Kerk

Overal wonen, nergens thuis

De samenleving wordt steeds eenvormiger, schreef ik in Woord & Dienst van december jl. Er ontstaat een dominante seculiere cultuur beheerst door wetenschap, techniek en economie. Die heeft een sterke zuigkracht. Hoe kunnen kerken zich in deze situatie gedragen?

Om te beginnen kunnen we de betekenis van de vraag hoe kerken zich in een seculiere cultuur van eenvormigheid kunnen opstellen negeren; gewoon verder gaan. Doen alsof zou je deze reactie kunnen noemen. Ik ontleen deze term aan de medische sociologie, waarin deze reactie beschreven wordt als een van de manieren waarop arts en patiënt met terminale ziekte kunnen omgaan. Hierbij past als gedragsregel: het probleem niet aanroeren. Doe je dat toch, dan ben je een spelbreker. En dat leidt tot sancties. Zo gaat dat ook in gemeenten waar deze stijl gangbaar is. Degenen die het wagen te wijzen op de werkelijke situatie – en zo de rust verstoren – worden versleten voor zeuren, verzuurden en zwartkijkers.

Alles of niets
Als we de ontkenning van het probleem buiten beschouwing laten, blijven er drie mogelijke reacties over. De eerste is je terugtrekken in het isolement. Gemeenten die dit doen bewaren de eigen identiteit zo goed en zo kwaad als dat gaat, maar zijn gesloten naar buiten. De godslamp blijft branden maar in een afgesloten ruimte. De kerk krijgt zo het karakter van ‘een heilige rest’.

Het spiegelbeeld daarvan is aanpassing aan de dominante cultuur. We integreren in de dominante cultuur en kijken van daaruit naar de eigen traditie en strepen weg – niet al te luidruchtig, je moet pastoraal blijven – wat volgens het cultuurpatroon dwaas of ergerlijk is. Wat niet te rijmen is met het gezond verstand gaat eruit, en wat gezond verstand is wordt bepaald door de dominante cultuur. Zo’n kerk staat open voor de omgeving, maar verliest de eigen identiteit. Pelgrims worden kolonisten. De godslamp flakkert. Voor de kerk kan dat proces met Hans Küng pittig gedefinieerd worden als: ‘haar kern verliezen in een secularistisch omsmeltingsproces’. Het leidt tot desintegratie van het eigen cultuurpatroon en tot ontbinding van de structuur. Dat heeft weer als gevolg dat allerlei mensen zich onterfd voelen; zij zijn ontworteld. Dat heet anomie – de oude regels en waarden hebben hun geldigheid verloren. Een illustratie ervan is de opmerking: ‘Ik lijk wel een beetje op zo’n man uit Help, mijn man is klusser. Ik heb het oude pand waarin ik geloofde rigoureus gestript en sta nu eigenlijk met de handen in het haar als het gaat om hoe het verder moet’.

Als vreemdelingen
Er is nog een derde reactie mogelijk: open naar de samenleving en tegelijk een duidelijke identiteit bewaren. Open naar buitenstaanders én jezelf laten zien. Dat is de aloude opgave: ín de wereld zijn, niet ván de wereld. Leven in deze wereld, maar als vreemdelingen: ‘Overal wonen, nergens thuis’. Dat lijkt mij hét model.

Wat is daarvoor nodig? Ik beperk me tot zeven voorwaarden die ik ontleen aan de praktijk van bloeiende gemeenten.

1. Vertrouw. Laat je niet beheersen door angst. God is onze metgezel (bisschop Tutu). Ontspan.

2. Draai je om, zie het waardevolle. Zie dat wat lof verdient, zoals Paulus dat noemt. Laat je niet beheersen door problemen.

3. Respecteer mensen. Zie hen als uniek, als begaafd – de Geest is uitgestort op allen – en maak dus ruimte voor ‘gewone mensen’. Voor leden van de gemeente en buitenstaanders, voor ‘kerk en schare’ (Noordmans).

4. Zie de pastor als vroedvrouw. Zie de pastor niet als leider van wie het allemaal afhangt, maar als vroedvrouw. De vroedvrouw is niet gericht op het overbrengen van haar visie, maar wil tot het licht brengen wat er in de gemeente aan nieuw leven schuil gaat en dat verder ontwikkelen.

Ín de wereld zijn, niet ván de wereld – dat is het model

5. Vestig de aandacht op de essentie. Wat is die essentie? Samen komen voor gebed en dienst. Zo ontstaat een nieuwe gemeenschap.

Bidden zoals Miskotte dat omschrijft: vragen, danken, biechten én zich verbinden; geloften doen. Dienen in de zin van Marcus 3: het goede nieuws verspreiden en boze geesten uitdrijven. Vandaag is met name het gebed bedreigt. In een reflectie over de poster waarop de wereldbol staat, gedragen door de hand van God, schrijft Anton Houtepen: ‘Wie loopt er nog warm voor dit soort beelden? Want precies over die dragende hand van God en de zin van ons gebed zijn wij, Europese christenen, in grote twijfel geraakt door de ons omringende en ook in onszelf huizende agnostische cultuur’. Voor het gebed is het nodig God aan te spreken als persoon. Daar moet je natuurlijk geen karikatuur van maken door Hem te zien als een man of vrouw of een uitvergroting daarvan, maar wel als individu. Frits de Lange: ‘God is meer dan persoonlijk, maar Hij is dat toch op zijn minst’

6. Schep ruimte voor ervaringen en ervaringsverhalen. Er zijn twee soorten kennis: weten en kennen (ergens vertrouwd mee zijn). We moeten die twee niet tegen elkaar uitspelen, maar er is wel een rangorde. Zeker wat de relatie tot God betreft. Beslissend is niet wat we over God weten, maar of we met hem vertrouwd zijn. ‘Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is’ (Hosea 4:6). Daar komt het op aan.

De eigenlijke vraag is bijvoorbeeld niet: bestaat God, maar: hebt u hem wel eens ervaren. Of: kent u iemand die het goddelijke ervaren heeft. Op die ervaring komt het aan. In het bijzonder in het leven in onze seculiere cultuur. Al in 1966 stelde Karl Rahner: ‘De christen van morgen zal een “mysticus” zijn – iemand die iets ervaren heeft – of hij zal niet zijn’.
Ervaring. Daar verlangen mensen naar. Naar de omslag die Job maakte: ‘Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd’ (Job 42:5). Dat is het. In de werkelijkheid van alledag een signaal opvangen van de andere kant. Waarop een mens alleen maar kan reageren met een verwonderd, dankbaar en opgelucht: ‘Hij is het weer!’ (C.A. van Peursen). Zoals veelal in bijbelse verhalen gebeurt.

Ervaring leidt tot kennis, en die kennis is de basis van het weten. Dat komt prachtig tot uiting bij Ruben van Zwieten, theoloog van het jaar 2013. Op de vraag van een journalist: ‘Waar haal jij het vertrouwen vandaan dat God werkelijk bestaat’, reageert hij niet met een spitsvondige redenering, maar met ervaringsverhalen. Zoals deze: ‘Ik heb momenten dat ik mij voel als een Mozes die een stem hoort die zegt: “Ga jij dat doen”.’ Hij schakelt over van weten, naar kennen.

Ervaringsverhalen bouwen gemeenschap

Op ervaringen komt het aan, maar daar kan het niet bij blijven. Voor kerk-zijn in een agnostische cultuur is wezenlijk elkaar die ervaringen toe te vertrouwen! Die verhalen bouwen gemeenschap. Verhalen vertellen behoort bij de kerk. Kerk is een verhaalgemeenschap. Henk de Roest spitst dat toe in de stelling: ‘als kerkmensen op geen enkele manier aan elkaar of aan anderen kunnen vertellen dat zij iets van God merken in hun leven, dat blijft er niet veel over van het christelijk geloof.’

7. Participatieve viering. Deelnemen aan het collectief ritueel – aan de vieringen zeg maar – is essentieel. In het bijzonder in onze seculiere cultuur, waar verwijzingen naar God schaars zijn. Daarbij gaat het niet alleen om de zondagse viering, maar evenzeer om de viering in kleine groepen. Het gaat om liturgie. We ont-dekken een andere wereld dan die van de dominant.

Voor de dichter J.W. Schulte Nordholt is geloven ook niet zo eenvoudig. Ook hij voelt de zuigkracht van de dominante cultuur. Maar als hij zich voegt in de liturgie, dan ervaart hij een nieuwe wereld:

Maar als ik door het pad naar voren schrijd
en om mij heen de arme stervelingen
mensen zo dwaas als ik, de lofzang zingen:
‘O Heer, uw bloed roept voor altijd
barmhartigheid, barmhartigheid’

dan ben ik niet verlegen met mijn God,
dan is hij vlak bij mij, dan weet ik zeker
dat hij mij aankijkt uit de donkre beker,
dan eet ik zijn genadebrood,
dan leef ik van zijn dwaze dood.

                  (uit het gedicht: ‘Verlegen met mijn God’)

Deelname aan liturgie is essentieel. Vandaar dat de negentiende-eeuwse godsdienstsocioloog Frederique le Play stelt: ‘Mensen geloven niet meer omdat zij niet meer naar de kerk gaan’. Niet omgekeerd. Maar dat alles onder voorbehoud dat je in de liturgie de kans krijgt mee te doen – van de tribune af te komen om ‘het heilig spel’ mee te spelen – én er wat te ervaren, te beleven valt. Ook dat wordt duidelijk uit wat Schulte Nordholt schrijft. Essentieel is dat alle genoemde voorwaarden gerealiseerd worden.

De zorgeloze gemeente
De zeven voorwaarden zijn geen losse punten, maar zeven puzzelstukjes die één geheel vormen. Als we die op elkaar aansluiten, ontstaat een begaanbare en inspirerende weg – de weg van vertrouwen – en van het model van de zorgeloze gemeente. Samen vormen zij wat we vandaag noemen Waarderende Gemeenteopbouw. Beide passen in onze agnostische cultuur. Niet angstig bezorgd (waar blijven we?), maar vertrouwensvol. Bevrijd van de zorgen voor morgen, de focus gericht op de essentie: Bidden en Dienen.

Is het allemaal ingewikkeld? Nee, wel ongewoon. Hoe die weg loopt en hoe dit model vorm krijgt heb ik beschreven in Goede Wijn. Waarderende gemeenteopbouw. Gaandeweg worden alle voorwaarden als vanzelf gerealiseerd. Het begint met het kiezen van een positief thema. Niet een tobberige vraag als: heeft de kerk nog toekomst? Maar bijvoorbeeld met een vraag als: hoe kan onze gemeente de godslamp reflecteren? De eerste stap is: vertel elkaar wanneer je onze gemeente zo ervaren hebt. De weg begint met ervaringsverhalen. Daarmee verandert de sfeer. Somberheid maakt plaats voor opgewektheid. En dan verder. In het genoemde boekje is dat beschreven. Ik heb dat alles niet zelf bedacht, maar ontdekt in bloeiende gemeenten. Ik ben meer reporter dan auteur.

Dr. Jan Hendriks is emeritus hoofddocent praktische theologie VU en adviseur kerkopbouw.

Studiedag Goede wijn, een proeverij

Studiedag van ‘Leve de Kerk’ i.s.m. CHE, Fontys Hogeschool en Windesheim, over ‘waarderende gemeenteopbouw’, voortbouwend op het boek Goede wijn van Jan Hendriks .

Vernieuwing van en in de kerk is noodzakelijk. Maar waar te beginnen? En hoe blijf je op weg? Een dag over vertrouwen en good practices met o.a. Jan Hendriks, Karin van den Broeke (synodepreses PKN) en Bettelies Westerbeek (Dominee2.0). Slotviering door mgr. Gerard de Korte (bisschop Groningen-Leeuwarden).

Vr. 31 jan. 10.30-16.00 uur / Johannescentrum, Moezeldreef 400, Utrecht / Deelname: € 15,- (studenten: € 5,-), over te maken op: 76 96 342 t.n.v. St. Leve de Kerk o.v.v. ‘een proeverij’ en postcode en huisnr. / Aanmelding (met naam en adresgegevens): info@waarderendegemeenteopbouw.nl / Meer informatie via Else Roza: info@vonkje.net.

Naar aanleiding van Jan Hendriks, Goede wijn. Waarderende gemeenteopbouw. Kok: Utrecht 2013, 144p. € 14,50

Proefabonnement Woord & Dienst