving als een vreemde eend in de bijt. In dat verband valt ook het woord ‘contrastgemeenschap’. Het betekent dat de kerk als gemeenschap in de navolging van Jezus Christus als vanzelf een contrast gaat vormen met de omliggende samenleving. De risico’s van deze visie op de kerk zijn in zijn bijdrage al genoemd. Een gemeenschap die in haar vaandel heeft dat ze een contrastgemeenschap moet zijn, kan gemakkelijk een hoog ‘moeten’-gehalte krijgen; groepsdwang ligt voor de hand. Men kan zich bovendien afvragen of dat contrasterende allemaal wel haalbaar is in kerken die een grote mate van maatschappelijke diversiteit kennen. Kan dat in Hellendoorn, in Burgum, in Oirschot? Kan dat op plekken waar ze naast bewuste leerlingen van Jezus Christus ook nog een grote schare in de kaartenbak hebben staan die de wet nauwelijks kent. Het model van een contrastgemeenschap is mogelijk van toepassing op een kleine vrije groep, maar brengt een risico mee zodra het een programma wordt. Dan is contrast te zijn doel geworden.
Bovendien kan de vraag gesteld worden of hedendaagse gelovigen wel zo heel veel afwijken van hun tijdgenoten. Is er toch niet heimelijk de veronderstelling, net als in de apostolaatstheologie, dat de samenleving daar van profiteert en bereikt kan worden? Bij de apostolaatstheologie stond het ideaal van een theocratie nog op de achtergrond. Veronderstelling was dat de kerk een belangrijke en fundamentele speler op het publieke terrein is. Men was zich wel de afstand van kerk en wereld bewust, maar meende in de verkondiging en in het spreken van de kerk een middel te hebben om die kloof te overbruggen. Het was een verkondigingstheocratie.
Een tweede model, dat zich in de jaren zeventig van de vorige eeuw manifesteerde, was de kerk als dienende gemeenschap. De relatie van kerk en samenleving zou die van relevantie moeten zijn. Dit ideaal veronderstelt evenals het vorige een sterke gemeenschap, waar men een duidelijke identiteit heeft en daaruit leeft. Ook het geluid van dit ideaal is weggestorven en wordt momenteel niet meer gehoord.
In plaats daarvan horen we in navolging van mensen als Stanley Hauerwas, en eerder John Howard Yoder, spreken over de kerk als contrastgemeenschap.

Aantonende wijs
Een paar opmerkingen ten aanzien van deze modellen: opvallend in de Bergrede volgens de evangelist Matteus is, dat Jezus daar in de aantonende wijs spreekt. Jullie zijn het licht der wereld, jullie zijn het zout van de aarde. Hij zegt niet: jullie moeten dat zijn, jullie moeten heel anders smaken. Hij stelt een toestand vast. De leerlingen die achter Jezus aangaan, zijn onder een macht gesteld van iets anders. Namelijk van de macht van God, van zijn shaloom, van de liefde. Dat bepaalt hun identiteit. Deze identiteit heeft gevolgen. Zout maakt onderscheidend, uit zichzelf. Maar daar hoeft het zout niet nog een keer zijn best voor te doen. Het zoutachtige is niet een bijkomend iets, het is essentieel. Hetzelfde geldt voor licht. Licht brengt licht mee, uit zichzelf.
Met zulke beelden en statements begint Jezus Zijn onderricht. Hij kleurt de identiteit van de gemeente in. In Lucas vinden we een lichtelijk verschillende versie van de Bergrede. Daar wordt ze vergezeld van ‘wee’-woorden. De tegenstelling wordt er gemaakt met hen die in deze wereld al hun deel en rijkdom hebben. Zit daar de ervaring in van het falen, van de moeite die navolging in de praktijk van het leven kost?

Contrast hoeven we niet op te zoeken omdat we contrast willen. Contrast ontstaat vanzelf als we naar de woorden van het evangelie horen en onze keuzes en stijl daardoor laten vormen en kleuren. Kortom: contrastgemeenschap kan geen programma zijn. Heel gemakkelijk verglijdt men dan in moralisme, van hedendaagse snit, maar niet minder moralistisch. Contrast treedt daarentegen vanzelf op als gevolg van horen naar het Woord en je daardoor in beslag laten nemen. Als een mens onder het beslag raakt van de liefde van Christus – en wellicht dat we daar soms, even en vaker onbewust, aan raken – dan ontstaat er ruimte voor de ander. Zoals God ons leven gunt, voortgang, zo wordt dan de ruimte voor die ander gezocht, wordt gepoogd die ander goed te doen, op de benen te zetten.

Lokeend
Dr. Wassenaar heeft de kerk ‘een vreemde eend in de bijt van de wereld’ genoemd. Ik wil het vandaag proberen met een ander beeld, namelijk dat van een lokeend. In een eendenkooi had je altijd een paar lokeenden. Die hoorden bij de kooi en trokken de aandacht van de overvliegende wilde eenden, die vervolgens werden geacht neer te strijken in het water van de eendenkooi. Toegegeven: de vergelijking is precair en is zeker in dit geval beperkt toepasbaar. Het is bekend hoe het met die wilde eenden afliep, eenmaal in het water aangeland. We hebben er zelfs een gezegde aan overgehouden: ze gingen letterlijk en figuurlijk de pijp uit.
Ik blijf echter nog maar even bij het fenomeen ‘lokeend’. Die eenden lokten door hun loutere aanwezigheid. Ze hoefden verder niets anders te doen dan wat eenden doen: kwaken, duiken, kroos eten en de veren wassen. Ze deden gewoon hun ding.
Dat geldt ook van de kerk of de gemeente in haar relatie tot de samenleving. Ze komt samen omdat ze geroepen is door de levende Heer. De kerk doopt mensen die belijden dat ze het tenslotte moeten hebben van God en Zijn liefde. Wij zijn niet onze eigen bron, we hebben het leven niet in onszelf, we zijn en blijven afhankelijk van Zijn leven gevende nabijheid. En die leven gevende nabijheid ervaren we in het gewone leven, misschien soms even in het licht van de herfst, maar in de kerk krijgt ze de gestalte in de aanzegging van Gods erbarmen. Erbarmen met mensen die in het grijs leven, op de rand, die de fout in gegaan zijn en zo is er meer te noemen. Dat wordt ons verteld in de verkondiging, dat wordt ons concreet gemaakt in doop en avondmaal. Rondom de avondmaalstafel wordt zichtbaar wat de kerk in de wereld is: Een gemeenschap van mensen rondom Jezus Christus, die van Hem als de tweede Adam hun toekomst en identiteit ontvangen. Dat is hun eerste burgerschap. Ze zijn kinderen aan tafel, gelijken rondom de tafel. Daar zit men niet alleen, daar ontdekt men zijn medemens als broeder en zuster. De avondmaalstafel is ook bakermat van de gerechtigheid. God legt daar een claim op de mens, op Zijn wereld ook. Daar leren we de fundamentele elementen van dit burgerschap. En dat nemen we mee de wereld in.

Nieuwe uitdagingen
Die claim zou zich in onze tijd voor de kerk weer opnieuw kunnen vertalen en concretiseren op ongedachte en onverwachte wijze. Wij hebben te maken met een terugtredende overheid, met een overheid die niet meer van de wieg tot het graf verzorgen zal. Er komt voor de kerk plaatselijk en als gemeenschap een uitdaging aan met de nieuwe WMO, die door de plaatselijke overheden nauwelijks of niet gedragen zal worden. Hoe prepareert de gemeente zich hierop, de diaconie, de predikant? Kent de dominee eigenlijk de WMO en de op handen zijnde veranderingen?
Volgend punt waar de kerk van belang is: wij hebben in onze samenleving te maken met een mensbeeld waarin die mens geacht wordt de architect en regisseur van eigen leven te zijn. Je moet gelukkig zijn, dat is het moderne dogma. Als je dat niet bent, is het je eigen schuld. En de stille boodschap is: als je blijvend ongelukkig bent, is het leven niet meer de moeite waard en kun je er het beste uitstappen.
Het evangelie vertelt dan toch iets anders. Het vertelt helemaal niet dat je gelukkig moet zijn. Het vertelt wel dat God ons als schepselen wil, ons kent bij name, in geluk en ongeluk. Er zal ons later niet gevraagd worden of we wel gelukkig waren, maar of we in de omstandigheden die we hadden, Hem gezocht hebben, gediend, keuzes gemaakt, zo goed en kwaad als dat ging. Gevraagd zal worden of we ons aan God gaven. Zoals Jezus als de Zoon Zich gaf aan de Vader. Of als Job die zich ook gaf aan God, als opstandige. Jezus is lokeend, Job in zijn soort ook.
Er is nog een ander woord op zijn plaats in de verhouding kerk – samenleving: als de kerk naar dat Woord hoort, de lofzang gaande houdt, en de ogen en oren open, plaatselijk stappen onderneemt, dan geeft zij niet alleen getuigenis, maar is ze getuigenis.

Prof.dr. C. van der Kooi (1952) is hoogleraar westerse systematische theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarnaast is hij directeur van het Center for Evangelical and Reformation Theology. In 2012 publiceerde hij samen met prof.dr. G. van den Brink het lijvige boek Christelijke Dogmatiek – het telt meer dan 700 pagina’s. Van het boek zijn inmiddels zo’n 6.000 exemplaren verkocht. Vorig jaar kreeg Van der Kooi de gelegenheid om een exemplaar aan paus Franciscus aan te bieden. Een Engelse vertaling van het boek is in voorbereiding.