GeloofKerkgeschiedenis

OVER TIJD EN EEUWIGHEID – door prof. dr. Gerard Dekker

Bij Uitgeverij Meinema verscheen onlangs het Thematisch dagboek, 366 teksten van Dietrich Bonhoeffer, samengesteld door Bonhoefferkenner Gerard Dekker. Elke maand wordt ingeleid door een toelichting van Gerard Dekker, terwijl voor elke dag een tekst uit het verzamelde werk van Dietrich Bonhoeffer wordt aangeboden. Hieronder de inleiding van de maand december en twee dagteksten van Bonhoeffer.

Inleiding bij december door prof. dr. Gerard Dekker:
Bonhoeffer noemt de tijd het kostbaarste goed waarover we beschikken en daarom moeten we daar bewust mee omgaan. Dan hoeven we niet over verloren tijd te spreken. De door ons beleefde tijdelijkheid mogen we ook niet minachten of verwaarlozen met het oog op de eeuwigheid. Want: als u de eeuwigheid wilt vinden, dien dan de tijd. En dat staat, typisch voor Bonhoeffer, gelijk aan: als u God wilt, houd u dan aan de wereld.

Maar als de tijd met de dood voor ons ophoudt, wat dan? De kerk kan op de vraag waar onze doden zijn niets anders doen dan op God wijzen en zeggen dat ze bij God zijn. Er bestaat geen kennis over de doden zonder Godsgeloof. Expliciet zegt Bonhoeffer dat het christendom geen onsterfelijkheidsgeloof kent. Dus dood is dood, het einde van het leven? Nee, want er komt een nieuwe wereld, en ik en u zullen daarbij zijn.

Volgens de overlevering waren de laatste woorden van Bonhoeffer: Dit is het einde, voor mij het begin van leven. Hij had dit ook tijdens zijn leven al een paar keer gezegd, dat het leven pas begint wanneer het hier ophoudt; en: daar eerst beginnen we werkelijk te leven. Dat is geen onderwaardering van het leven hier en nu, dat is na al het voorgaande wel duidelijk. Het is dus ook geen uitdrukking van een onsterfelijkheidsgeloof. Bij Bonhoeffer betekent het de zekerheid van een nieuwe, een vernieuwde wereld aan het eind der tijden, en dáár zullen wij leven. Niet onze ziel gaat naar Christus in de hemel, hij komt naar ons toe op aarde, hij blijft de aarde trouw. Misschien vormt dit ook de achtergrond voor de plicht om naar de toekomst toe te leven. We moeten heel bewust het heden én de toekomst onder ogen zien, omdat we een verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van de geschiedenis hebben. Denken en handelen met het oog op de volgende generatie en tegelijk zonder angst of zorg iedere dag bereid zijn heen te gaan – dat is de houding die ons praktisch opgedrongen wordt.


Uit het dagboek van Dietrich Bonhoeffer:

Waar zijn onze doden? Waar zullen we na onze eigen dood zijn? De kerk maakt er aanspraak op een antwoord te hebben op deze laatste, deze meest onmogelijke vraag van de mens. Misschien hebben we er allang in berust dat het met de dood afgelopen is, dat de mensen zullen terugkeren tot het Niets, waaruit zij eens kwamen. En toch kan onze liefde het niet laten hen te zoeken; zij doet overal navraag of dan niemand het weet waar de geliefde mens is heen gegaan. De kerk wijst helemaal niet naar de doden, ze zegt helemaal niet het een of ander over hen, ze wijst ook niet naar occulte werelden, naar de wereld van de doden, maar zij wijst alleen naar God zelf. Gods wereld is boven alle mensenwerelden verheven. Niemand anders kan daarover spreken dan God zelf. En in die wereld moeten wij onze doden zoeken. Wie dus met de brandende vraag, waar zijn doden zullen zijn, naar de kerk komt, die wordt in de allereerste plaats op God zelf gewezen. Er bestaat geen kennis over de doden zonder Godsgeloof. God is de Heer van de doden en hij heeft hun lot in zijn hand; en alleen wie weet heeft van hem, heeft weet van zijn doden.

… maar de rechtvaardigen zijn in vrede (Wijsheid 3:3). Wie naar de doden vraagt en werkelijk antwoord hebben wil, wie geen genoegen neemt met halve troost, die moet de weg tot God durven gaan en hem zelf vragen – en hij zal antwoorden. Voor degenen die geloven geldt, en hij zegt het zijn gemeente met alle zekerheid: ze zijn bij mij, ze zijn in vrede. Gods wereld is vrede, laatste vrede na laatste strijd. Gods ‘maar’ is het, dat tegen al ons denken en zoeken ingaat. Gods ‘maar’ is het dat de doden niet laat sterven, dat hen opwekt en tot hem leidt. Gods ‘maar’ is het dat de dood tot een slaap maakt, dat ons in een nieuwe wereld doet wakker worden. Gods ‘maar’ is het dat de doden in het paradijs brengt. ‘Maar’ de rechtvaardigen zijn in vrede – dat betekent dus dat het waarachtig niet het vanzelfsprekende is, maar het geheel en al nieuwe, het geheel en al laatste, iets wat van God uit geschiedt. Niet onze vrede, maar Gods vrede. Dat het leven pas begint wanneer het hier ophoudt, dat alles alleen maar voorspel is voor het gesloten doek – dat moeten jongeren en ouderen bedenken.

Misschien komt het u kinderlijk voor dat wij zo spreken. Maar kunnen wij met het oog op deze dingen anders dan zo kinderlijk spreken? Zijn wij dan tegenover zulke dingen werkelijk iets anders dan kinderen, onwetende kinderen?